Agrarisch Ede verandert

Industrie doet haar intrede

In de 19e en 20e eeuw werd in het Edese gebied veel grond ontgonnen. De oppervlakte woeste grond, die in 1826 nog 20.000 hectare bedroeg, was in 1921 verminderd tot 12.000 en in 1932 tot 11.000 hectare. De meeste nieuw ontgonnen grond, die voor het grootste deel uit hooggelegen onvruchtbare zandgrond bestond, werd door bos ingenomen. Bouw en weiland vermeerderden in genoemde jaren met 25 procent, het weiland nam toe met 60 procent.

De kleine boer kon zich na 1910 meer gaan toeleggen op het fokken van vee. Dankzij de betere vervoersmogelijkheden
Naar de Utrechtse markt en het gebruik van kunstmest,waardoor de voedergewassen verbouwd konden worden op de zanderige grond,zoals voederbieten en koolrapen.

De grootste vlucht nam echter de kippenhouderij: had een boer vroeger 6 a 12 kippen, nu had hij er al gauw 100 a 300. De eieren werden verkocht aan handelaren die ze verkochten in de Nederlandse steden en uitvoerden naar Engeland.

Van de nieuw ontgonnen grond werden zowel lage als hoge percelen gekocht door boertjes die een nieuw bedrijf wilden opzetten, maar ook door winkeliers, spoorwegbeambten en notarissen. De omstandigheden van de landarbeider verbeterde in deze tijd ook doordat er werk was in het hout, was er 's winters minder werkloosheid. De lonen werden hoger waardoor veel arbeiders in staat waren ook een stukje grond te kopen, dat ze bewerkten naast hun werk als dagloner bij de boeren. Dikwijls bleek dit nevenbedrijf zo goed te functioneren, dat ook zij spoedig zelfstandig landbouwer werden. Volgens de landbouwtellingen nam het aantal landarbeiders met eigen grond tussen 1910 en 1930 dan ook af van 489 tot 362.
Zoals de Edese boeren zich aan het eind van de 19e eeuw wisten aan te passen aan de nieuwe omstandigheden, wisten ze dit ook nu weer te doen. Grasland werd in bouwland omgezet als de roggeteelt meer loonde, de kippenteelt werd uitgebreid of kromp in, al naar gelang de vooruitzichten voor deze bedrijfstak waren.

Aan het begin van deze eeuw wordt een andere interessante bron van inkomsten ontdekt in de gemeente Ede, het vreemdelingenverkeer. Door de mooie natuur en de rust ontstaat er in de loop van de tijd een uitgebreid hotel en pensionwezen. Bennekom en Lunteren, die meer rust behielden dan Ede met zijn kazernes en kunstzijdefabriek, krijgen het meest het karakter van een pensionplaats. Lunteren profiteert sterk van het direct aan het dorp grenzende, door notaris Van der Ham gestichte, ongeveer vijftig hectare grote Buurtbos en Bennekom van de grote bossen en heidegronden die gedeeltelijk particulier bezit zijn en gedeeltelijk eigendom zijn van de gemeente en buurten .

In 1938 telt Ede 38hotels,waaronder enkele zeer kleine en Bennekom en Lunteren elk vijf. In deze dorpen zijn de pensions echter wel talrijk, voor velen een aantrekkelijke bijverdienste. Verder zijn er nog pensions in Harskamp, Otterlo en de buurten. De VVV in Ede wordt opgericht in 1906. De oprichters en bestuursleden zijn zonder uitzondering zelf vreemdelingen: een burgemeester,een notaris,een gemeente secretaris en een bankdirecteur. Niet direct belanghebbende dus.

De verenigingen bevorderen het hotel en pensionwezen door verfraaiing van de dorpen,zorg voor amusement en vooral door reclame en het uitgeven van lijsten van pensions en het stichten van inlichtingenbureau. In 1935 wordt ook de eerste
heideweek georganiseerd: een voltreffer die gasten vanuit het hele land trekt.

Voortrekkers
Behalve enkele bedrijfjes, waar agrarische produkten verwerkt werden, (wolkammerij, grutterij, enkele korenmolens, een touwslagerij) was Edes nijverheid niet van interlokale betekenis. De industrie, die tot dan toe die naam nauwelijks verdient, is
verder totaal gericht op de plaatselijke bevolking.
In 1854 werd Ede verrast met een houthandel, opgericht door de uit de Zaanstreek afkomstige Jan Tulp. Aan de uiterste rand van het dorp begon hij zijn bedrijfje "in hout" het begin van het huidige doe-het- zelf- en bouwmaterialen-centrum
aan de Frankeneng. Leden van een volgende generatieTulp zagen met de komst van het garnizoen in Ede een gat in de markt en openden in datzelfde jaar de Stoom, Wasch en Strijkinrichting Gelria.

In de beginjaren was de was van in het dorp gelegerde militairen een belangrijke bron van inkomsten. Gelria begon met zes werknemers, maar geleidelijk breidde het personeelsbestand zich uit. Samen met de houthandel en de gasfabriek
vormde de wasserij het eerste industriegebiedje van Ede.

Drukkerij
Nog iemand, die een graantje van de garnizoensactiviteiten wilde meepikken was de Groninger Jan Frouws, die zich in 1909 in Ede vestigde als drukker en boekhandelaar. Hij was degene, die een jaar later het Nieuws- en Advertentieblad voor Ede en omstreken (later de Edesche Courant) uitgaf. De drukkerij startte in een perceel aan het Maandereind, verhuisde later naar de Telefoonweg en in de dertiger jaren naar de Stationsweg.
In 1917 deed W. Hazeleger met zijn expeditiebedrijf zijn intrede in Ede. Alleen begonnen, klein maar gedegen, bleek later toen het Hazeleger en Zn. werd en het bedrijf uitgroeide tot wat het nu is. Wijlen Bernard Bruil begon omstreeks dezelfde tijd een wegenbouwbedrijf, dat regelmatig werk bood aan grote groepen Edenaren. Zo laat een advertentie in de Edesche Courant van 1939 zien, hoe voor plusminus tien weken werk wordt aangeboden aan 150 grondwerkers en eenige timmerlieden .


Kunstzijde en koeken
De eerste fabriek, die niet alleen een afzetgebied buiten Edes grenzen had, maar over de hele wereld, werd in januari 1922 in bedrijf gesteld. De kunstzijdefabriek Enka zorgde ervoor, dat in Ede, dat tot aan dat jaartal bijna geen industrie had, nu de grootste fabriek van Gelderland stond. Deze is vanaf de eerste dag Ede's grootste werkgever en dat altijd gebleven.
Behalve de gunstige ligging van het fabrieksterrein ,zag de directie van het kunstzijdebedrijf ook wel iets in de lage levenstandaard op de Veluwe van dat moment, Wellicht konden hier goedkope arbeidskrachten aangetrokken worden.
Dat viel tegen, want er moesten vrijwel onmiddellijk arbeiders uit andere delen van het land komen,die met de zeer lage lonen geen genoegen namen en dus moet aan Edenaren hetzelfde worden betaald.
De plotselinge vraag naar arbeidskrachten en de door deze streek hoge lonen,deed tal van mensen uit de directe omgeving naar de fabriek stromen.
Deze hadden het soort werk dat hier van hen werd gevraagd nooit verricht. Landarbeiders,kleine boeren,kleine handelaartjes ,dochters van grote en kleine boeren vormden het eerste arbeidsleger. Dat echter kwantitatief,noch kwalitatief aan de behoefte voldeed. In de bloeitijd van de fabriek kwamen de arbeiders, meest vrouwen, uit de hele provincie en een deel van Utrecht.

In 1928 werkten bij de Enka 5200 mensen, waarvan 3200 vrouwen.
Veel arbeiders vestigden zich met hun gezinnen in Ede, waar de fabriek met een eigen woningbouwvereniging voor woningen zorgde. Een groot deel van de Enka-werknemers werd in de crisisjaren werkloos, toen de fabriek meer dan de
helft van het arbeidsbestand afstootte.

Een Ederveens bedrijf, dat ook groot is geworden dank zij de aanwezigheid van de Edese kazernes en na twintig jaar verhuisde naar Ede, is de Nobo banketbakkersfabriek.
In 1933 begon bakker Nolen in Ederveen zijn beschuit, koekjes en broodbakkerij. Aanvankelijk leverde hij uitsluitend rechtstreeks aan de consument, later ook aan bakkerijen. Een goeie uitvinding bleek de spritskoek te zijn: de militairen deden alsmaar grotere bestellingen hiervan. Deze handel in spritsen zorgde voor het nodige kapitaal om bakker Nolen samen met zijn zwager Bochoven in staat te stellen uit te breiden. Tot 1953 zetelde de fabriek in Ederveen, waarna ze verplaatst werd naar Ede.