Jachtopziener wegens stropen bekeurd

Jachtopziener
In de rubriek hebben we wel eerder verteld over stropers die zich voor het kantongerecht te Wageningen moesten verantwoorden, maar dat hun aartsvijand, de boswachter, daar ook voor een dergelijke overtreding kan terecht komen, komt minder voor. Toch wist, een goede twintig jaar geleden , de Edese Courant, dit bijzondere feit te vermelden.


Een landbouwer uit Lunteren had een akker bouwland gepacht in de omgeving van het Wekeromse Zand. Daar bevond zich blijkbaar wild in overvloed althans toen de man in het voorjaar 1960 de grond ging bewerken, wemelde het van hazen. Haver zaaien wat de bedoeling van de boer was, zou in deze omstandigheden, weggegooid geld betekenen; de langoren hadden de korrels al lang voor de ontkieming verorberd. Dus wendde zich tot de eigenaar, de heer N. te Amsterdam, die naast de grond, ook het jachtrecht bezat. Hij verzocht hem de hazenstand drastisch te verminderen, zo niet, dan stelde de boer een flinke schadevergoeding als de oogst mocht mislukken, in het vooruitzicht.
Daarop vroeg en verkreeg de heer N. van de betreffende instanties een afschotvergunning voor twintig hazen. Als rechtgeaard jager, voelde hij er niets voor in die tijd van het jaar, nu veel dieren drachtig waren, zelf op jacht te gaan.
Op zijn beurt verzocht hij een jachtopziener uit Barneveld, onder wiens toezicht deze omgeving ressorteerde, het karwei op te knappen.
Zonder verder na te denken, stemde de man toe en verzekerde zich van twee helpers.
Met een tractor, waarvan de schijnwerper prachtig als lichtbak dienst deed, ging het drietal op een donkere avond aan de slag. Het zij door verraad of louter toeval, maar juist toen de vijfde haas het loodje legde, doken plotseling een paar geüniformeerde leden van de Apeldoornse jachtbrigade op.
"Of de jagers maar even hun vergunningen wilde laten zien". Een lastige vraag, want die bevond zich in Amsterdam. Eigenaar noch boswachter hadden er bij stil gestaan dat dit document tijdens de jacht ter plaatse aanwezig diende te zijn. Er viel niet te praten, prompt kregen nu alle drie een proces-verbaal wegens stropen en werden de geweren alsmede de reeds geschoten hazen in beslag genomen.
Beteuterd dropen de jagers, nu gedegradeerd tot banale stropers, af, om in augustus d.a.v. bij de kantonrechter op het matje te komen. " Wij wisten van de prins geen kwaad; er was toch een officiële vergunning afgegeven", aldus de jachtopziener. Daarvan was ook de ambtenaar van O.M. inmiddels overtuigd, maar aangezien deze op het jachtterrein niet kon worden getoond, waren zij formeel strafbaar. Gezien de omstandigheden wilde hij tegen elk van hen slechts een boete van vijf gulden eisen.
De jachtopziener meende: "Niet voor die twee rijksdaalder, maar als ik gestraft. wordt wegens stropen ben ik in mijn beroep natuurlijk nergens meer". De kantonrechter toonde begrip; hij verklaarde verdachten schuldig, zonder oplegging van straf; bovendien gelastte hij teruggaaf van de in beslag genomen geweren. Opgelucht vertrok het drietal, met het heilige voornemen nooit meer zonder geldige papieren op jacht te gaan.
H. J. Nijenhuis