
Tegen
het einde van de vorige eeuw waren er in onze omgeving maar weinig boeren met
een grote veestapel. Uitzonderingen vormden o.a. Maas Hoolboom, onder de Klomp,
Wouter v. Engelenhoven, uit de Doesburgerbuurt en de gebrs. Jochemsen, in 't Broek,
om even een paar heel oude familienamen op te halen. Wat overbleef van de melkopbrengst,
na aftrek voor eigen gebruik en de bereiding van boter, werd verkocht aan
de slijters. De boter ging in kluiten naar de winkeliers in het dorp of werd,
tegelijk met de eieren, naar de markt onder de boeren gebracht. Door de invoering
van de kunstmest, waar de boeren aanvankelijk huiverig tegenover stonden, werd
de grasopbrengst veel ruimer, waardoor meer melkvee kon worden gehouden en
de melkproduktie steeg. Om deze grotere aanvoer te verwerken, verrezen overal
in ons land zuivelfabrieken, zo ook in Ede, zij bet voorlopig als particulier
bedrijf .
In 1887 kocht de heer J. P. Knuttel van de buurt Ede -Veldhuizen
aan de spoorlijn Ede- Nijkerk ruim elf ha grond om daar in 1890 een boter
en kaasfabriek bouwen. De fam. Knuttel was destijds heel bekend in Ede.
Peter
Knuttel, geboren 12 mei 1819 te Amsterdam, vestigde zich met zijn gezin op 15
januari 1863,
uit Batavia gekomen, in Ede op de villa "Stompekamp".
Het echtpaar kreeg zeven kinderen, waarvan een zoon, Johannes Philippus, econoom
werd. Deze Johannes kocht, na zijn studie voltooid te hebben de aloude huize "Harscamp"
te Harskamp, liet het bouwvallige gebouw grondig opknappen en ging er na zijn
huwelijk wonen. Het jonge paar werd op 24 juni 1890 door de Harkampers op
feestelijke wijze ingehaald. Het blad "De Neder Veluwe" van 26 juni,
dus twee dagen , later, gaf een uitvoerig verslag van de gebeurtenissen. Vrijwel
van elk huis wapperde de driekleur, erebogen waren opgericht en de gehele bevolking
was op de been. Aan de grens van het dorp werd het jonge paar opgewacht en onder
vrolijke klanken van en muziekkorps uit Barneveld,trok men in optocht naar de
boerderij.
Ondanks zijn studie als ondergrond en een voorafgaand bezoek
aan zuivelfabrieken in Friesland werd het bedrijf van J.P.Knuttel geen succes.
De boeren waren in het begin niet zo happig om melk aan de "boterfabriek
"de naam die zij er aan gaven te leveren.
Zij redeneerden heel simpel, in
de fabriek staan dure machines ,de mensen die er werken moeten betaald worden,hoe
kan daar nu winst in zitten als thuis de boerin het boter maken voor noppes deed.
Ook stonden er bij de fabriek heren aan het hoofd,wat hadden die nou voor verstand
van boerenwerk.
Tot overmaat van ramp ,juist toen de zaak op dreef kwam,brak
er in Engeland het voornaamste afzetgebied ,een crisis uit,waardoor de boterprijs
tot een minimum daalde en men kaas maken in het geheel niet toekwam. Eén
en ander had tot gevolg dat de boeren hooguit drie cent per liter melk kon
worden betaald.
In 1901 trok de heer Knuttel zich wegens ziekte uit de zaken terug
en vertrok naar Maurik.
Toch waren enige vooruitstrevende boeren door de afgelopen
jaren totde overtuiging gekomen dat er,mits op coöperatieve grondslag, brood
in het bedrijf zat.
Zij namen, financieel gesteund door de heren Wilbrink,
R. Dinger en mr .A. C. A. Tielkemeyer, voor een billijke prijs de zaak over en
zo werd in 1901 de Coöp. Stoomzuivelfabriek Ede een feit. Inmiddels was in
1890 te Wageningen de NV Stoomzuivelfabriek "De Hoop" tot stand gekomen
dank zij de geldelijke steun van de heer W. A. Insinger. De twee kleine fabrieken,
betrekkelijk dicht bij elkaar gelegen, werden concurrenten hetgeen voor beiden
geenszins bevorderlijk bleek.
In een toevallige ontmoeting van de twee
financiële steunpilaren, de heren Insinger en Wilbrink, werd een eventuele
fusie besproken. Dat lukte wonderwel. Op 1 maart 1903 werd de akte van oprichting
van de Coöp. ver. Stoomzuivelfabriek "Concordia" Wageningen
-Ede voor notaris Dinger te Lunteren gepasseerd, waarna op 1 mei d.a.v. met de
produktie werd begonnen.
Wij bepalen ons verder alleen tot de fabriek te Ede
en dan hooguit de eerste kwart eeuw. Als eerste bestuursleden staan o.m. vermeld
de heren W. v. Engelenhoven, voorz.; E. Jochemsen, ondervoorz.; en J Westerman,
secr. penningm.
In de raad van toezicht hadden o.a. zitting W. A. Insinger
en G. J. Wilbrink. Het aantal leden dat tot de coöperatie toetrad was niet
overweldigend; in het oprichtingjaar waren het er honderdzesennegentig. Om melk
te kunnen verwerken, moest deze eerst worden aangevoerd hetgeen de zgn. melkrijders
voor hun rekening namen.
Het rayon werd in verschillende grote wijken verdeeld,
zoals Maanderbuurt, Doesburgerbuurt, Wekerom en Harskamp enz. Dit melk rijden
van boerderij naar fabriek werd telkens voor een jaar aanbesteed. Meestal waren
het kleine boeren, die als welkome bijverdienste voor dit werk inschreven.
Een
melkrijder moest zelf een paard bezitten; de wagen werd door de fabriek beschikbaar
gesteld. Overigens was het niet zo'n gemakkelijk baantje; in alle vroegte trok
de man met paard en wagen er op uit, om bij de verschillende boeren van zijn rit
de volle bussen op te laden. Het was zaak zo vroeg mogelijk aan de fabriek te
zijn, want ook hier gold: wie het eerst komt, het eerst maalt. De melkrijder
moest zelf de bussen lossen, naar de weegschaal brengen en uitstorten in een grote
bak. Daarna werden de bussen gedeeltelijk gevuld met ondermelk, die weer dienst
deed als veevoer en op de terugweg weer bij de boeren werd afgeleverd. Geen wonder
dat de melkrijders er vaak een wedstrijd van maakten wie het eerste kon lossen,
want wachten duurt altijd lang. Bovendien werd op zaterdag twee maal gereden,
daar de melk bij de boeren niet tot maandag kon blijven staan, zodat het die avond
een latertje werd.
In de beginjaren probeerden sommige boeren slim te
zijn door ook geitenmelk, voor de consumptie minder gewaardeerd, in de bussen
te doen. Maar zij hadden buiten de waard, d. w .z. het laboratorium gerekend,
dat zulke foefjes gauw door had. Vanuit de stortbak werd de melk opgezogen naar
een centrifuge, ook wel melkontromer genaamd. Het benodigde deel voor consumptiemelk
werd op een bepaald vetgehalte gebracht, gesteriliseerd en afgevoerd. Van de rest
werd de room afgehaald, zodat tenslotte ondermelk. overbleef. De room werd naar
boven in een bak gepompt, aangezuurd en bleef tot de volgende dag staan.
Vervolgens
werd de massa gekarnd en ontstond roomboter, waarna het overgebleven vocht karnemelk
werd afgevoerd. De boter werd in kisten naar Wageningen gevoerd, waar men
er op was ingericht om het produkt in halve ponden te verpakken. De fabriek had
twee melkboeren in dienst, v. d. Meyden en J. Teunissen die hun klanten uitsluitend
"Concordia"waren verkochten.
Geleidelijk begonnen evenwel meer Edese
melkboeren, die tot dusver hun melk direkt van de boeren betrokken, de weg naar
de fabriek te vinden.

Vanaf de oprichting heeft men steeds voldoende personeel kunnen aantrekken, hoewel
het in de twintiger jaren een komen en gaan werd. Het was aanpakken bij "Concordia",
bij een niet al te hoog loon, zestien tot achttien gulden per week. Vooral in
de winterdag was werken daar een koude bedoening; tijdens het lossen van de me1kwagen
stonden alle deuren wagenwijd open. De handen, hoewel beschermd door handmoffen,
bleven bij strenge vorst bijkans aan de bussen vast zitten, terwijl de manchesterbroek
vaak stijf bevroren was. Geen wonder dat toen de ENKA eenmaal draaide, verschillende
mannen "Concordia" voorgezien hielden en naar de "kunstzij"
trokken, waar met minder inspanning meer werd verdiend.
Als chef-bedrijfsleider
was op 1 augustus 1908 de heer M. Middelveld aangesteld, die tijdens zijn beheer
de fabriek tot grote bloei heeft gebracht. Hij was een streng maar rechtvaardig
man, een goed organisator, hield zich op de hoog te van de omstandigheden van
alle werknemers en verstrekte, zo nodig, alle mogelijke hulp. Hoewel van vakantie
in het vrije bedrijf
toen nog geen sprake was, gaf hij elke arbeider recht
op zes vrije dagen per jaar , mits geen twee of meer aaneengesloten en minstens
een week van tevoren aanvragen.
 |
Ook
dan zelfs was men nog niet zeker van zo'n dag, hetgeen de heer M. Pol, een oudgediende
van
"Concordia" met wie ik een babbeltje maakte, heeft ondervonden.
Deze
had eens een vrije dag genomen, stond juist gereed om er met zijn vrouw op uit
te trekken, toen chef Middelveld aan kwam draven. "Ha, jij bent gelukkig
nog niet weg. Direkt naar de fabriek, er heeft zich iemand ziek gemeld. |
Het
krappe personeelsbestand kon geen twee man op één dag missen; Pol
kon zijn zondagse pak uittrekken om in zijn werkkloffie naar de fabriek te gaan.
Dat de fabriek bloeide, bleek wel in 1928, toen ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig
bestaan een jubileumboekje werd uitgegeven, waarin staat, dat het aantal leden
tot 1642 was gestegen en er ongeveer zestig mensen werk vonden.
.Dit waren
zo maar wat losse notities van het vooroorlogse "Concordia", een bedrijf
dat thans onder de naam "Coberco" deel uit maakt van een concern dat
vrijwel de gehele Veluwe en Achterhoek bestrijkt. De Concordialaan en Knuttelweg
herinneren nog aan het verleden, de laan van prachtige zware bomen die langs de
fabriek naar de Doolhoflaan liep, is helaas verdwenen om plaats te maken voor
bestrating waarover nu, de tankwagens aan en af rijden naar het uitgebreide fabriekscomplex.
H.J.
Nijenhuis
 
|