Edes grootste werkgever door de jaren heen.

Aan het begin van deze eeuw kende de kunstzijdefabriek "Enka" in Arnhem een grote bloeiende produktie kon voortdurend opgevoerd worden. Daarom werd uitgekeken naar een plaats voor een nieuwe vestiging. Dat werd het stukje heide ten zuid-oosten van Ede. De grond was er goedkoop, in dit zandgebied op de rand van de Veluwe kon men gemakkelijk water krijgen, en het lag gunstig, nabij de spoorlijn en de Wageningse haven.

Ook werd aanvankelijk als voordeel beschouwd de niet zo hoge levensstandaard in Ede. Dat viel tegen: voor een fabriek van dergelijke omvang waren in het dorp niet voldoende arbeidskrachten te vinden en moesten deze buiten het dorp gezocht worden. Aan degenen, die zich hier vestigden, moest meer loon betaald worden en dientengevolge ook aan de Edese arbeiders.

Voordat in januari 1922 het bedrijf kunstzijde (het "rayon textielgaren") ging vervaardigen, werd in 1929, al spoedig na de aanvang van de bouw, Enka's woningbouwvereniging " Vooruit" opgericht. In 1921 waren er al bijna 160 woningen gereed. Dat zijn er in de jaren die volgden ruim 350 geworden en de vereniging verhuurde ze aan werknemers van de fabriek. Alle woningen werden gebouwd in Ede- Zuid tussen wat nu de Blokkenweg en het Nijverheidsplein. Veel straatnamen herinneren aan de kunstzijdefabriek: Poortlaan, Nijverheidslaan, Twijnstraat, Industrielaan. Ook kocht de fabriek al bestaande woningen op, onder andere aan de Berkenlaan en de Willem Witsenlaan. Het bestand van "Vooruit" ging enkele jaren geleden over in handen van andere Edese woning bouwverenigingen .


Arbeidskrachten
Het aantal arbeidskrachten van de Enka heeft men in de afgelopen zestig jaar alleen maar zien verminderen In 1985 werkten er nog 1400 mensen ,terwijl in het piekjaar 1928 meer dan5200 personen iedere dag de poort binnen gingen . Het grootste deel daarvan, 3200, waren trouwen en meisjes.
Het liefst had de fabriek meisjes uit de omtrek, maar die waren er niet voldoende. Het werd steeds moeilijker om de nodige arbeidsters te krijgen; in de beste tijd van de onderneming werden ze wel uit 120 dorpen en steden aangevoerd: met treinen uit Nijmegen en Utrecht en met bussen van de Veluwe en uit de Betuwe.
Hierna werd geprobeerd groepen meisjes te krijgen, die in een soort internaat werden ondergebracht. Maar dat tehuis werd opgeheven, toen bleek dat de meisjes ongewenste verhoudingen gingen aanknopen met de militairen uit de kazernes inde buurt. Het werd nog eens geprobeerd met vijftig Limburgse meisjes, die bij nonnen in huis kwamen. De strenge controle waar de dames toen aan onderworpen werden (zo mochten ze alleen onder toezicht van een non wandelen) beviel ze niet en velen vertrokken weer. Uiteindelijk lukte het wel met Duitse meisjes in de inrichting, zij waren gezeglijker.

Gelderse boertjes
Wat de mannelijke krachten betrof: voor het ongeschoolde werk kreeg men veel arbeiders uit de totale omgeving. Deze mannen deden het fabriekswerk dikwijls "erbij". Een directeur van de fabriek heeft in die tijd eens gezegd. Het zijn geen aantal fabrieksarbeiders, die Gelderse boertjes. Ze werken acht uur op de fabriek, dan bij wijze van spreken nog eens acht uur thuis en ze slapen acht uur.
Vakarbeiders als machinebankwerkers, elektriciens en opzichthoudend personeel ontbraken praktisch in het dorp. Deze mensen werden aangetrokken uit andere plaatsen in het land en ze vonden met hun gezin onderdak in een Enka-woning.

In het jaar van het 50 jarig bestaan van AKU/Enka kwamen de eerste Italiaanse medewerkers naar Ede. Zij werden ondergebracht in
het Casa Erica aan de Notaris Fischerstraat. Twee jaar later volgden de Spanjaarden. Nu nog zijn er ruim vijfhonderd buitenlanders op een totale bezetting van veertienhonderd. Later bleek de Casa overbodig te worden: veel van de bewoners vestigden zich elders in Ede en een aantal vertrok naar de Casa in Arnhem

Cultuur.
In 1921 kocht de Enka de villa de Reehorst aan om de ongehuwden onder het personeel s'avonds enige verstrooiing te bieden Toen al werden de eerste bioscoopvoorstellingen in de Reehorst gegeven. Tien jaar later liet de fabriek op dezelfde plaats een nieuw gebouw neerzetten,met bioscoop,toneel en concertzaal,die plaats bood aan 600 personen. Het grootste uitgaanscentrum in de wijde omgeving.

Weer een jaar later werd de Enka Harmonie opgericht,deze is inmiddels ter ziele,maar Emka's mannenkoor zingt nog steeds en dat sinds 1925. In 1932 zorgde de Enka mede voor de komst van een openluchtzwembad.
Door wat notabelen uit de gemeente Ede werd een stichting opgericht,die door middel van uitgifte aandelen kans zag een zwembad te bouwen . Enka verhuurde een stuk grond,dat grensde aan het fabrieksterrein en het zwembad kreeg iedere dag schoon warm water van de fabriek. Toen het zwembad uitgebreid werd, verkocht de Enka de grond aan de stichting. In 1977 kocht de gemeente het zwembad en doopte het "Enkabad"

Er werd dus op allerlei manieren voor het personeel gezorgd. Maar ook werd er voor gezorgd ,dat de werknemers aan de fabriek gebonden waren. In zijn boek Boeren en fabrieksarbeiders beschrijft H.J.van Eck hoe er bijvoorbeeld pressie uitgeoefend werd op de arbeiders om hun dochters naar de fabriek te sturen. Er bestond de plicht om de geboorte van een kind behalve bij de burgelijke stand ook op het kantoor van de Enka aan te geven,zodat er vast rekening met dat kind gehouden werd .In het bedrijf heerste een verbod over politiek en vakbonden te spreken en de personeelschef verscheen op vergaderingen van fabrieksarbeiders om de namen van de aanwezigen te noteren.


Welvaart
De geschiedenis van de fabriek kent twee stakingen, in het begin van de dertiger jaren brak een wilde staking uit onder de spinners. Deze was niet van lange duur en had tot gevolg dat de directie, die tot dan toe nogal afwijzend tegenover vakverenigingen stond, deze laatste uiteindelijk erkende. Van het mannelijk personeel raakte ongeveer 50 procent georganiseerd; van de vrouwen maar een klein gedeelte. De fabriekscommissie werd opgericht en in 1959 werd de eerste ondernemingsraad geïnstalleerd. De tweede staking was in 1927, toen de Spaanse arbeiders het werk neerlegden.
De eerste cao voor het personeel in uurloon deed in 1932 haar intrede. Het jaarinkomen van een spinner in vol continuedienst bedroeg in dat jaar 1350 gulden, in 1982 was dat 44.000 gulden. Het gemiddeld aantal vakantiedagen per jaar was voor een Enka-medewerker in 1932 zesentwintig. Per jaar werkte de arbeider in de dertiger jaren 2400 dagen en in 1982 waren dat er 600 minder .
Momenteel wordt er in de fabriek geen 40 uur per week meer gewerkt.
In de drie-ploegendienst en de dagdienst. werken ze nog 38 en in de continuedienst nog 36 uur per week. " Wat je overal ziet, is hier ook het geval", zegt de huidige directeur ir. J. Visser hierover: Ondanks meer vrije tijd is toch het ziekteverzuim steeds gestegen. Welvaartsziekten.


Ooit was Enka de trotse bezitter van de grootste busonderneming in Nederland. Deze opereerde onder de welluidende naam "Eva". Wellicht vanwege het grote aantal vrouwen, dat dagelijks naar de fabriek gehaald werd? Tot op de dag van vandaag rijdt er nog een busdienst
op de Betuwe. Voor de dag en ploegendienst rijden er ook nog bussen van en naar Apeldoorn, Harderderwijk en Arnhem.


De produktie
Vanuit de grondstof cellulose wordt via allerlei bewerkingen het ryontextielgaren vervaardigd. Na dat het kunstzijden draad uit de spinmachine komt, wordt het gewassen, gezuiverd en geconed. ( opspoel gedraaid). Van het garen wordt zeker 95% geëxporteerd.
In het beginjaar werd 230 ton garen geproduceerd. Deze hoeveelheid groeide, tot in 1928 ruim 3000 ton gemaakt werd. En is blijven groeien tot vier maal zo veel in 1984. "Ondanks de enorme terugloop van arbeidsplaatsen is de produktie nooit verminderd", zegt directeur Visser. "Er is slechts in één jaar sprake van een produktievermindering en dat was in 1975, een jaar na de oliecrisis. Door uitgebreide moderniseringen, verfijningen aan machines, enzovoort, waren er steeds minder mensenhanden nodig".
In het begin van de jaren dertig werd het produktieproces drastisch gewijzigd. Van een strengenbleek werd overgegaan op de persbleek

Er werd eerst met zure spinspoelen gehaspeld tot strengen. Als streng werd het garen gewassen en gebleekt. Na de invoering van de persbleek werd het garen geconed, voor die tijd werd het als streng afgeleverd. "Deze overgang betekende de redding van de fabriek in de crisisjaren, er kon daarna veel efficiënter geproduceerd worden", aldus Visser.
In de oorlogsjaren draaide de fabriek gewoon door. In 1942 werd ook begonnen met de produktie van melkwol; dit bleek echter een fiasco te zijn. Na het grote bombardement in september '44 een deel van de gebouwen werd weggeslagen moest de fabriek stopgezet worden.
Een jaar later werd de produktie weer hervat en werd meteen aan de herbouw van het beschadigde deel begonnen.

Sponzen
Twee jaar na de oorlog herdacht Enka haar 25-jarig bestaan. Door de burgerij werd een vijver met fontein aangeboden. Het personeel schonk de twee lantaarns, die bij de ingang staan. In dit jubileumjaar opnieuw een uitbreiding: als tweede produkt ging Enka sponzen vervaardigen. In die eerste jaren werd van het sponzendeeg nog met de hand een spons gevormd om deze maar zo veel mogelijk op een natuurspons te laten lijken. Hiervoor werden speciaal bakkers aangetrokken uit de omgeving, omdat deze mensen ervaring hadden in het vormgeven van deeg .Visser: De sponzenfabriek is onze kleinste fabriek. Zij bestrijkt ongeveer tien procent van de totale arbeid in het bedrijf. Voor de omzet geldt hetzelfde. We zijn in Nederland de enige, die sponzen en sponsdoekjes maken. Die sponsdoekjes dateren van 1962. Voor dit produkt is dezelfde grondstof nodig als voor het rayon-textielgaren, namelijk cellulose. Tot na de oorlog gebruikte iedereen
natuursponzen. Er was een grote deviezenschaarste op dat moment en na samenspraak met de regering concludeerde Enka, dat er voor namaaksponzen, die veel goedkoper zijn dan de natuurlijke, een markt was. Ook voor de sponzen geldt dat de export het belangrijkst is, ongeveer 80 procent.


In 1972 ging de fabriek over van olie op aardgas. Vier jaar later werd de rayontextielfabriek in Arnhem gesloten; 250 van degenen die daar ontslagen werden, vonden een plaats in de Edese vestiging. In datzelfde jaar liep de fabriek nog eens grote schade op (vijf miljoen gulden)
aan gebouwen, door de gasexplosie bij het Negam-station. De ontplofte tank kwam op het grasveld voor de fabriek terecht.
Begin 1980 werd het volkomen vernieuwde chemische bedrijf in gebruik genomen, waarop weer een besparing op personeel volgde. De produktie werd hoger dan ooit. De herstructuering binnen de Enka, waar toen een begin mee werd gemaakt, heeft voor Ede geen gevolgen gehad. Alleen met het aannamebeleid is men voorzichter geworden. Het kostte echter geen arbeidsplaatsen.


Inmiddels blijft Enka bezig om te zien, waar nog moderniseringen toegepast kunnen worden, en ziet met optimisme de toekomst tegemoet. De laatste jaren hebben veel concurrenten de poorten gesloten, waardoor de machtspositie van het Edese bedrijf alleen maar sterker is geworden. Bij het zestigjarig jubileun drie jaar geleden sprak directeur Visser niet voor niets de gevleugelde woorden: Je kunt ons onder de laatste der Mohikanen rekenen.