Niet
iedereen is een hondenliefhebber. Integendeel, er zijn ook mensen, die alleen
maar wijzen op de overlast, die deze dieren kunnen veroorzaken. Deze opvatting
is niet van vandaag of gisteren. Reeds in de raadsvergadering van 2 september
1937 werd er over gedebatteerd. In behandeling was een adres, ingediend door de
heren Groeneveld en Niessen, waarin gevraagd werd maatregelen te nemen tegen hinderlijk
blaffende honden.
Geen eenvoudige opgave. B en W zagen er dan ook weinig
heil in en stelden voor het verzoek voor kennisgeving aan te nemen, hetgeen in
de praktijk betekende: in de prullenbak deponeren. Maar diverse raadsleden dachten
er anders over. Honden konden met hun blaffen en janken soms buren slapeloze nachten
bezorgen.
De heer Pereboom kwam met de volgende aanvulling op de politieverordening:
"Houders van honden binnen de bebouwde kom die door hun gehuil of geblaf
hinderlijk worden voor hun omgeving zijn verplicht deze dieren van 22 uur 's avonds
tot zes uur 's morgens binnen te houden".
Na heel wat heen en weer praten
werd dit voorstel met dertien tegen acht stemmen aangenomen. Of deze maatregel
succes heeft gehad, is moeilijk te achterhalen. In ieder geval kwam zij te
laat voor de familie IJ .te Lunteren, die al een acht jaar eerder met een hondeneigenaar
in de clinch had gelegen. Het echtpaar woonde destijds aan de Berkhoflaan en ondervond
veel last van de bouvier, toebehorend aan de buurman.
Het hok en de ren van
deze hond stonden precies op de grens van beide tuinen en vlak voor hun keukenraam.
De bouvier was een jong nerveus dier, dat een groot deel van de dag met janken
doorbracht. Dat begon man en vrouw danig op de zenuwen te werken, maar klagen
bij, buurman haalde niets uit, hoewel de tuin groot genoeg was om het hok elders
neer te zetten.
Het geduld van mevrouw raakte uitgeput en op 21 januari
1929 werd besloten tot een radicale maatregel. Genoemde dag bakte zij twee
ballen gehakt, mengde daar een flinke dosisrattengif door en gaf die aan de hond.
Helaas de bouvier had blijkbaar geen honger of rook onraad. Hij hapte in ieder
geval niet.
Wel kwam zijn baas aanlopen en terecht aannemend, dat buurvrouw
zijn hond beslist niet zo royaal zou verwennen, haalde hij de twee bak produkten
uit de ren en liet ze door een deskundige onderzoeken. Daar kwam onomstotelijk
vast te staan, dat beide ballen gehakt waren vergiftigd, waarna de politie werd
ingeschakeld.
Er volgden proces-verbaal en na verloop van tijd een gang naar
de kantonrechter. Mevrouw IJ wist de overlast, die de hond haar opleverde zo realistisch
af te schilderen, dat de kantonrechter er begrip voor kon opbrengen.
Daar het
dier geen enkel letsel had opgelopen, werd verdachte vrijgesproken.
Dat zinde
de ambtenaar van het openbaar ministerie allerminst en deze tekende hoger beroep
aan. De zaak kwam voor de rechtbank te Arnhem, waar men minder consideratie
toonde. Verdachte werd nu wegens het opzettelijk pogen een hond te doden veroordeeld
tot 20 gulden boete of tien dagen hechtenis. Wel werd de eigenaar van de bouvier
opgedragen het hok te verplaatsen naar het achterste deel van zijn tuin. Het echtpaar
was opgelucht.
Ondanks de twee tientjes boete hadden de twee gehaktballen toch
tot resultaat geleid.
H.J.Nijenhuis