Vijf bescheiden huizen aan de Telefoonweg

Nog niet zo gek lang geleden stonden op de plaats waar zich nu twee bankgebouwen en de firma Van Riessen bevinden, even voordat de Telefoonweg overgaat in Maanderweg, vijf vrij oude woningen. Hier leefden en werkten eens eenvoudige, maar bij iedereen bekende mensen die we ditmaal even uit de vergetelheid willen halen.

Heel vroeger begon hier de Achterstraat, de naam Telefoonweg is te danken aan de gebroeders J. en G. van Laar. De eerste was eigenaar van hotel "Welgelegen" nabij het station, terwijl de ander het al oude logement "De Posthoorn" beheerde waaraan tevens een stalhouderij was verbonden. Ten einde reizigers die aan het station arriveerden, vlot aan vervoer naar het dorp te kunnen helpen, hadden de broers tussen beide bedrijven een particuliere telefoonlijn laten aanleggen die mede over de Achterstraat liep. Onder de indruk van dit staaltje van moderne techniek, besloot de gemeenteraad in 1888 de naam Achterstraat te veranderen in Telefoonweg, hetgeen door de jaren heen bleef gehandhaafd.

In de eerste van bedoelde woningen, een dubbel pand, destijds kadastraal bekend als Telefoonweg 98 en 96, woonde Griet Jacobse. Zij was een alleenstaande vrouw, die voor een eigen inkomen moest zorgen waarbij gelukkig haar handen en mond niet verkeerd stonden. Daarbij was zij resoluut van optreden, men verkocht haar geen knollen voor citroenen. Griet leidde een uiterst werkzaam leven, allereerst hield zij kostgangers of zoals men vroeger wel zei, "commensaals". Haar huis was groot genoeg om vier of vijf man onderdak te verlenen, waarbij men natuurlijk niet aan het comfort van deze tijd moest denken, kamers met stromend water, centrale verwarming of dergelijke zaken.
Maar het huis was altijd helder en schoon en de maaltijden werden gezamenlijk in de ruime keuken gebruikt.
Daaraan besteedde Griet veel aandacht want als het eten goed en voldoende is, dan zijn mannen al gauw tevreden. Als zij bij slager Blokker aan het Maandereind het benodigde vlees haalde, mocht dat alleen van de allerbeste kwaliteitzijn, op de prijs werd minder gelet. De kostgangers hadden het goed bij haar, maar ze moesten zich wel aan bepaalde regels houden; elke zaterdag betalen, geen vrouwen en drank over de vloer en uiterlijk 's avonds tien uur naar bed.
Hun aantal wisselde uiteraard nog al, maar zij had één vaste klant, Ab Gerritsen. Deze betaalde geen kostgeld, kreeg zelfs een zakcentje maar werd ingeschakeld bij alle mogelijke karweitjes. Want Griet had meer pijlen en op haar boog: zo verzorgde zij de was voor deftige families uit het dorp. Op maandagmorgen moest Ab het wasgoed ophalen en daarna vuur maken in de twee gemetselde fornuispotten die zich in het achterhuis bevonden. Als brandstof deden takkenbossen dienst waarvan altijd een voorraad achter in de tuin stond, bereikbaar door een tussengang met het vroeger Chr. Militair. Tehuis.


Kwamen er een paar regendagen dan was Griet niet te genieten, zij kon dan de was niet droog krijgen. Maar aan het eind van de week kwam veelal de zaak weer op haar pootjes terecht en kon Ab de spullen, droog en gestreken, weer afleveren.
Daarbij hield Griet de Openbare school aan het Maandereind schoon; bij grote beurten moest Ab helpen waar het schoolhoofd echter minder op gesteld was. Ab kende maar één stelregel, "opgeruimd staat netjes", en veegde met zijn grote stalbezem alle, z. i. overbodige rommel, armetierige plantjes op de vensterbank of op de grond gevallen lesmateriaal, resoluut de afvalput in.

Ook moest Ab de moestuin verzorgen. ,achter alle vijf huizen lag een enormem lap grond tot aan de spoorlijn Ede-Barneveld, in die dagen onmisbaar voor de teelt van alle mogelijke groenten. Bovendien had Griet op de Paasberg nog een stuk grond gehuurd voor de verbouw van aardappels. Werk in overvloed voor de vrijgezel Ab Gerritsen, maar blijkbaar was hij een tevreden man, want hij is tot zijn dood bij Griet Jacobs in huis gebleven.

Huibert Beukhof
De buurman van Griet Jacobs was Huibert Beukhof, een gemeente werkman, belast met het schoonhouden van de straten. Zelden zal de gemeente een man in dienst hebben gehad, die voor een matige beloning zoveel presteerde.
Beukhof bezat een hoge opvatting van zijn bescheiden, maar wel zeer nuttige functie. Hij kon nu eenmaal geen rommel op straat zien liggen en ruimde, ook lang na werktijd alles op wat er niet hoorde. In die jaren ging de veldartillerie tijdens de zomermaanden een aantalnweken voor oefeningen naar Oldebroek. Een lange stoet van bereden manschappen, stukken geschut en benodigde wagens vertrok dan op maandagmorgen richting Noord-Veluwe om de volgende zaterdag weer terug te keren. Het was dan altijd ver in de namiddag voor Ede werd bereikt en de militairen via Grotestraat en Maandereind naar hun kazernes trokken.
Natuurlijk zorgde een dergelijk groot aantal paarden voor de nodige uitwerpselen op de straten. Dan kon Beukhof het niet over zijn hart krijgen om op zondagmorgen de kerkgangers met hun extra gepoetste schoenen door deze smerigheid te laten lopen. Dus haalde hij, nadat de stoet was gepasseerd, bezem, bats en handkar en was een paar uur in de weer om, zonder enige opdrachten hij er dus geen cent beter van werd, de zaak op te ruimen. Waaruit blijkt dat ook een eenvoudig straatveger beroepseer kan bezitten. Later is
dit huis nog door ene Landman bewoond geweest maar over hem is ons helaas minder bekend.

Mellink
Nu volgde een enkele woning, Telefoonweg 94, een vrij breed pand met twee lindebomen er voor, bewoond door de brievenbesteller MeIlink. Het gezin Mellink bestond, naast de ouders, uit acht kinderen zodat een ruime woning niet overbodig was. Hoewel ook dit nhuis vrij oud was, maakte het een goed verzorgde indruk, mede door het feit dat enkele zonen van Mellink in de bouwvakken werkzaam waren en het nodige onderhoud voor hun rekening namen.
Eén van hen is ook nog jarenlang conciërge geweest van het destijds zo bekende, maar nu allang verdwenen verenigingsgebouw "Ons Huis" aan de Telefoonweg.

Foto J.G.Hartgers

Tot besluit weer een dubbele woning met als eerste de Kruidenierswinkel van Mannes van der Brug, telg uit een bekend Edese familie. In augustus 1893 overleed, nog geen dertig jaar oud, Hendrik Jan van der Brug, van beroep barbier en gehuwd met Trui van Scherrenburg. Voor de jonge weduwe braken moeilijke dagen aan. van sociale voorzieningen zoals wij die thans kennen was nog geen spraken, maar ook zij moest, met haar kind, verder. De meest voor de hand liggende oplossing in die jaren was zo spoedig mogelijk weer te hertrouwen, maar daar voelde Trui bitter weinig voor. Zij huurde het toevallig leegstaande pand, Telefoonweg 92 en begon, geholpen door familieleden, daar een kruidenierswinkel. Het bleek een goede zet; de mensen bewonderden haar doorzettingsvermogen en al gauw kwam de loop erin. Toen dan ook haar zoon, inmiddels volwassen geworden, in 1919 de zaak over nam kon zij bogen op een brede klantenkring.
Mannes verkocht niet alleen kruidenierswaren. maar ook allerhande huishoudelijke artikelen en zelfs, met het oog op de tegenover hem gelegen openbare school, potloden en kleurkrijt.


Bestellingen werden zonder enige prijsverhoging thuisbezorgd, hetgeen wel betekende dat Mannes met zijn transportfiets, voorop een grote bestelmand, vaak over slechte wegen, hele dagen in de weer was om de verspreid wonende klanten te bedienen, terwijl zijn vrouw, hij was gehuwd met Johanna Jacoba van Leeuwen de winkel voor haar rekening nam, In 1944 nam zoon Henk de zaak over en kreeg echtpaar Van der Burg tijd om zich aan sociale belangen te wijden. De twee hebben zich onder meer zeer verdienstelijk gemaakt voor de totstandkoming van de stichting Herv, gezinsverzorging en waren medeoprichters van het rusthuis "Bethanie.', heel bescheiden onder de naam "Elim" in het Not, Fischerstraat begonnen.

Scherrenburg
De laatste bewoner van bedoelde vijf huizen, buurman van Van der Burg dus, was timmerman Jan Willem Scherrenburg, Naast twee jongens kreeg het echtpaar Scherrenburg nog een dochter, Sientje en juist zij ligt bij oudere Edenaren nog goed in het geheugen.
Hoewel goed bij de pinken, kon men Sientje moeilijk een schoonheid noemen en vader Scherrenburg die een huwelijk voor haar niet zo zag zitten, maakte van de voorkamer een textielwinkeItje, zodat zij toch nog een grijpstuiver kon verdienen. De zaak kreeg zelfs een naam: op de etalageruit stond met grote letters vermeld "Magazijn de Zon".
Begrijpelijker wijze bezat Sientje vrijwel geen bedrijfskapitaal, en haar voorraad was dan ook zeer bescheiden.
Toch verkocht zij niet graag nee en ze ging daarbij soms geraffineerd te werk.
Als een klant bijvoorbeeld een bepaald soort knopen wenste die zij niet bezat dan klonk het: ,,'k Zal effe in het magazijn kijken". Zij haastte zich dan naar achter, niet naar het magazijn dat alleen in haar verbeelding bestond, maar ging bij buurman Van der Burg informeren.
Deze hielp haar graag maar kon dat ook niet altijd. bij terugkomst zei Sientje dan: "Jammer, allemaal uitverkocht, maar kom morgen maar terug dan heb ik ze wel".
Dan speelde ze haar laatste troef uit en trok naar magazijn "De Faam"een groot textielbedrijf in die dagen en waar zij altijd op medewerking kon rekenen.
Geleidelijk vielen de huizen onder slopershanden; het laatst de woning van de familie Mellink, in 1959, Toen Sientje met haar zaak stopte, zeiden de mensen "Nu is de zon aan de Telefoonweg ondergegaan". Zo erg was het natuurlijk niet, maar wel verdween een stukje oud Ede waar alleen oudere lezers weet van hebben.

Foto Oud -Ede


H.J.Nijenhuis