In
het leven van het echtpaar Koudijs-Looijen neemt de Enka,of ze willen of niet,
wel een heel belangrijke plaats in. Hij, M. Koudijs, 73 jaar jaar oud, sloot acht
jaar geleden voor 't laatst de Enkapoort achter zich in de wetenschap dat hij
er op dat moment precies vijftig jaar gewerkt had.
De eerste in de Edese fabriek,
die zijn gouden jubileum vierde. Zij, A. Koudijs-Looijen, is even oud als haar
echtgenoot en werkte van 1927 tot 1937 bij de Enka. Daarbij komt dan nog dat
er sprake is van een "Enka-huwelijk" : man en vrouw ontmoetten elkaar
in de twijnerij van de fabriek, kregen verkering en trouwden een half jaar
later. Dat laatste is over twee jaar vijftig jaar geleden.
Hard gewerkt
hebben ze hun hele leven. Zij: Ik ben eerder bij de Enka begonnen dan mijn
man. Ik woonde al in Ede. 't Was 1926.
Meisjes mochten met veertien jaar gaan
werken, ook in twee ploegendienst, en jongens moesten wachten tot ze vijftien
waren.
Toen we ruim tien jaar later trouwden, moest ik weg. Getrouwde vrouwen
mochten niet blijven.
Hij, Toen ik op mijn vijftiende als Ederveense
jongen bij de Enka begon, had ik al drie jaar gewerkt. Op mijn twaalfde van school
gekomen, kwam de buurman naar mij ii moeder toe en zei : "Dat jong kan ik
best gebruiken dennetjes poten op de Ginkel".
Dat deed ik twaalf uur per
dag, als kind van twaalf. Daarna werd ik verhuurd als een soort schaapherder bij
boerderij De Mossel.
Mijn oom, die al bij de Enka werkte, vond dat ik het daar
eens moest proberen, toen ik oud genoeg was. 'k Weet nog, dat mijn
moeder toen
zei: "Ach, het is nog maar zo'n jochie". Maar wat was dat een verlichting.
Het was veel lichter werk dan bij de boer, ik wist niet wat me overkwam.
Te
laat
Evengoed moest ik 's morgens om vijf uur op de fiets zitten
als ik in de eerste ploeg zat. Zes gulden en achttien centen verdiende ik per
week en daar kwam dan nog premie bij, als je flink werkte. Van flink werken hield
ik wel, tot aan de laatste dag. Het geld dat je verdiende gaf je aan je ouders,
zo ging dat toen.
Nog kerngezond zit hij daar. In mijn zondagse pak met op
de linker rever de gouden Enkaspeld (voor hem twee briljantjes, één
voor
veertig jaar en één voor vijftig jaar) met daaronder de eremedaille
verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau in zilver
(bij veertig jaar brons,
bij vijftig jaar zilver).
Ik heb het daar op de fabriek prima naar de zin
gehad. De eerste twee jaar twijnde ik, net als mijn vrouw. Daarna stopte ik met
de twee ploegendienst en ben ik voor het schoonhouden van de machines gaan zorgen
en weer later werd ik
onderdelencontroleur. Altijd op de twijnerij gebleven.
Ik kon tussentijds wel veranderen, er zogezegd beter op worden, maar ik ben gebleven
waar ik was. 'k Was daar toch als kleine jongen begonnen en van mezelf ben ik
niet zo voor veranderen.
In die vijftig jaar is Koudijs één
keer ziek geweest. Vier maanden lang, maar daar is het bij gebleven. En hij is
één keer te laat gekomen. Maar die ene keer, die telde eigenlijk
niet, vindt hij nu nog. Het was in het begin, ik was vijftien jaar. Een
hele strenge winter hadden we toen en toen ik om vijf uur op mijn fiets stapte,
bleek het spiegelglad te zijn. Samen met mijn Enka-oom heb ik toen met de fiets
aan de hand van Ederveen naar Ede gelopen. Om kwart voor zeven kwamen we aan.
De drie kwartier werden gewoon doorbetaald hoor. Maar we gingen toch maar,
kom daar nu maar eens om.
Zondagsarbeid
"De allerbesten zijn
bij de Enka blijven lopen. Ik heb hem met de vele ontslagen in de 30-er jaren
wel geknepen hoor. Ze kunnen mij ook nemen, dacht ik dan. Toen ik bij mijn veertigjarig
jubileum bij de president-directeur in Arnhem moest komen, zei die: "De beste
krachten hebben de jaren 30 overleefd".
Van familieleden herinner
ik me die ontslag ellende maar al te goed: je moest op het kantoor komen, kreeg
je laatste loon en je rentekaart mee en dan kon je in de steun.
In '37
zijn wij getrouwd en aan de Bettekamp gaan wonen. In een nieuw huis. (Zijn vrouw:
"Je kon toen nog zomaar een huis uitzoeken") We kregen daar vier kinderen
en hebben nu ook nog negen kleinkinderen.
Achttien jaar geleden moesten we
uit de woning aan de Bettekamp en heeft de fabriek gezorgd voor deze. De eigenaar
ervan is het Enka pensioenfonds en gepensioneerden zoals wij mogen er zo lang
we willen in blijven wonen. Daar zijn we wel gelukkig mee.
Koudijs heeft heel
wat veranderingen meegemaakt op de fabriek. Hij maakte mee, hoe het personeelbestand
afnam .
Van 5200 in 1928 tot 1350 in het jaar van zijn afscheid. Hij maakte
de intrede van de zondagsarbeid op de fabriek mee.
Ik hoefde het gelukkig niet,
maar als het moet, dan moet het. Er is verschil tussen noodzakelijke en niet noodzakelijke
arbeid zeg ik altijd maar. In een ziekenhuis kan ook 's zondags het werk niet
stopgezet worden. Bij ons op de fabriek bederven dan grondstoffen.
Het kan
gewoon niet. Na de oorlog heeft de directie eens de fabriek een week gesloten
zodat alle werknemers tegelijk vakantie konden hebben en dat is een grote strop
geworden.
Snipperdag
Over die vakantie gesproken. Toen mijn vrouw
en ik er begonnen, kregen we drie dagen per jaar. Met behoud van geld ,wij gelukkig.
Dat is dus wel een beetje anders geworden. Hoe ik trouwens op de dag af die vijftig
jaar heb vol gemaakt, dat is een verhaal apart. Ik was op 2 november 1927 begonnen.
En besloot dan ook tot 2 november 1977 te werken. Maar dat mocht niet. Het hield
gewoon eind oktober op. Ik heb toen in die laatste week een snipperdag genomen,
om de 1ste november nog te kunnen werken. Toen had ik mijn zin.
Zijn verdiensten
bij de Enka lagen niet alleen op de twijnerij. Koudijs was al vroeg lid van de
fabriekscommissie, later werd dat de ondernemingsraad en zette hij dat werk daarin
voort. Na de oorlog werd op de fabriek een zogenaamde waarderingscommissie ingesteld.
Daarin nam hij ook plaats en zijn werk bestond uit het geven van punten aan werknemers.
Punten voor hun prestaties en voor de manier waarop ze met collega's om gingen.
Toch een beetje hoofdschuddend vertelt hij over dat laatste.Het diende als
extra stimulans. Hoe meer punten, hoe meer geld.

 
|