De tegenwoordige Notaris Fischerstraat

Wij hebben het al eerder gememoreerd, in de Notaris Fischerstraat, toen nog Grotestraat of ook wel Posthoornstraat genaamd, klopte eens het hart van ons dorp.
Daarom is het wel aardig na te gaan welke mensen hier zo voor en even
na de eerste wereldoorlog woonden en werkten. we vanaf de Molenstraat aan de linkerzijde beginnen, stond op de hoek een kapitale villa waar o.a. dokter Thomas en de Hert hebben gewoond.
Na het vertrek van laatstgenoemde familie werd het voorste deel van de villa verbouwd tot winkel en werd er een filiaal van destijds bekende levensmiddelen beschrijven W. v. Amerongen gevestigd,na nog enkele malen in andere handen te zijn overgegaan bevind zich nu al jarenlang de woninginrichting van de Bruin.
Naast dit pand lag de limonadefabriek en bierhandel "Zeldenrust van de heer P. G. IJsseldijk.

Hier werden, vervolgens eigen recepten, diverse soorten limonade's gemaakt door een dosis van een bepaald essence met koolzuur aan te vullen. Het product werd in de handel gebracht in de destijds zo bekende kogelflesjes.
De sluiting werd genoemd door een glazen knikker die vastgezogen werd en door de druk van het koolzuur op haar plaats bleef. Men kon het flesje openen door met de duim op die knikker te drukken die dan in de aangebrachte sleuf schoof.
Een kelder kon deze methode moeilijk gebruiken maar beschikte over een passende hardhouten stop waarvan het onderste vak zodanig was uitgehold dat het precies op de knikker paste. Overigens werden ook diverse likeuren, zoals half om half, curacau en anisette in de handel gebracht. Het was een druk beklante zaak met veel café's en hotels als afnemers.

Deze werden aanvankelijk met paard en wagen bediend maar wat later werd IJsseldijk de trotse bezitter van een Ford bestelwagen.
Ook toen al stond op lege flessen statiegeld; die werden dan ook trouw terug gebracht en in een speciaal spoelvat gereinigd. Het kon gebeuren dat iemand de fles had gebruikt om er petroleum in te bewaren tot grote woede van IJsseldijk die,als hij zoiets laat door had,zijn spoelbak leeg en schoon kon maken. Het grote gezin, het echtpaar kreeg acht kinderen, woonde boven de zaak, waar het soms zoo'n kabaal was dat de moeder, met een variant op de firmanaam wel verzuchtte: Het is hier zelden rustig.

Vervolgens het bekende kruidenierswinkeltje van Aal Busser .Een helder klinkende bel die met een krulveer aan de winkeldeur was bevestigd kondigde de komst van een klant aan. Dan verscheen Aal Busser door de tussendeur en werd eerst een babbeltje opgezet over de dorpsnieuwtjes, waarna het gewenste werd opgegeven. Twee ons koffiebonen die secuur werden afgewogen en desgewenst met een de grote handmolen werd gemalen of een half pond stroop met een houten paplepel uit het vat geschept .
Dat er in diezelfde kleine ruimte ook nog vaten met petroleum en groene zeep stonden, een kniesoor die daar op lette.
Aal Busser was zeer populair bij de mensen, maar slechts weinigen kenden haar werkelijke naam; Aaltje Bakkenes. Zij was al jong, in
1874 als hulp in de huishouding in dienst genomen bij de eigenaar van de zaak, de heer Busser, die vrijgezel was en bleef. Na diens overlijden in 1910 zette zij de winkel voort maar de klanten noemden haar nooit anders dan Aal Busser.

Op maandagmorgen, de marktdag stond de winkel vol boerinnen die bij haar hun inkopen deden en in de achterkamer onthaald werden op een kopje koffie. Maar Aal deed meer voor de buitenmensen bij haar konden zij hun stoven, hoeden of kerkboeken in bewaring geven, zodat deze attributen niet niet elke zondag meegesjouwd behoefte te worden. In de winterdag zorgde zij zelfs ervoor dat in elke stoof een kooltje vuur lag en de eigenares met een verwarmd exemplaar ter kerke ging. In die tijd, toen de grote holle ruimte nog.
onverwarmd was, een uitkomst voor koude voeten. Bovendien was Aal een specialiste in het wassen, strijken en plooien van de destijds veel gedragen knipmutsen. Tot haar overlijden 6 april 1939 heeft mej. Bakkenes hier gewoond, waarna de zaak werd opgeheven.
De linkerbuurman van Aal was bakker Hansman, bekend om het prima gebak dat daar geleverd werd. Naast dit huis en bakkerij liep een steegje dat naar de smalste overwegvan Nederland leidde, maar inmiddels ok al is verdwenen.

Nu komen we aan het aloude logement "De Posthoorn" dat op 13 januari 1941 door brand weer verwoest en niet weer is opgebouwd, maar bij veel Edenaren nog goed in het geheugen ligt.Het is ons niet bekend hoe oud gebouw en opstallen precies waren, bovendien hebben in de loop der tijden de nodige verbouwingen plaats gevonden, maar reeds vanaf 1700 vergaderden hier de Ambtsjonkers.Voor hen was een speciale kamer gereserveerd tegen een huur van vijftig gulden per jaar op voorwaarde dat dit vertrek aan geen ander beschikbaar werd gesteld.

Ook de heren van het Landsgericht die eenmaal per jaar in Ede zitting hielden, maakten van "de Posthoorn" gebruik. Daar werden sterfgevallen behandeld die nu voor de kantonrechter zouden komen, zoals vechtpartijen , diefstal en civiele vorderingen. Zoo'n gericht duurde meestal drie dagen en de kosten kwamen voor rekening van het ambt Ede.
Mede daardoor namen de heren richters beter goed van; zo bracht het gericht van 1698, gehouden van drie tot zeven Mei de toenmalige waard van "de Posthoorn", Steven van 't Hart, het lieve sommetje van f 565,- op.
In de tijd waarover we nu vertellen was, het café vooral bekend door de vele publieke verkopingen die daar gehouden werden. Tussen de Posthoorn en bakker Hansman lag een grote tuin met zware bomen waaronder 's zomers tafels en stoelen stonden en het, met een glas bier goed toeven was Hier lag het uitgaanspunt van Ede ,er stond een muziektent waar de Heibloem" haar concerten gaf, terwijl doortrekkende draaimolens of andere kermisattractie's er een standplaats vonden.
Oudere lezers zullen zich misschien nog herinneren dat in deze tuin eens een circus haar tenten opsloeg waarvan alle artiesten lilliputters waren.
Onder deze bomen stonden in de eerste mobilisatieweken van 1914 -1918 de grote kookpotten voor de opgeroepen militairen, waarin hele rode of witte kolen,al of niet voorzien van rupsen werden fijngestampt.
Achter in de tuin bevond zich een kegelbaan, beter gezegd, staat er nog, maar nu als woning ingericht. Heel wat mannen uit het dorp waren er lid van, al was het alleen maar om een avondje uit te zijn.

Tenslotte behoorde tot "de Posthoorn" het thans geheel verbouwde koetshuis voor stalling van rijtuigen en paarden. Ook gaf de gymnastiekver. "Sparta" in deze ruimte haar uitvoeringen en werden er pluimvee tentoonstellingen gehouden. In de reeds genoemde mobilisatiejaren bevond zich hier een gaarkeuken waar daarvoor in aanmerking komende kinderen gratis een warme maaltijd kregen.Voor dit koetshuis, nog op terrein van "de Posthoorn" werd op maandagmorgen markt gehouden.
Reeds op 2 october 1852 was besloten weekmarkt in te stellen op een terrein ten Zuiden van de kerk, de latere Paasbergerweg.
Deze markt stelde niet veel voor maar dat veranderde toen men in 1890 naar, "De Posthoorn" verhuisde. Daar kwam de markt tot bloei, de boeren trokken in grote getale op Maandagmorgen naar het dorp.

Geleidelijk trad het huidige centrum meer op de voorgrond, in 1927 werd de rnarkt naar hier, tegenover hotel "Hof van Gelderland" verplaatst. Niet iedereen was het daarmee eens; de Posthoornmarkt bleef, hield nog enkele jaren stand maar moest het tenslotte opgeven.
Grenzend aan deze oude markt ligt wel het fraaiste bouwwerk dat Ede nog telt "het Fischershuis. in 1977 nog geheel gerestaureerd met haar basaltkeien stoep en palen met kettingen nog altijd een gaaf geheel. Het huis is vermoedelijk tussen 1760-70 gebouwd en werden in 1818 gekocht door Carl Christiaan Fischer van beroep translateur. een deftig woord voor vertaler.

Deze man, die als tolk optrad in het Russisch en Frans, kocht het huis ten behoeve van zijn zoon Jean, Charles, Fischer, in 1818 benoemd tot notaris te Lunteren. op 17 april 1823 werd hem, om even in ambtelijke taal te spreken: "gepermitteerd tot het ver plaatsen zijner residentie naar Ede.
Tot 1946 is dit grote pand door drie generaties Fischer bewoond.
Over hen is voldoende bekend en geschreven, zodat wij daar niet verder op ingaan.

Wel nog even op de rij fraaie lindebomen die voor het huis staan en in Augustus 1966 bijna het slachtoffer werden van een misplaatste grap.
Een boomzager uit het dorp werd door de heer v .d. Brandhof, schoonzoon van de laatste notaris Fischer en directeur van het daar assurantiebedrijf , "De Linden", telefonisch verzocht om op een maandagnorgen in alle vroegte de lindeboom om te zagen.
De zager, die zich eerst nog verzekerde van politiehulp in verband met eventuele verkeers moelijkheden zette prompt zes uur zijn motorzaag In de eerste boom, gelukkig de verste die aan het belendende perceel, een kantoorboekhandel, grensde.
Wakker geworden door het motorgeronk, stormde de heer v.d. Brandhof in zijn pyama naar buiten, juist toen de eerste boom viel.
Op opgewonden toon vroeg hij agent en zager wat dit te beduiden had. De zager wees hem er op dat hij vorige week zelf opdracht hier.
voor had gegeven, het geen v.d, Brandhof ten stelligste ontkende.
Van verder zagen was natuurlijk geen sprake meer, maar nu staan er van de oorspronkelijke zeven slechts zes bomen meer, dank zij een smakeloze grappenmaker dit nooit gevonden is. Overigens staat nog altijd in de tuin van "het Fischershuis" een machtige beuk als bewijs welke zware bomen in deze omgeving eens groeiden. Volgend maal hopen wij het verdere gedeelte van het Not. Fischerstraat onder de loep te nemen.
H. J. Nijenhuis

Wordt vervolgd