Voor de kleine boeren in onze omgeving
was het in het begin van deze eeuw lang geen vetpot. Door de grote invoer van
rogge, van
oudsher het aangewezen gewas voor de zandgronden, uit Amerika en
Rusland, was de verbouw daarvan amper lonend. Vandaar dat meestal een gemengd
bedrijf werd uitgeoefen, wat landbouw, en verder varkens, kippen en koeien gehouden.
Vooral deze laatsten vormden het duurste onderdeel van de veestapel. Als een
koe ziek werd of, erger nog, dood ging, betekende dat een strop die vrijwel geen
enkele eigenaar kon dragen. Vandaar dat in 1907 enige inwoners van Otterlo en
Harskamp de koppen bij elkaar staken en de vereniging tot onderlinge verzekering
tegen schade door sterfte onder het vee te Otterlo en Harskamp oprichtten. Een
lange naam, maar zo staat het letterlijk in het reglement dat evenals kas en notulenboek
trouw bewaard is gebleven en waarin schrijver deze's kon grasduinen.
Artikel één
van dit reglement stelt het doel van de vereniging duidelijk vast n.l. om onderling
het geldelijk verlies te dragen in geval van een der deelnemers een koe of kalf
sterft, voor zover de dood niet een gevolg is van eigen schuld. ledere ingezetene
binnen de grenzen van de kerkelijke gemeente Otterlo, waartoe ook Harskamp en
een deel van Wekerom behoorde, kan zijn rundvee in deze vereniging verzekeren.
Er melden zich al direct veertig leden met gezamenlijk honderd twintig koeien, Waarschijnlijk zou dit aantal nog groter zijn geweest maar in die jaren en misschien
nog wel, waren er mensen die om principiële redenen tegen elke vorm van verzekering
waren.
Daardoor waren er zelfs mensen in het veefonds, zoals de vereniging
algemeen werd genoemd, die hun lidmaatschap zelfs voor hun eigen vrouw geheim
hielden. Voor een volwassen koe moest een gulden inschrijfgeld worden betaald,
terwijl de premie voorlopig op 2% van de geschatte waarde, in die jaren rond
de honderd twintig gulden, werd gesteld.
Als eerste bestuursleden traden op:
R. Pieters, voorzitter, D. J. Kroon, penningm. en als secretaris de bekende meester
Wormgoor uit Harskamp want voor die functie had men iemand nodig die, zoals
het toen werd uitgedrukt, letters had gegeten. Die Pieters was een handelsman,
die alle mogelijke zaken kocht en verkocht .
Hij was begonnen als bakker maar
had al gauw door dat je alleen van brood en koek verkopen niet rijk wordt, dus
breidde hij zijn omzet met allerhande artikelen uit tot takkenbossen en schelhout
toe. In 1923 bedankte de heer Pieters als voorzitter en trok naar Ede waar hij
café "De Bospoort" ging exploiteren. Later, opgevolgd door zijn
zoon heeft deze gelegenheid nog jarenlang bekend gestaan als het café
van Nol Pieters.
Naast de bestuursleden werden nog twee mannen benoemd die
een heel belangrijke taak: voor het veefonds hadden te verrichten, de controle
op het ingeschreven vee.
In het reglement werden zij heel deftig "taxateurs"
genoemd, maar in de volksmond werd dat."schatters". Deze schatters moesten
twee maal per:jaar bij alle deelnemers de ingeschreven runderen controleren en
taxeren. Daarvoor werden zij vorstelijk met een kwartje per stuk, de eerste maal,
in april, voor rekening van de kas, de tweede ronde, in november werd door de
eigenaar betaald, Pas in 1956 werd dit bedrag verhoogd tot een gulden per rund.
Iedere
deelnemer was verplicht bij ziekte onder zijn verzekerde koeien allereerst de
schatter te waarschuwen. Deze besliste wat er verder gedaan moest worden, medicijnen
geven waarover het fonds beschikte, of er een noodslachting van maken. In dat
geval kreeg de verzekerde de waarde van het dier uitbetaald, maar ging de opbrengst
van het vlees, mits goedgekeurd, naar het fonds zodat de schade beperkt bleef.
Dat gebeurde bijv. op 16 mei 1912 bij H. Stomphorst die voor zijn geslachte koe
f 132.- ontving maar waarvan het fonds f 110,- terug zag. Bleek het dier voor
de consumptie ongeschikt, dan bezat alleen het vel, zo van vijf tot zeven gulden,
enige tegenwaarde.
Pas in ernstige gevallen, als de schatter zelf geen beslissing
dorst te nemen werd de veearts, in die dagen dokter Abspoel uit Ede, ingeschakeld.
De kosten van behandeling plus het vervoer van de man in een rijtuig van stalhouderij
v. Laar, waren dan voor rekening van
het fonds, zodat men daar niet zo gauw
toe overging.
|
Als
eerste schatters werden aangesteld J. Beumer uit Harskamp en B. v.d. Brink uit
Otterlo: beiden hebben dit werk tientallen jaren verricht en werden daar door
zeer populaire figuren in deze omgeving. Een van de twee laatste schatters, de
heer j. v. Santen uit Otterlo, kan nog smakelijk over hen vertellen. Jan Beumer
was een venter die elke dag met zijn winkelkar de boer op trok om zijn goederen
aan de man te brengen. Hij kwam huis aan huis en werd door zijn prettige omgang
en rappe tong een vraagbaak voor veel mensen. Zij kregen van hem gratis advies
hoe diverse kwaaltjes te behandelen en lastige zaken op te lossen. Stuitte
men op moeilijkheden dan was het al gauw: "Haal jan Beumer maar, die weet
overal raad op".
Door zijn werkzaamheden als schatter kreeg hij ook
de nodige ervaring op het gebied van veeverzorging en trad in veel gevallen op
als veearts. In de winter, door veel knollenvoer, kon een koe wel eens opzwellen.
"Ze heeft de bom", noemden de boeren dat. jan Beumer wist er middeltjes
voor; hij goot het dier een fles gier in de keel of gaf het een opgerold blad
boerenkool, gevuld met groene zeep, te eten en de zwelling trok weg. Bij melkziekte
pompte hij de spenen op en bond deze, als zij vol waren, met een linnen bandje
af, dat vier en twintig uur moest blijven zitten. Daarna bleek vrijwel steeds
de ziekte genezen, terwijl als er niets aan werd gedaan de koe in negen van de
tien gevallen ten dode was opgeschreven. |
Bij H. Pater
had een losgebroken vaars uit een mand op de deel een flinke aardappel naar binnen
gewerkt. Helaas te groot want de
pieper bleef in de keel steken, zodat het
dier dreigde te stikken. IJlings werd Beumer gehaald, die nam een houten hamer
en timmerde de vaars daarmede zolang op de hals tot de aardappel aan stukken was
geslagen en het dier de rest kon doorslikken. Zoals gezegd, Jan Beumer wist overal
een oplossing voor en stond bij de mensen hoog aangeschreven.
|
De
tweede genoemde schatter ,B. v .d. Brink werd in zijn omgeving steevast "de
grote Berend" genoemd. Deze man was zo sterk dat hij een varken, de handen
onder de
buik gespannen, kon opbeuren en dan vrij nauwkeurig het gewicht wist
te schatten, Geweldige kracht moet deze Berend hebben bezeten; het verhaal gaat
dat hij van
een bevriende boer die naast hem woonde, gratis drie mud rogge
kon krijgen op voorwaarde dat hij die, in één keer, zonder hulpmiddelen
naar huis bracht.Berend dacht: "die ben je kwijt", gooide een mud op
zijn schouders, pakte onder elk van zijn reusachtige armen een gevulde zak
en sjouwde met deze vracht doodgemoedereerd de ruim vijftig meter afstand naar
zijn woning. Maar sterke verhalen of niet, de schatters hadden een verantwoordelijke
taak die veel werk maar weinig geld opleverde. Bij hun beslissingen moesten zij
aan de belangen van het fonds en tevens aan die van de verzekerde denken, daarbij
rekening houdend met de bepalingen van het reglement die soms eigenaardig waren.
Zo mocht geen schade worden vergoed als een koe bij brand om het leven
kwam,
maar wel als dit een gevolg was van blikseminslag of zoals de notulen van 1950
vermelden, getroffen werd door hemelvuur.
Alle inkomsten en uitgaven door de
schatters alsmede die van de overige bestuursleden werden nauwkeurig opgetekend
in een kasboek.
|
Men komt herhaaldelijk een post van twee
cent tegen als verantwoording voor een postzegel. Op 7 december 1940 werd als
uitgave voor een verzonden brief, zeven en halve cent geboekt, waardoor jarenlang
het saldo steeds met een halve cent afsloot.
Eenmaal per jaar werd een vergadering
belegd waar rekening en verantwoording van de afgelopen periode werd gedaan. Elk
jaarverslag besloot steevast met de regels: "Niets meer aan de orde zijnde
sluit de voorzitter de vergadering en verzoekt de aanwezigen alvast hun premie
voor het komend jaar te betalen", In 1932 werd in besloten kring het 25 jarig
bestaan van het fonds herdacht met een borreltje en een sigaar. Ongetwijfeld zal
dat drankje, zij het voor eigen rekening, altijd wel op het programma hebben gestaan
want deze bijeenkomsten werden afwisselend gehouden bij Grevers in Otterlo, Beerdsen
of Minnen in Harskamp en bij Pluim of Hazeleger te Wekerom, allen bekende caféhouders.
Vooral
in de vooroorlogse jaren heeft het veefonds nuttig werk verricht en voor heel
wat minder kapitaalkrachtigen de klap opgevangen. Het aantalleden groeide in die
tijd gestadig; in 1935 waren het er 66, met 185 stuks verzekerd vee.
Na de
oorlog daalde de belangstelling; in 1966 waren er nog maar 18 leden met 93 runderen,
terwijl in 1969 en 1970 zelfs geen jaarvergadering kon worden gehouden daar geen
enkellid kwam opdagen.
Het laatste bestuur, bestaande uit Hendrik Hotse
voorz., G. Rapseer en de beide schatters, J. v Santen en H. v .d. Berg, hield
op 4
april 1975 een vergadering ten huize van laatstgenoemde. Men kwam tot
de conclusie dat het geen zin had het fonds nog langer te laten bestaan. Aan de
overgebleven leden werd 5,5% van het nog aanwezige geld uitgekeerd, terwijl het
overschot; f 108,30, geschonken werd aan het "Groene Kruis" te Otterlo,
Harskamp en Wekerom.
De laatste regel van het notulenboek vermeldt dan ook:
Op 4 April 1975 heeft de vereniging tot onderlinge verzekering tegen schade door
sterfte onder het vee te Otterlo en Harskamp, opgehouden te bestaan.
H. J.
Nijenhuis
 
|