Eerste agent verscheen in 1713

Oom agent is onderhand zo’n vertrouwd beeld in onze samenleving geworden,dat er niet veel mensen zullen zijn die weten wanneer de eerste politieagent zijn intrede in het Edese deed .
Om eerlijk te zijn: ook wij tastten in het duister omtrentm de geboortedatum. Dus wat doe je dan: je slaat het grootmnaslagwerk "Geschiedenis van Ede" van de vereniging Oud Ede open en ziedaar: een besluit van 11 september 1713 ligt ten grondslag aan onze gemeentepolitie.
De Ambtsjonkers (dat waren de regerende edelen in de plattelandsambten) gingen toen over tot het aanstellen van Ambtspolitie, omdat het boevengespuis steeds vaker Edeseboeren,burgers en buitenlui lastig viel.
Bij vroegere gelegenheden hadden de boeren zelf wel drijfjachten op verkeerde "sujetten" georganiseerd (zigeuners werden voor 5 guIden gevangen, op 26 mei 1710 werd er nog een generale jacht op gauwdieven en landlopers gehouden), maar de tijd vroeg langzamerhand om andere
maatregelen.
"De Buurten hadden haar scheuters, ook de bosschen. Maar die zorgden voor de naleving der besluiten van de Buurtvergaderingen en Boschdagen. De Schout was de man van de Justitie en trad op bij
misdrijven. Maar gesteld, dat na het beëindigen van een oorlog vele afgedankte soldaten het land afloopen en de eenzaam wonende boeren lastig vallen, wie moest dan optreden?"
Er waren op de Veluwe schuilplaatsen genoeg voor "slecht volk", overal was kans zich aan het oog der
justitie te onttrekken. De dreigende overlast van afgedankte soldaten was in 1713 de indirecte aanleiding
tot het aanstellen van "ambtsdienaren", de officiële naam voor de voorlopers van onze gemeentepolitie. Tegenhet salaris van een rijksdaalder per week plus kleding en wapens moestep ze dagelijks door
het gehele ambt patrouilleren en verdachte personen aan de schout overleveren.
Als eerste Ambtsdienaren werden benoemd Frank Janssen en Tilleman Claessen. De laatste slechts voorlopig voor vijf weken om te zien of hij wel deugde voor het vak. Claessen kreeg in die proefperiode alleen weekloon; toen het goed ging, kreeg ook hij zijn uniform en wapens.
Zuinig .
De in Wageningen gemaakte kledij moest twee jaar mee. Wie zuinig op zijn kleding was en er een jaar
langer mee had gedaan, ontving als beloning vijftig gulden. De eerste politiehond dateert van 1768: "een
goeden manvasten hond"waarvoor de dienaar elke maand een gulden kostgeld ontving.
De naam veranderde in de loop der jaren van "ambtsdienaren'' in "dienaren van politie", "dienaren
van justitie" en vervolgens " veldwachters".
In de 19de eeuw waren er vier politiemannen in Ede, Bennekom, Lunteren en Otterlo, op een salaris
van 150 gulden per jaar plus 30 gulden voor kleding. In Geldersch Veenendaal was er geen en daar
schijnt het dan ook een vrijgevochten bende te zijn geweest. Klachten brachten de raad er in 1826 toe ook daar een veldwachter te benoemen.
De zondag was destijds al voor veel Edenaren een heilige dag waarop je hooguit mocht rusten of een
stukje bijbellezen. In 1818 maakte schout Van Meurs, die de Edese jongeren nogal losbandig vond ,na overleg met de predikanten een Reglement op de viering van Zon en feestdagen. Op kaart en andere dobbelspelen en op schreeuwen langs publieke wegen op zon en feestdagen stond een boete van drie gulden of een dagje zitten. Herbergen moesten om 10 uur s’ avonds (geen nachthoreca in Ede!) geslotenworden.
Zelfs de kerkgangers, toch niet direct de grootste lastpakken en raddraaiers, werden scherp door
een veldwachter in de gaten gehouden. Wat wilde namelijk het geval?
Nogal wat Edenaren hadden de gewoonte om de kerk te verlaten voor het beëindigen van de dienst, ze
gingen zogezegd voor het zingen de kerk uit, en dat was de vroede vaderen een doorn in het oog.
Door het smijten met deuren en het geklos van klompen werd de orde rond de "plechtige viering van mannelijke ingezetene beneden de zestig jaar was verplicht zijn steentje aan de nachtwacht bij te dragen.
Een nachtwacht bestond uit vier man met een commandant. Ze moesten vigileren, letten op de veiligheid van de ingezetenen en verdachte personen aanhouden, om die 's morgens in de Ambtsgevangenis af te leveren.
Ede heeft het jarenlang zonder gevangenis moeten stellen. In 1820 werd een bouwvallig huis tot gevangenis verbouwd, met één cel civiele gevangenen (voor niet betaalde boetes enzovoort) en twee cellen voor criminelen. Evert Cornelissen was cipier onder het genot van een vrije woning en 40 gulden salaris,maar pensioen kreeg hij niet toen in 1842 de gevangenis weer werd opgeheven.
De meeste veldwachters bleven lang in dienst en genoten daarna van hun pensioen, maar een enkele maal zat er een verkeerd element tussen.
Zo maakte één veldwachter het zo bont door het dagelijks gebruik van sterke drank, dat hij binnen het jaar er uit vloog (1820). Ook in Lunteren vergat een veldwachter zijn plicht, liep markten af en maakte
ruzie in kroegen. Het regende klachten.
In 1861 verdienden de vijf verdwachters onder burgemeester Van Borssele 208 gulden per jaar. Bovendien haalden zij als een soort bijverdienste eieren op bij de boeren en brachten zij almanakken rond. Het eerste werd hen verboden , ze kregen als compensatie zeven gulden verhoging van jaarwedde.
In 1872 werd het salaris 300 gulden nog eens met 25 gulden bonus als het werk goed werd gedaan . De veldwachter in Ede verdiende iets meer meer dan zijn collega's in Bennekom, Otterlo, Lunteren en Gel dersch- Veenendaal en trad ongeveer op als chef. Th. Pigeaud werd in 1912 de eerste chef-veldwachter.
Ongeregeldheden
In Geldersch-Veenendaal en in Ede deden zich eind vorige eeuw ernstige ongeregeldheden Voor, als
gevolg van verbittering tegen andersdenkenden op godsdienstig terrein. In Ede was het Leger des Heils
de aanleiding. Zo kort na de afscheiding van de gereformeerde gemeente was het optreden van de Heilsoldaten oorzaak van grote beroering in het dorp. De villa van begunstigster mejuffrouw A. Knuttel werd bestormd, maar justitie wist de daders niet te achterhalen.
Een veldwachter werd geacht een heleboel te doen maar moest ook een heleboel laten. Een uit 1917
daterende instructie met vijfentwintig artikelen liet niets aan het toeval over. Zo mocht een veldwachter
niet wonen of voor zijn plezier vertoeven in een herberg, kroeg of slijterij (dronken veldwachters kregen terstond ontslag) en mocht hij de gemeente niet verlaten zonder toestemming van de burgemeester .
Tijdens de nachtsurveillance moest de veldwachter er voor zorgen dat "vuur of pijp hunne aanwezigheid niet kan verraden". Fooien en giften moesten worden ingeleverd bij de inspecteur, die het geld
elk kwartaal verdeelde. Eerbiedig, bescheiden en gehoorzaam moest de veldwachter zijn, vloeken en
andere ruwheden waren uit den boze. De vrees voor het nieuwe: toen de auto haar intrede deed, werd het volgende voorstel gelanceerd: "Berijders van motorfietsen zullen daar,waar de kom van het dorp een
aanvang neemt afstijgen en naast hun fiets lopen, tot zij de plaats hebben bereikt, waar de kom eindigt.
Bestuurders van automobielen zullen in de kom van het dorp een persoon stapvoets voor hun voertuig doen uitlopen, totdat de andere zijde bereikt is.
Gedeputeerde Staten maakten echter bezwaar tegen de verordening, die eerst op de lange baan
geschoven en tenslotte ingetrokken werd. Automobilisten werd in Ede niets in de weg gelegd. Dat kwam
later pas.

