Iedere
Nederlander wordt geacht de wet te kennen, zo wordt wel beweerd, maar het valt
te betwijfelen of dat zo is. Onlangs ontvingen we van onze gemeentearchivaris,
de heer P. Meerdink een omvangrijk afschrift van de algemene plaatselijke politieverordening,
vastgesteld en goedgekeurd tijdens de openbare vergadering van "Den Raad
der gemeente Ede". Op 6 april 1906 en ondertekend door burgemeester Jhr.
mr. D. J. A. A. van Lawick van Pabst en gemeentesecretaris F. C. W. van Nes. Deze
bepalingen beginnen met een nauwkeurige grensomschrijving van de vier kerkdorpen,
Ede, Bennekom, Lunteren en Otterlo alsmede Gelders Veenendaal en de daarbij behorende
buurtschappen.
Vervolgens wordt in een dertiental hoofdstukken met gezamenlijk
honderd en vier artikelen aangegeven waaraan de toenmalige burger van Ede zich
maar had te houden. We hebben er wat in gegrasduind en een aantalbepalingen, die
thans van weinig of geen betekenis meer zijn, eruit gelicht .
Onder het
hoofdstuk: " Toezicht op tapperijen en herbergen"lezen we:
Houders
van huizen of andere plaatsen waar aan het publiek drank wordt verkocht, mogen
in die huizen niemand aanwezig hebben vanaf avonds elf uur tot 's morgens zes
uren. uitgezonderd leden van het gezin" . Dat sluitingsuur valt overigens
nog wel mee in een tijd dat de meeste mensen met de kippen op stok gingen en het
heeft zich jarenlang kunnen handhaven. Ook voor de zedelijkheid van de burgerij
werd streng gewaakt want even verder staat er. Het is verboden bordelen
of openbare huizen van ontucht te houden onder de benaming bordeel of openbaar
huis van ontucht wordt verstaan elke inrichting, waarin door een persoon die daarover
de beschikking heeft, gelegenheid wordt gegeven tot het plegen van ontuchtige
handelingen. Wanneer blijkt dat iemand een bordeel of openbaar huis van ontucht
houdt, zal de burgemeester de sluiting bevelen en het publiek de toegang beletten.
Vermakelijkheden
Ziezo,
dat weten we ook, maar tevens werden de touwtjes op het terrein van de normale
openbare vermakelijkheden, strak gehouden, luister naar:
Niemand mag
zonder vergunning van den burgemeester, feesten, muziekuitvoeringen of enige vertoningen
van welke aard ook geven waar aan het publiek met of zonder betaling toegang
wordt verleend. Zij die aan ene optocht deelnemen, ook al is daar vergunning
voor verstrekt, zijn verplicht op de eerste aanwijzing van de politie uiteen te gaan
wanneer zulks ter voorkoming van stoornis der openbare orde door de burgemeester
wordt nodig geoordeeld.
Muziekanten, liedjeszangers, orgeldraaiers, springers
of acrobaten, hardlopers, vertooners van kijk en poppenkasten en andere dergelijke
personen mogen zonder vergunning van den burgemeester, hun bedrijf niet uitoefenen
op of aan openbare wegen, langs de huizen of in de voor het publiek openstaande
gebouwen of terreinen.
Aan deze laatste bepalingen zullen de Edenaren minder
zwaar gebeurd hebben. Niet alleen stond het uitgaansleven in ons dorp nog op een
laag pitje,maar bovendien bestond er weinig behoefte aan die zwervende "kunstenmakers
en kermisklanten" die men liever kwijt dan rijk was.
Verkeer
Veel
aandacht werd ook toen reeds geschonken aan het verkeer en de destijds in zwang
zijnde vervoersmiddelen, waarbij de hondenkar een belangrijke plaats innam. Heel
oude Edenaren kunnen zich wel herinneren hoe verschillende kleine zelfstandigen
zoals onder anderen melkboer De Bruyn en petroleumhandelaar Wassinkmaat voor het
bedienen van hun klanten van speciale kar gebruik maakten met een of twee honden
als trekkracht. Ook slager Blokker die zich in 1888 als "mr vleeshouwer en
spekslager" te Ede vestigde beschikte over een dergelijk vervoermiddel om
éénmaal per week
zijn produkten in Lunteren aan de man te brengen.
Om het tolgeld uit te sparen trok hij, via de Goorsteeg, over rulle zandwegen,
met een grote boog naar ;,de parel der Veluwe" waarbij de hond alle hulp
van zijn baas nodig had. De terugweg, met een vrijwillige kar, ging beter en
het idee de tolgaarder een dubbeltje door de neus te hebben geboord, deed Blokker
al gauw alle vermoeinissen vergeten.
Tevens beschikte destijds het Leger over
een aantal speciale hondenkarren voor het vervoeren van mitrailleurs, maar
deze vielen niet onder de bepalingen van de gemeentelijke politieverordening,
die vrij streng waren. Allereerst was een vergunning van B. en W. nodig die geregistreerd
werd. Op de achterzijde van de kar moest dan duidelijk, in witte letters op
zwarte ondergrond de naam van de gemeente en het nummer van inschrijving worden
vermeld. De honden konden voor of onder de kar worden gespannen: in dat laatste
geval moest de wagen voorzien zijn van bepaalde steunen waardoor de last, bij
rijden of stilstaan, niet op de hond kon drukken. De begeleider behoorde naast
de kar te lopen en mocht daarop alleen plaats nemen als de wagen geheel ledig
was dan nog slechts zijdelings. In de kom van het dorp moest stapvoets worden
gereden terwijl de voerman niet beschonken mocht zijn.
Bij overtreding werd
de vergunning ingetrokken en kon die pas het volgend jaar opnieuw worden aangevraagd.
Een
rijtuig mocht in de kom van het dorp in gematigde draf rijden, maar moest bij
het nemen van bochten deze snelheid beperken. Voorts was het verboden om achter
op een ingang zijnde rijtuig te klimmen wat kwajongens graag deden. Vanaf zijn
plaats op de bok kon de koetsier hen niet zien; een prachtgelegenheid om een eind
mee te rijden.
De fiets kreeg ook een beurt, een rijwiel moest voorzien
zijn van een luid klinkende schel en onder het rijden was het verboden de stuurkruk
"los te laten". Auto's speelden nog geen rol van betekenis: althans
in deze politieverordening wordt er weinig over gezegd, alleen de maximum snelheid
in de straten van het dorp was vastgesteld op tien KM per uur.
Ook wordt
de volgende omschrijving van een dergelijk voertuig gegeven, "Onder automobiel
wordt verstaan elk vervoersmiddel bestemd om te land, door mechanische kracht
en door personen te worden voortbewogen."
Ziekten
Uit hoofdstuk
VII " Toezicht op besmettelijke ziekten", nemen we het volgende over:
"Het is aan ouders, voogden en verzorgers verboden kinderen, aangetast door
mazelen, kinkhoest, besmettelijk hoofdzeer, schurft of kwaadaardige oogontsteking
naar de scholen te zenden. De hoofden der scholen mogen bedoelde kinderen niet in
hunne inrichting toelaten, voordat blijkens een geneeskundige verklaring het gevaar
voor besmetting geweken is.
Daarop aansluitend,indien bij het vervoeren
van een lijder aan besmettelijke ziekte van een rijtuig gebruik wordt gemaakt,
mag dit rijtuig niet voor andere doeleinden worden gebruikt dan na behoorlijke
ontsmetting ten genoegen van burgemeester en wethouders. Ook huisvrouwen hadden
met verschillende bepalingen rekening te houden. Zo was het, volgens artikel
drie en zeventig, verboden op of langs wegen en voetpaden in de kommen der dorpen,
kleeden, matten, loopers en dergelijke met stof bezwangerde voorwerpen uit
te kloppen tussen acht uur des morgens en tien uur des avonds.
Waswater
Nog
erger was het verbod dat geen waswater op de openbare weg geloosd mocht worden,
hetgeen voor al op vrijdagmorgen, als stoepen en straatjes de wekelijkse schrobbeurt
kregen, de nodige problemen opleverde en jarenlang van kracht is gebleven. Zo
moest in augustus 1929 nog ene mevr. K.wonende aan het Maandereind, wegens overtreding
van deze bepaling voor de kantonrechter verschijnen. Zij had op 6 mei daaraan
voorafgaande, middels haar dienstbode, schrobwater op de straat laten lopen. Verdachte
bekende volmondig maar voerde als excuus aan dat bij haar woning geen ruimte
was om een zinkput te graven.
Het straatje, dat van de achterdeur naar de weg
liep, werd van tijd tot tijd geschrobd, je kunt de boel niet laten versmeren
en het water moest ergens blijven. De direkteur van gemeentewerken, de heer Weener,
als getuige gehoord, verklaarde dat meerdere bewoners van het Maandereind met
dezelfde problemen kampten. Alleen de aan leg van een riolering kon voor een afdoende
oplossing zorgen maar daarvoor bezat de gemeente geen geld. Dat pleitte wel
voor verdachte. maar formeel bleef zij schuldig. De oplossing kwam toen tot dienstmeisje
werd gehoord, op een vraag van de kantonrechter of zij in opdracht van mevrouw
had gehandeld, klonk het verontwaardigd. "Geen sprake van, ik ben gewend
zelfstandig te werken." Hierop concludeerde de kantonrechter dat zij de overtreding
had begaan en werd mevr. K. vrijgesproken.
In deze politieverordening
komen nog tal van onderwerpen aan de orde:
toezicht op levensmiddelen, bepalingen
voor begrafenissen en brandgevaar enz. te veelom op in te gaan. Wel willen we
tot besluit, op het gebied van wegen, een onderdeel van artikel vier en vijftig
vermelden: "Het is verboden de wegen en voetpaden te versmallen of te verleggen."
Dat klinkt misschien een beetje vreemd maar bedoeld werden vooral de aanvankelijke
brede zandwegen die door de bouwlanden liepen. Nu waren er links boeren die elk
voorjaar, bij het ploegen, een vore aan hun grond toevoegden, waardoor soms, na
verloop van jaren, slechts een karrepad overbleef .
We willen het hierbij laten;
in het laatste hoofdstuk worden tevens den straf bepalingen vermeld: "Met
uitzondering van enkele artikelen wordt elkemovertreding of niet naleving der
bepalingen dezer algemeene politieverordening gestraft met een geldboete van ten
hoogste twintig gulden boete of hechtenis van ten hoogste zes dagen."
H.
J. Nijenhuis