Het Rode kruis

Het Rode Kruis is een zeer nuttige instelling waarvoor heel wat mensen belangeloos hun vrije tijd beschikbaar stenen. In
de zomer van 1948 werd het accent gelegd op de bloedtransfusiedienst en ging een Edese propagandiste op stap om donors
te winnen. Zo belandde zij ook bij een boerengezin in de Doesburgerbuurt waar, onder het genot van een kopje thee, het doel
van deze dienst werd uiteengezet.
Blijkbaar drong de kern van de zaak niet tot de van gezondheid blakende vrouw door, want zij meende: "Nou, ik heb helemaal geen extra bloed nodig". "Dat is u gelukkig wel aan te zien", gaf de ander toe, maar voor andere mensen kan het van levensbelang zijn. Trouwens", verduidelijkt zij, "als u vanavond op de fiets naar Lunteren gaat en een ernstig ongeluk met veel bloed. verlies overkomt, dan kan onze dienst ook voor u heel belangrijk zijn.
Daarop schoot de aangesprokene in een gulle lach en zei met overtuiging: "Hoe komt u daarbij. Ik ga vanavond helemaal niet
naar Lunteren".


In 1947 werd in onze gemeente een volkstelling gehouden, de eerste na de Tweede Wereldoorlog. Elk gezin kreeg een formulier toegezonden, dat later door een ambtenaar, die zonodig ook nog met invullen behulpzaam kon zijn, werd opgehaald.
Een dergelijke functionaris liep voor dit doel de inrit van een boerderij aan de Rijnsteeg, onder Bennekom op. Bij zijn nadering
dook een enorme stier op, de kop voorover gebogen, stootklaar, langzaam op hem afkomend.
Wel zag hij op het erf de boer die hem wat toe schreeuwde, maar hij bedacht zich geen moment,maar zette de sokken erin om
met een grote boog buiten adem, nog nabibberend, de veilige huisdeur te bereiken. De boer keek hem medelijdend aan en meende: "Man, je bent helemaal beduusd, ik riep nog dat de stier aan een lange ketting lag".

Doof
Ook dienaars der wet kunnen het een en ander meemaken, datzelfde najaar stond een agent een oogje op het verkeer te houden bij de spoorwegovergang bij station Ede-Wageningen. De beveiliging was nog vrij primitief: vanuit het hoge, allang verdwenen, seinhuis, liet de bewaker zodra een trein in aantocht was ,zonder aarzelen de bomen zakken.
Op zo'n moment zag de agent een bejaarde man nog rustig doorlopen. Hij riep: "Het gaat niet meer,terugkomen", maar de
voetganger vervolgde ongestoord zijn weg. Het lukte de agent de man bij zijn kraag te pakken, nog juist voor de bomen helemaal gesloten waren. Hij gaf het roekeloze baasje een schrobbering, waarop deze als excuus aanvoerde: "Och meneer, ik ben zo doof dat ik het zakken van de bomen heel niet had gezien".


En dan de agent die op zijn nachtelijke ronde volop licht zag branden in een winkel aan de Maandereind. Hij alarmeerde de
eigenaar die boven de zaak woonde. Na lang bellen verscheen uit het hoge duister een hoofd. De agent wees hem op het
belverlichte pand, waarop hij als dank te horen kreeg: "Wat zoudat, betaal ik de stroom of jij".
H. J. Nijenhuis