Men
kan nog wel eens uitvoerig praten over de goede oude tijd, maar deze heeft ongetwijfeld
ook zijn nadelen gekend. Zo blijft het voor mij een raadsel, hoe onze grootouders
de lange winteravonden doorbrachten. Zeker, ná de papklok van negen uur
was het voor de meeste mensen bedtijd geblazen, maar daar gingen tijdens de korte
dagen al uren van duisternis aan vooraf. Een walmende kaars of petroleumlamp gaf
moeder de vrouw nog wel gelegenheid een kous te stoppen of wat te breien, maar
voor de verdere huisgenoten bleef weinig licht over.
Het was dan ook een geweldige
vooruitgang toen, rond de eeuwwisseling elektriciteit en gas hun intrede deden.
De eerste gasfabrieken waren veelal in handen van particulieren die stad en land
afstroopten met concessie aanvragen. Onder deze mensen bevonden zich ook speculanten
die, zodra zij een vergunning hadden verworven, deze zo spoedig mogelijk weer
met een goede winst trachtten te verkopen.
Ook de gemeente Ede kreeg reeds
in 1902 dergelijke aanbiedingen maar ging daar alsnog niet op in. Toen echter
vast stond dat het ministerie van oorlog een garnizoen in Ede wilde vestigen,
ging men de zaak met andere ogen bekijken. Op 21 maart 1903 werden twee wijze
mannen aangewezen, de heren L. Tulp en mr. G. J. IJssel de Schepper die de mogelijkheden
zouden onderzoeken om een eigen gasfabriek te stichten. Hun rapport kwam nog datzelfde
jaar gereed en naar aanleiding daarvan besloot de raad op 13 mei 1904 over te
gaan tot het bouwen van een gasfabriek die in eigen beheer geëxploiteerd zou
worden, in tegenstelling dus met het waterleidingbedrijf, dat even later, 1 mei
1906 in gebruik werd genomen maar tot na de tweede wereldoorlog, om precies te
zijn tot 31 juli 1946, in handen van een particulier bleef.
De
bouw van de gasfabriek werd 6 juni 1904 opgedragen aan de firma C. Francke uit
Bremen die zo voortvarend te werk ging dat reeds 18 januari 1905 de zaak bedrijfsklaar
was. Na enige tijd proefdraaien werd op 8maart 1905 het eerste gas geleverd.
Men
had de plaats voor vestiging met zorg gekozen, ver buiten de bewoonde wereld,
aan het begin van de toenmalige Maanderheuvels en aan de in 1903 in gebruik genomen
spoorlijn Ede-Nijkerk, belangrijk voor de aanvoer van steenkool. De bouwkosten
vielen mee; f 14.000 voor de fabriek, en de bijbehorende fitterswoning werd voor
f 1979 gebouwd.
Voor de grootste hap zorgde de aanleg van het buizennet waar
rond f 50.000 in ging zitten en dat voor amper honderd en twintig aansluitingen.
De Edese bevolking was er nog niet direct weg van; gas stonk en was gevaarlijk;
de kranten vermelden af en toe ontploffingen en andere plaatsen; men keek liever
de kat uit de boom.
Gelukkig was men verzekerd van levering van gas aan de
kazernes die tot de elektrificatie in 1939 een goede klant zouden blijven.
Tot
eerste directeur werd benoemd de heer.Van der Hoeve uit Sliedrecht tegen een salaris
van f 258,98 per jaar. Hij kreeg vier man personeel onder zich, een fitter en
drie stokers. De heer Noorman, gemeente opzichter, werd tot administrateur :boekhouder
benoemd, ondanks het verzet van verschillende raadsleden, die meenden dat beide
functie's in één persoon niet verenigbaar waren.
Vooral de stokers
hadden geen gemakkelijke baan; men was begonnen met twee retortovens, die tien
jaar later al tot negen waren uitgebreid. Deze moesten continu branden, dus dag
en nacht geladen worden. De kolen werden met de schop naar binnen gegooid waarbij
een verzengende gloed, gecombineerd met een teer en gaslucht hen tegemoet kwam,
zodra de
ovendeur werd geopend. Daarbij moest de brandstof regelmatig verspreid
worden en de uitgebrande kolen verwijderd.
Pas in 1928 werden de kolen langs
mechanische weg in de ovens gebracht, hetgeen dit werk aanzienlijk lichter maakte.
Het gas dat de steenkoolontwikkelde, werd opgevangen, naar een gashouder gebracht
en vandaar via het buizennet afgevoerd. Na de destillatie bleef er cokes over,
een product dat weer aan particulieren en instellingen werd verkocht.
Vooral
in salamander kachels vormde deze cokes een prima brandstof, die een tijdlang
enorme hitte gaf om dan vrij plotseling te doven. Heel wat dorpelingen kon men
in die dagen met een kruiwagen naar de gasfabriek zien trekken. Men haalde op
het kantoor, tegen een luttel bedrag een bon, waarop de man bij de opslagplaats
twee en dertig kilo cokes verstrekte. De wagons steenkool kwamen aanvankelijk
bij station Ede dorp aan en werden vandaar door vrachtrijders, o.a. Sander Waayenberg
en Melissen, per stortkar naar de fabriek gereden.
Later kwam er een zijlijn
naar de fabriek en konden de wagens vlak bij het bedrijf worden gelost. Waar een
ieder al direct na de ingebruikname van de gasfabriek van profiteerde, was de
straatverlichting. Deze was tot nu toe maar povertjes geweest: aanvankelijk hier
en daar een olie pitje die in 1863 werden vervangen door petroleum lampen, die
echter vaak uitwaaiden of waar erger nog, kwajongens de brandstof uithaalden.
Nu verrezen op verschillende punten in het dorp gietijzeren lantaren palen met
een glazenkap waaruit en helder licht straalde.
Een nadeel was dat 's avonds
de spaarbrander met een lange stok waaraan een haak, geopend en in de morgenuren
gesloten moest worden, een baantje dat de nachtwacht voor zijn rekening nam. Deze
constateerde dan tevens welke lantarens het lieten afweten door een kapot kousje
of vernield glaswerk. Dat werd doorgegeven aan de fitter, belast met het onderhoud
en die kon de volgende morgen het euvel verhelpen. Regelmatig moesten ook de ruitjes
worden schoon gemaakt; een bekende man die dit werk jaren heeft verricht, was
de Koning, in de volmond"de lampenpoetser".
Geleidelijk won het gas
terein, zodat na tien jaar het aantal aansluitingen de vijftien honderd was genaderd.
De oorlog 1914-1918 bracht door stagnatie in de kolenaanvoer moeilijkheden, zo
zelfs dat in 1917 rantsoenering moest worden ingevoerd. Men moest zelfs overgaan
tot het gebruik van bruinkool en hout, hetgeen de gaskwaliteit niet ten goede
kwam.
Maar daarna ging het weer crescendo hetgeen gepaard ging met uitbreiding
van personeel en fabriek.
Door de jaren heen hebben heel
wat Edenaren met inzet van hun beste krachten hier gewerkt. Als herinnering aan
al die mensen willen wij één van hen voor het voetlicht halen, de
heer P. v.Kruistum, die in het bedrijf van laag naar hoog is opgeklommen.
Zijn
vader behoorde bij de eerste stokers van 1905 en nam zoonlief 15 november 1914,
dertien jaar oud, mee naar de fabriek. Daar werd hij hulpje van werkbaas Bleeker
wat hem, bij een werkdag die 's morgens om zeven uur begon en precies de klok
rond duurde, een gulden per week opleverde.
Na zijn leertijd werd Van Kruistum
lantarenfitter, waarbij het heel normaal was als in Lunteren of Bennekom, deze
dorpen waren resp. in 1905 en 1909 ook op het gasnet aangesloten, een nieuwe lantarenpaal
geplaatst moest worden, deze, met het nodige gereedschap, op een handkar vervoerd
werd.
Eveneens sneuvelden, door onbesuisd rijden van de veldartillerie meerdere
malen lantarenpalen die dan door Van Kruistum en zijn maat weer vervangen werden.
Later
bleef hij steeds op de fabriek voor onderhoudswerk, zo moest elke dag de inmiddels
in gebruik genomen kolenlift gesmeerd worden, hetgeen betekende telkens honderd
treden op en af; soms, als zich een defect voordeed, midden in de nacht.
Alle
rangen van zijn beroep heeft de heer Van Kruistum doorlopen, van eerste fitter
werd hij voorman om tenslotte als opzichter in 1966 met pensioen te gaan, nadat
op 15 november 1964 onder grote belangstelling zijn vijftig jarig jubileum bij
het gemeentelijk gasbedrijf was gevierd. Bij deze gelegenheid ontving hij uit
handen van burgemeester Platteel de zilveren medaille verbonden aan de Oranje
Nassauorde.
Begrijpelijk dat ook in de begin jaren het gas betaald moest worden;
bij grote afnemers werd eenmaal per maand de meterstand opgenomen en aan de hand
daarvan een kwitantie aangeboden, maar bij de gewone man stond veelal een muntmeter.
Deze bezaten veel voordelen; bij aansluiting werd ook de binnenleiding gratis
gelegd, terwijl tevens de nodige lampen en een gascomfoor werden bijgeleverd.
Daarvoor werd wel een cent per kubieke meter gas meer berekend, maar de gebruikte
energie was ook gelijk betaald.
Oorspronkelijk bevatte
de muntmeter twee gleuven, resp.voor een dubbeltje en twee-en- half centstuk.
Later werden deze vervangen door een gleuf waarin penningen met een omvang van
genoemd twee en half centstuk, waaruit een driehoekje was geponst, werden gegooid.
Deze penningen kostten acht, later tien cent per stuk en leverden één
kubieke meter gas.
Zij werden eens per maand door de meteropnemer opgehaald,
bij wie dan tevens nieuwe voorraad kon worden gekocht. Ook aan de gasfabriek en
bij de kruidenierswinkels waren deze penningen verkrijgbaar.
Een
heel bekende meteropnemer in de vooroorlogse jaren was L. Bos, vanwege zijn functie
door iedereen "Bart Bos, de gasmeter" genoemd. Hij werd 1juli 1912 als
zodanig aangesteld en was bijzonder populair in ons dorp.
Waar hij ook kwam,
rijk of arm, altijd was hij opgewekt en had de nodige grapjes bij de hand. Zijn
slotwoord na een meteropname was steevast: "Nou, mensen, overleg het".
De
tijden zijn veranderd; begin oktober 1959 werd de produktie van steenkoolgas beëindigd;
het aardgas deed zijn intrede waardoor het oorspronkelijk gemeentelijk gasbedrijf
tot een doorvoerstation degradeerde.
H. J. Nijenhuis