Voor de vestiging van het garnizoen
1n 1906 telde de gemeente Ede nog geen tienduizend inwoners. De beroepsbevolking
kan op dat moment als volgt worden onderverdeeld: landbouw 46,8% ; nijverheid
20,5% ; handel en verkoop 9,5% en overige beroepen 23,2% .Ede was een uitgesproken
agrarische gemeente industrie was er hoegenaamd niet.
Rond deze tijd begon
de akkerbouw echter langzaam wat op de achtergrond te raken om plaats te maken
voor het kleinbedrijf met runderteelt pluimvee en vakenshouderijen.
De nijverheid
had tot 1920 een lokaal verzorgend karakter, de afzet was vrijwel uitsluitend
op de plaatselijke bevolking gericht. De vestiging van de kunstzijdefabriek Enka
in het begin van de twintiger jaren is voor de industrieële ontwikkeling
van Ede van doorslaggevende betekenis geweest.
Schoorvoetend volgden andere
bedrijven klein begonnen maar gestaag groeiend. In het begin van deze eeuw
kwam
ook het vreemdelingenverkeer in Ede en omgeving op gang. Het natuurschoon en de
rust trokken steeds meer rand stedelingen naar de Veluwe.
 
|