De ijzerfabriek

Nog tot het einde van de vorige eeuw vond meer dan de helft van de Edese bevolking haar bestaan in de landbouw, hetzij als grote of kleinere boer dan wel als boerenarbeider. Daar naast waren er vanzelfsprekend ambachtmensen en zakenlieden, maar van industrie was nog geen sprake. Het boerenbedrijf was overigens voor de meeste lang geen vetpot; schrale grond met veelal een te kleine veestapel, waardoor de akkers niet voldoende bemest konden worden. Bovendien waren de boeren erg conservatief; zoals vader had gewerkt was het goed en dus nam de zoon zijn methodes over.


Toen de kunstmest opgang begon te maken, lachten de boeren om dit nieuwe produkt dat beter zou zijn dan de onvolprezen stalmest. Pas na lang aarzelen en nauwkeurig de resultaten te hebben bekeken van enkele vooruitstrevende die er wel mee begonnen ging men er toe over. Wel kwamen er, om de geringe opbrengst van de landbouwprodukten wat te compenseren, geleidelijk meer varkensfokkerijen, vooral toen in 1890 ene Elias Levi uit Amsterdam, zich in Ede vestigde.
Deze Levi werd ingeschreven als veehouder en vleeshandelaar, maar liet al gauw, in de omgeving van het station, dicht bij hotel " Welgelegen" een grote hal bouwen en begon een exportslachterij. Nu hadden de boeren een vast afzetgebied voor hun krulstaarten, al betaalde Elias beslist niet de maximale prijs.


Aanvankelijk liep de zaak zo goed, dat er weken waren waarin achthonderd tot duizend varkens weden geslacht, zonder de moderne hulpmiddelen van deze tijd, een enorme omzet.
In 1899 kwam een jonge electriciën K. F. Henneman, uit Den Haag naar Ede, met plannen om een constructiebedrijf op poten te zetten. De slachterij van Levi liep, na een aantal succesvolle jaren, minder goed en Henneman kocht de slachthal, compleet met grote spekkelders. Hier begon hij zijn bedrijf, bij de Edenaren al gauw bekend als "de ijzerfabriek".

In 1902 was de zaak, onder de naald N.V. Edese machinefabriek v. h. Henneman, al aardig van de grond. Tot de directeur werd benoemd de heer L. den Ouden, afkomstig uit Nieuw-Lekkerland. Genoemde heer Den Ouden heeft zich niet alleen voor het bedrijf verdienstelijk gemaakt, maar ook, in later jaren, veel plaatselijke belangen behartigd. Zo was hij o.m. directeur van de Veluwse Grondmij, voorzitter van "Handel en Industrie", medeoprichter van het zwembad aan de dr. Hartogsweg en bestuurslid van de Spaarbank voor Ede.


De Edese machinefabriek bezat een patent op het vervaardigen van koffiebranders. Deze werden in allerlei afmetingen vervaardigd, met inhoud van een half tot honderd en twintig kilo. Het grootste deel van de produktie werd geëxporteerd naar Frankrijk, waar een enorme vraag naar dergelijke apparaten bestond. Na de eerste wereldoorlog devalueerde de franc zo sterk dat de Edese koffiebranders de harde Hollandse guldens onbetaalbaar werden. Tevens probeerde men een afzetgebied in Italië te vinden, in 1920 werd aan Ferdinando Bounous in Milaan een enorme koffiebrander geleverd. Maar de Italianen waren link, zij bekeken het apparaat nauwkeurig en maakten die daarna zelf, zodat zij de Edese machinefabriek konden missen.
Het bedrijf was echter toen al niet meer van dergelijke opdrachten afhankelijk. inmiddels was een geheel nieuwe constructiehal in gebruik genomen en het machinepark met de nodige draaibanken, frais, boor en zaagmachines alsmede hijsmateriaal uitgebreid. In het oude gedeelte werd een staal en kopergieterij met modelmakerij ondergebracht, terwijl aan de Stationsweg een afzonderlijk gebouw voor kantoren en tekenkamers verrees.
Een unicum voor die tijd, als enige fabriek in de verre omgeving, alle machines werden door electriciteit gedreven, opgewekt in eigen bedrijf.


Grote orders kwamen binnen zoals diverse onderdelen voor papierfabriek van Gelder en Zn. te Renkum en wolkammachines voor Van Leeuwen in Veenendaal.
Het personeel breidde zich uit; reeds in 1910 werkten er ongeveer zeventig man, een aantal dat in de mobilisatiejaren tot rond honderd zou stijgen. Niet alleen Edenaren, maar uit de verre omgeving tot uit Scherpenzeel toe, kwamen zij elke morgen op de fiets aanzetten. De werktijden liepen met de klok rond, van 's morgen zeven tot 's avonds zeven uur, terwijl bovendien nog vaak moest worden overgewerkt.


Ook na de eerste wereldoorlog nog volop werk: het maken van onderdelen voor suiker en rubberfabrieken in het voormalig Ned. O. Indië en aan de gasfabriek ter plaatse. Een kleiner werkstuk staat nog altijd in het Park Paasberg: de jubileums lantaren als herinnering aan de vijfentwintig jarige regeringsperiode van H.M.koningin Wilhelmina in 1923. Bij de ingebruikneming verklaarde de spreker, onder ingehouden hilariteit, dat deze lantaren de tijden kon trotseren daar zij was opgebouwd uit ijzer en steen, twee prachtige metalen.
Zoals reeds gezegd, het bedrijf werd geleid door de heer C. den Ouden; in de constructieafdeling had de heer T. de Lange, eveneens afkomstig uit Nieuw-Lekkerland, de leiding. In de modelmakerij waar de benodigde mallen voor het gietwerk werden vervaardigd werkten o.a. de heren Hoogenboezem, Johan Rombout en v. Aggelen.
Deze modelmakers werkten niet met een duiimstok die honderd en één centimeter lang was, daar het ijzer altijd 1% kromp.


Op de tekenkamer werkten o.a. de heren Mes en Geels, terwijl aan het hoofd van de administratie de heer De Geus stond,bijgestaan door de heer Foeken, allemaal namen waarvan verschillende 'nog een bekende klank In Ede bezitten.
De verdiensten, waren naar maatstaven van die tijd en mede door de overuren, zee behoorlijk, hetgeen de werknemers door hun prestaties waardeerden al waren zij niet allemaal, zo serieus als de bankwerker Gerrit Bos uit Ede. Deze had eens een werktekening buiten op de slijpsteen laten liggen wat hem te binnen schoot toen het in de late avond begon te regenen. Hij bedacht zich geen moment, schoot in zijn klompen en liep, hij was de rijwielkunst niet machtig, in het hardstikke donker naar de fabriek om de tekening te redden.


Ook de nodige grappen werden uitgehaald; aan de buitenmuur van de fabriek, eigenlijk al in de tuin van het aangrenzende" Welgelegen", stonden twee knalpotten van gasmotoren, waaruit constant warme lucht stroomde. De kok van het hotel maakte daarvan wel gebruik door er grote pannen soep op te laten trekken, bestemd voor het avondeten. Vanuit een tuimelraam wisten een paar handige werknemers met behulp van een stukje ijzerdraad de gehaktballetjes er uit te vissen, tot verdriet van de gasten die zich beklaagden over de magere
soep.
Onder het personeel trof men veel jeugdige arbeiders; jongens, net van school, konden als leerling tegen een beloning van één cent per uur, beginnen. Al naar gelang prestatie volgde geleidelijk een verhoging van een cent per uur, tot jaren later, het volle loon werd bereikt.
Met die jongens werd niet kinderachtig omgesprongen; zij kregen een harde maar grondige opleiding hadden alleen maar te luisteren en moesten tegen een grapje kunnen.
Een nieuweling in de constructiewerkplaats werd steevast met een kruiwagen op uitgestuurd om in de gieterij een "leren leest" te halen. De mensen daar stapelden het voertuig vol met gietijzeren broden, zo zwaar geladen dat de broden en de kruiwagen amper baas kon. Bijna bezwijkend van inspanning bij zijn opdrachtgever gekomen, constateerde deze, "Och, ik heb me al gered, breng die rommel maar weer terug", waarop hij nogmaals de martelgang kon maken.

Tegen de tijd dat het fruit rijpte kregen de leefjongens opdracht voor de nodige appels en peren te zorgen. Zo ook de jeugdige Hendrik v. d. Bospoort die in het dorp woonde en met een paar kornuiten elke dag de lange weg naar de fabriek moest lopen. Daar een aframmeling stond te wachten als zij met lege handen aankwamen, was het noodzaak in dit jaargetijde de tuinen op de Bree, bij Kees Bremer aan het begin van het Zwarte Laantje of die van IJssel de Schepper af te stropen. Prachtig fruit leverde ook de tuin van dokter Van Leeuwen vooraan de Stationsweg.


Op een morgen, toen diens tuin op het programma stond, zagen zij, op een tuintafel, een aantal mooie appels, geplukt en we! klaar liggen. Zij propten hun zakken vol en deelden die bij de schaft van negen uur aan de oudere werknemers die het fruit smakelijk verorberden.
Nog geen half uur later evenwel verdrongen die elkaar voor de paar wc's die de fabriek rijk was, krimpend van de buikpijn. De linke dokter had al een paar maal, in de vroege ochtend, jongens in zijn tuin zien scharrelen en hen nu te grazen genomen. Hij had een aantal appels uitgezocht, die met een laxeermiddel ingespoten en voor het grijpen gelegd. Het resultaat bleek succesvol: voortaan werd de tuin van dokter v. Leeuwen gemeden.


Het begin van de crisisjaren was ook van invloed op .de Edese machinefabriek. Concurreren werd moeilijker mede doordat het eens zo moderne machinepark sterk verouderde; in 1933 werd het bedrijf opgeheven. De heer v. d. Berg, eigenaar van hotel "Welgelegen", kocht de grote constructiehal en richtte deze in, onder de naam "Apollohal" voor alle mogelijke festiviteiten. De ijzergieterij werd overgenomen door de heer Wolfs en heeft nog een aantal jaren gedraaid. Thans is de "Apollohal", het kantoorgebouwen ook hotel" Welgelegen" gesloopt en staat op de achtergrond alleen nog het aloude gebouw van de gieterij als herinnering aan het leven en bedrijvigheid die hier eens heerste.
H. J. Nijenhuis