Rijwielbelasting
Belastingen zijn nooit populair geweest in Nederland,
maar de rijwielbelasting van de vooroorlogse
jaren spande toch de kroon. Het
was een uitvinding van de toenmalige minister van financiën Hendrik Colijn,
die naderhand minister-president is geworden. In 1924 zag de regering geen kans
de begroting voor bet komend jaar sluitend te maken; destijds nog een onverbiddelijke
eis.
Genoemde bewindsman kreeg toen een helder idee: Wij vormen een land van
fietsers. Laten we het
tekort op ben afwentelen door eén rijwielbelasting
in te voeren .
De Kamer ging grif akkoord met dit ei van Columbus, maar de
bevolking allerminst. Men trok toen nog wet
meteen met spandoeken de straat
op, maar talrijke ingezonden stukken en spotprenten in de dagbladen maakten bet
standpunt van fietsend Nederland duidelijk kenbaar, zij bet tevergeefs.
Vanaf
1 januari 1925 moest elke fietser in het bezit zijn van een geldig belastingmerk
tegen drie gulden verkrijgbaar bij post en belastingskantoor .Doordat de opbrengst
boven de raming uitkwam werd
per I januari 1929 de prijs tot een rijksdaalder
teruggebracht. Dit merk was vervaardigd van dun koper en voorzien van de letters
RWB en het,jaartal armlastigen en werklozen konden een gratis plaatje krijgen
waar in ter onderscheiding een gaatje was geponst.
Juist deze belastingmerken
ondervonden de meeste weerstand. Dat ronde gaatje bezorgde
de bezitter een
bepaalde status waarvoor hij zich schaamde , en gediscrimineerd voelde. Het belastingmerk
moest tijdens het fietsen duidelijk zichtbaar zijn en toch voor diefstal of verliezen
beveiligd.
De beste methode bestond uit een metalen busje waarop het plaatje
werd gesoldeerd om vervolgens om de stuurstang te worden aangebracht. Dat was
prachtig als de eigenaar het alleenrecht van de fiets bezat, maar bij grote gezinnen
niet altijd haalbaar. Voor elke fiets een plaatje kopen werd vaak te duur en dan
werd een soort rouleringssysteem gevoerd.
Het belastingmerk werd dan
opgeborgen in een lederen etui met mica voorzijde dat met een speld aan rever
van jas of mantel moest worden bevestigd en naar believen gebruikt kon worden.
De
controle was zeer scherp, niet a1leen door politiemensen maar ook belastingambtenaren
van de buitendienst werden daarvoor ingeschakeld.
Vooral de laatsten, onopvallend
in hun burgerkloffie konden op de meest onverwachte momenten opduiken en zij waren
onverbiddelijk. Als geen geldig belastingmerk getoond kon worden werd de fiets
in beslag genomen en kon later na aankoop van een exemplaar aan het belastingkantoor
worden opgehaald.
De zondag was de enige dag, . waarop ook zonder plaatje
rustig gefietst kon worden: de belastingmensen waren thuis en de paar agenten
me die dienst hadden, geloofden het wel.
Maar juist op deze dag bleef om principiële
redenen bij veel dorpelingen de fiets in de schuur. Naast
de staat werd ook
bet tbc-fonds door deze belasting gesteund. De laatste week van december werd
in
het postkantoor een grote bus geplaatst, waarin de verlopen plaatjes konden
worden gedeponeerd,
die dan als oud koper verkocht werden ten bate van het
fonds.
In 1941 werd de rijwielbelasting afgeschaft, maar daar kwamen
heel wat grotere zorgen voor in de
plaats.
H.J.Nijenhuis
 
|