Aan
het eind van de tegenwoordige Slijpkruikweg, rechts, even voor de drukke rijksweg,
omgeven door een aantal zware bomen, ligt de hoeve "De Slijpkruik".
Hoewel verbouwd en gerestaureerd bezit deze kapitale boerderij met opstallen,
een eerbiedwaardige leeftijd. In het gemeente archief bevinden zich nog bescheiden
betreffende deze boerderij waarin schrijver deze's,dank zij de medewerking van
de heer Das, gemeentearchivaris, wat kon grasduinen en mede daardoor een en
ander kan vertellen, zonder uiteraard volledig te zijn.
Volgens de overleveringen
telde ons dorp in het midden van twaalfde eeuw dertien boerderijen, ook wel hoeven
genaamd, waarbij ook "De Slijpkruik", destijds nog "Sliepkruucke"
behoorde. Verder nog tien andere behuizingen waar ongetwijfeld mensen met een
smalle beurs hebben gewoond. Immers deze dertien boeren bezaten gezamelijk alle
rechten op het Edese bos.
Mede daardoor waren deze bossen in verschillende
stukken verdeeld die elk een eigen naam droegen, zoals "de hoeve, het kattenbos'
het Brunobos, het gravenbos, het schoutenbos en meerderen.
Oudere Edenaren
herinneren zich deze namen wel en gebruiken die nog. Uit deze bossen haalden de
boeren hun bout en brachten er in het najaar, als de eikels vielen, hun varkens
heen, hetgeen de voerkosten laag hield.
Eerst werden de dieren met een brandijzer
gemerkt, elke boer bezat zijn eigen merkteken, zodat er later
geen ruzie kon
ontstaan omtrent de eigendomsrechten van de krulstaarten. Bovendien brachten de
bossen aardig geld in het laadje door de jaarlijkse houtverkopingen: de veiling
in 1691 leverde bijv. het lieve sommetje van f 1375,12 op voor elke bezitter
van een hoeve bijna f 106,-. De bosrechten gingen door erving van vader op zoon
over, maar nieuw gebouwde boerderijen konden er geen aanspraak op maken. Het beheer
van de bossen was opgedragen aan een bosrichter, een scheuter en bosschrijver,
dit laatste baantje werd gewoonlijk toevertrouwd aan de koster-schoolmeester.
De eigenaar van "De Slijpkruik", als grootste hoeve, was tevens
bosrichter; bij hem werden de bijlen en brandmerken bewaard.

De
eerste officiële vermelding van "De Slijpkruik" dateert uit 1359;
in genoemd jaar gaf Johan, graaf van Kleef, de boerderij en gronden in leen aan
Randolph Randolphzoon, ook wel Randolph de Jager genoemd. Nadat er verschillende
onbekende eigenaars zijn geweest, koopt, in 1607, Care! van Arnhem, heer van Kernheim,
de boerderij voor zes honderd Joachim Thaler , een Duitse munt die een waarde
bezat van dertig stuiver. Uit de koopakte blijkt hoe uitgebreid de bezittingen
waren naast huis, schaapskooi en schuren, diverse percelen bouwland alsmede wei
en hooilanden tot in Ederveen en Wageningen toe. Tevens nog een kleinere hoeve
"De Eikelhof' in het Edese bos, later bij de Edenaren bekend als het
huis van Piet Waanders, alles tesamen een oppervlakte van drie en dertig morgen
en honderd roede, ruim negen en twintig H.A.
Vanaf deze tijd heeft de boerderij
steeds behoord tot de bezittingen van de heer van Kernheim, die daardoor tevens
bosrichter werd en in de loop der jaren door ervaring en koop vrijwel het gehele
Edese bos in handen kreeg. De verschillende boeren van "De slijpkruik"
in die tijd waren vooral schapenhouders, hetgeen de thans nog aanwezige schaapskooi
duidelijk aantont. De schapen werden elke morgen, onder leiding van een scheper
naar de Doesburgerheide gedreven om daar hun kost op te scharrelen. De boerderij
bleek vrij duur in onderhoud; dan weer moesten staldeuren worden vernieuwd, de
put slibte vaak dicht of de schaapskooi vroeg om reparatie, allemaal kosten die
amper door de inkomsten werden gedekt.
In 1727 werd de zaak radicaal aangepakt
door het gehele achterhuis te vernieuwen. Dertig jaar later was het bakhuis, waar
oudergewoonte, de mensen bij zomerdag woonden, aan de beurt. Weer later begon
het strodak aan alle kanten te lekken, reden om in 1772 de kap met pannen te
bedekken.
Tijdens de Franse tijd blijkt er heel weinig geld voor onderhoud
beschikbaar te zijn, in 1803 worden de aller noodzakelijkste reparaties uitgevoerd
met sloophout van huize Kernheim, dat in 1902 werd afgebroken om het , volgend
jaar in de huidige staat weer herbouwd te worden. Na 1813 besloot men geleidelijk
grond te verkopen, Vele stukken waren onrendabel. Als dan ook op twee en twintig
februari 1853 een nieuwe pachter op de boerderij komt, zijn de landerijen tot
zestien H.A. ingekrompen.
De nieuwe man was Hendrik van Heerikhuize, met hem
zou een geslacht komen, dat heden ten dage, ruim honderd vijf en twintig jaar
later, nog de boerderij bewoont en bewerkt. Wij willen in het kort de opvolging
van deze aloude familie eens nagaan.
Comélis van Heerikhuize, geboren
in 1752, wonende te Otterlo gehuwd met Catharina van de Craats, stond reeds
als landbouwer ingeschreven. Uit dit huwelijk werd o.m. op 4 november 1791 een
zoon Hendrik geboren, die later huwde met Jansje van Kernheim, geboren 25
Juni 1797. Hendrik, eveneens landbouwer, trok met zijn vrouw naar Ede en werd,
zoals reeds gezegd, 22 februari 1853 pachter van "De Slijpkruik .Twintig
jaar zou
bij daar boeren, tot bij 1 maart 1873 overleed. Het echtpaar had
vijf kinderen gekregen, waaronder zoon Comelis, geboren 7 september 1830.
Deze
Cornelis die op 24augustus 1867 in het huwelijk trad met Gerritje Elisabeth van
Roekel, werd, bij het overlijden van zijn vader, boerin op de Slijpkruik. Deze
pachter heeft een hoge leeftijd mogen bereiken, hij stierf 28 februari 1919 en
werd op zijn beurt opgevolgd door zijn zoon, alweer Comelis, geboren 16 februari
1879. Cornelis huwde met Jannetje van Santen; hun huwelijk werd gezegend met zes
kinderen, waarvan de tweede zoon, Jan geboren 31 augustus 1919. In 1949 pachter
van de boerderij werd.
Tijdens zijn beheer zouden ingrijpende veranderingen
plaats vinden; de boerderij waaraan de laatste jaren weinig onderhoud was besteed,
maar wel veel historische waarde bezat, kwam op de monumentenlijst.
In 1957werd
begonnen met een restauratie die de boerderij weer in achttiendeeeuwse staat bracht,
zij het wel
voorzien van de moderne gemakken van deze tijd.
Het achterhuis
werd met vijf meter verlengd , schaapskooi en washok vernieuwd, terwijl het bakhuis
een beurt kreeg.
Tijdens deze verbouwing bleef de familie van Heerikhuize,
zo goed en kwaad als het ging, er wonen. De kosten werden betaald met bijdrage
van Rijk, provincie, gemeente, Gelderse monumentenzorg en graaf Bentinck tot wiens
bezittingen " De Slijpkruik" nog altijd behoorde. Het geheel was op dinsdag
23 september 1958 voltooid, hetgeen met een bijeenkomst van talrijke genodigden
in de grote schuur , waarop de driekleur wapperde, werd gevierd. De restauratie,
met zorg uitgevoerd, was schitterend geslaagd, vrijwel alles vernieuwd maar in
de oude stijl. De hooiberg, karakteristiek voor een boerdij is echter thans verdwenen.
Een tiental jaar geleden zag de toen drie jaar oude Dirk van Heerikhuize
een doosje lucifers te bemachtigen. Lucifers zijn er om vuurtje mee te stoken,
wist Dirk deed dat met succes bij de hooiberg.
Toen de ijlings gewaarschuwde
brandweer arriveerde was er niets meer te redden. De hooiberg werd niet weer opgebouwd,
voortaan werd het hooi in de korenkap geborgen. Jan van Heerikhuize had al eerder
de plaatselijke pers gehaald, toen zijn koe, Petra 4 in het voorjaar van 1955 het
leven schonk aan drie kalveren. Dat was een compleet wonder; een tweeling komt
nog wel eens voor. maar een drieling zelden.
Vooral uit boerenkringen trok
deze gebeurtenis heel wat belangstelling.
Helaas overleed Jan van Heerikhuize,
geheel onverwachts en nog betrekkelijk jong op 17 december 1972 zijn vrouw met
zeven jonge kinderen achterlatend. Er kwamen zware en moeilijke dagen op "De
. Slijpkruik", de tweede zoon Jan zestien jaar , leerling op de landbouwschool
te Putten, kwam naar huis en met hulp van familieleden kon het bedrijf zo goed
mogelijk worden voortgezet. Thans boert Jan van Heerikhuize jr. op "De Slijpkruik";
alleen de beschikbare grond werd in de loop der jarendoor dorpsuitbreiding en
wegenaanleg steeds minder. Om het huis nog wat grasland en moestuin met daarachter
"De Enk",waar mais wordt verbouwd en verder nog weilanden achter de
"Kalverkamp"en langs de Rijksweg.
De boerderij, die in september
1970 gemeente eigendom werd Kadastraal nog weleens gewijzigd werd, heel vroeger
Veldhuizen E.C.J. In 1931 Schaapsweg 88 en thans Slijpkruikweg 54 staat er nog
altijd in volle glorie. Ondanks toenemend verkeer heerst hier nog een landelijke
rust met typische kenmerken uit het verleden.
Tussen woonhuis en bakbuis, waar
de aloude pomp staat, een fraaie sierbestarting terwijl zich in de schouw van
bet bakhuis een smeedwerkstuk bevind waarin de de naam Sluipkruik is verwerkt.
Nog
altijd is er de vrij ondiepe kelder met kruisgewelven in de oorspronkelijke staat
evenals de ruime deel die in vroeger jaren dienst deed als dorstvloer. Wij mogen
dan ook dankbaar zijn dat een bord aan het begin van de oprijweg aangeeft dat
dit pand onder monumentenzorg valt en het dus voor het nageslacht bewaard blijft.
H.J.Nijenhuis
Lees verder >>>>

