Vakantie

Toen mijn generatie zo in het midden van de jaren twintig de lagere school verliet, konden de jongens,
die in het vrije bedrijf terecht kwamen, het woord vakantie voortaan wel vergeten. Het betekende in het
vervolg werken van maandagmorgen tot zaterdagmiddag een uur, het gehele jaar door met slechts de christelijke feestdagen en soms koninginnendag afhankelijk van de politieke instelling van de baas als enige lichtpuntjes.

Nog goed liggen in mijn herinneringen de eerste bouwvakantiedagen waar ik in 1935 mee te maken
kreeg. Na heel wat onderhandelen en discussiëren, waarbij een ingewikkeld systeem van vakantiebonnen was ingevoerd, kregen we in augustus van dat jaar een halve week vakantie. Overigens was dat nog
royaal uitgedrukt, want in feite Waren het de donderdag, vrijdag en zaterdagochtend.

Het maakte op ons een onvergetelijke indruk. Zo maar drie dagen vrij en dat nog wel met behoud van
loon. Het kon niet op. Een kinderhand was gauw gevuld toen. Geleidelijk kwamen er verbeteringen tot
stand, maar pas na de Tweede Wereldoorlog begonnen vakanties, ook al bedroegen zij in het bedrijfsleven
slechts nog maar een week, gemeengoed te worden.

Toch waren er ook toen nog wel mensen, vooral kleine zelfstandigen, die totaal geen behoefte hadden er een weekje op uit te trekken of simpelweg rust te nemen, hetgeen uit het volgende blijkt.

In 1954 telde onze gemeente drie en twintig erkende groenteboeren en het overgrote deel van hen achtte
de tijd rijp om tot een vakantieregeling te komen. Zij staken de koppen bij elkaar en besloten in de maand
september als de zomerdrukte achter de rug was, zij het in twee groepen, hun zaken een week te sluiten.
Maar toen puntje bij paaltje kwam, lieten vier deelnemers het afweten en trokken zich terug.

De overige negentien, beducht voor oneerlijke concurrentie, verzochten nu de gemeenteraad door
middel van een gemeenteverordening een verplichte vakantiesluiting vast te stellen. Het adres werd tijdens de raadsvergadering van 19 juli 1954 behandeld en vond als gewoonlijk voor en tegenstanders. De
heer Van Prooyen bijvoorbeeld toonde zich vierkant tegen gemeentelijk ingrijpen: "Zakenlieden zijn
aan zoveel bepalingen en voorschriften gebonden. Laat ze alsjeblieft zelf mogen bepalen of ze al of
niet met vakantie mogen gaan" .

Verscheidene sprekers waren het hiermee eens, maar wethouder Jansen hield er een andere mening op
na. Hij stelde vast, dat de overgrote meerderheid van deze zakenlieden voor een regeling voelden en de vier tegenstanders zich daarbij op democratische gronden moesten neerleggen.

Bovendien is de maand september uitstekend gekozen , aldus Jansen. "Zelfs kan men nog rekenen op
mooi nazomerweer. Ook met de slagers is enkele jaren geleden een dergelijke overeenkomst getroffen,
die uitstekend werkt". Het debat bleef nog enige tijd doorgaan tot de heer Van Veen met een compromis
kwam: "Laten we deze vakantieregeling voor één jaar vaststellen en volgend jaar de zaak, mede gezien
de ervaringen, opnieuw bekijken".
Zijn idee vond instemming en werd met zestien tegen tien stemmen aangenomen. Het merendeel
van onze groenteboeren ging in 1954 voor het eerst met vakantie.


Thans zijn we zover, dat mensen, die het zich kunnen permitteren meer dan één keer per jaar er op uit
trekken, maar of het hen de zelfde voldoening geeft, die wij met die eerste drie dagen ondervonden, valt
te betwijfelen.