Napoleon liet Ede wachten

Onafhankelijkheidsfeest in 1913 te Ede.De grote historische optocht trekt door het dorp:op de achtergrond rechts met koeienkop aan de gevel,slagerij Blokker,daarnaast Coop.De Toekomst en vervolgens de Rotterdamse Bank.
   

Speelde ons vorig verhaal zich af in het verre verleden, ditmaal een plaatselijke gebeurtenis van nog oudere datum: 1811, toen ons dorp in rep en roer verkeerde door een aangekondigd bezoek van keizer Napoleon. De belangrijkste gegevens hiervoor ontlenen we aan publicaties van de vroegere gemeentearchivaris, de heer S. B. J. Denijs, een man die meerdere interessante artikelen heeft geschreven.

Vooraf een stukje geschiedenis: in 1795 won ook in ons land, in navolging van de Franse revolutie, de democratie sterk terrein en ontstond de Bataafse Republiek, waardoor de bevolking in twee grote, zeer vijandige kampen, de Patriotten en Prins gezinden, werd verdeeld. In naam vormde deze republiek een vrij land, maar al spoedig zou blijken hoe afhankelijk wij van Frankrijk waren geworden. Ook Ede ontkwam niet aan de veranderde omstandigheden; aan het eeuwenlange bestuur door de Ambtsjonkers werd abrupt een einde gemaakt. Zij werden volgens het nieuwe systeem vervangen door een gemeenteraad met aan het hoofd een "maire",
het Franse woord voor burgemeester.
Nu had dat eerste gemeentebestuur niet zoveel in de melk te brokkelen. De heren moesten allereerst maar zorgen dat de vrij hoge belastingen op tijd werden geïnd, alsmede te voldoen aan de steeds meer eisende legers van Napoleon op het gebied van manschappen en fourage. Bij in gebreke blijven volgde strenge maatregelen; zo moest het Ambt Ede in 1805 zevenhonderdvijfendertig gulden boete betalen voor te weinig geleverde recuten in voorafgaande jaren. In 1806 werd Lodewijk Napoleon, broer van de keizer aangesteld tot koning van Holland hetgeen het einde van de Bataafse Republiek betekende.

Bataljon
Deze begon al gauw na zijn komst met het formeren van twaalf vrijwilligers bataljons; uit het Ambt Ede, dat destijds rond de vier en half duizend inwoners telde, verwachtte men zo'n dertig liefhebbers. Vooral voor jongens met een smalle beurs was het handgeld wel verleidelijk, bij het zetten van hun handtekening ontvingen zij uit de Ambtskas zes en van het Rijk vier dukaten. Nu behoorde het overgrote deel van de bevolking uit Ede tot de Prins gezinden en uit deze kringen was, begrijpelijkerwijze weinig animo te verwachten. Het resultaat was er dan ook naar: slechts drie vrijwilligers kwamen opdagen.


Loting
Daarom gooide Lodewijk het in 1809 over een andere boeg: hij voerde een lotingssysteem in dat overigens later door de Nederlandse regering werd overgenomen en zich meer dan een eeuw zou handhaven. Alle jonge mannen uit het Ambt Ede, geboren in 1789 moesten zich melden en door middel van het lot, werden drie en veertig van hen aangewezen om dienst te nemen in het leger. Wel konden jongens uit gegoede kringen die waren ,ingeloot via 'n zg. remplacante-stelsel door flink in de buidel te tasten, voor een plaatsvervanger zorgen. De samenwerking tussen koning en keizer bleek na enkele jaren allerminst ideaal. Lodewijk wilde lang niet alle besluiten en bepalingen door de keizer voorgeschreven, ten uitvoer brengen.
Dat leidde tot botsingen en in 1810 werd Lodewijk gedwongen afstand van de troon te doen. Daarna werd ons land
simpelweg bij Frankrijk ingelijfd, zodat alle Nederlanders op papier althans in één klap Fransen waren geworden en nu volledig onder de bestuursnormen van deze natie vielen. Overigens bevatte dit beleid ook een aantal goede zaken, om alleen maar de invoering van kadaster en burgerlijke stand te vermelden.

Vorderingen
Voor het Ambt Ede veranderde er voorlopig maar weinig. levering van soldaten en betalen van belastingen bleven normaal doorgaan. Daarnaast vonden op gezette tijden vorderingen plaats van paarden en wagens, al of niet vergezeld van voerlui, voor het vervoer van troepen en oorlogsuitrusting. De boeren stonden bloot aan inbeslagneming van vee en landbouwprodukten, veelal zonder een enkele vergoeding.

Een onverwacht voorval, dat het nodige geld kostte en veel arbeid meebracht, trof het Ambt Ede in 1811, met de bittere nasmaak dat alle inspanning voor niets was geweest.
Dat jaar bracht keizer Napoleon Bonaparte, vergezeld van de keizerin en grote hofstoet een bezoek aan de Nederlanden. Op 25 oktober 1811 ontving de maire van Ede, de heer J. J. Kleinhoote, een uitvoerig schrijven van het Franse Departement. Daarin werd vermeld dat Zijne Keizerlijke Hoogheid op 31 ok1ober a.s. op zijn reis vanaf 't Loo, waar hij op dat moment logeerde, naar Arnhem, ook door Ede wilde trekken.
Vanzelfsprekend moest de keizer met de nodige eerbied worden ontvangen en dus volgde een aantal instructies die nauwgezet uitgevoerd dienden te worden.
Ter begroeting van het voorname gezelschap moesten de bewuste morgen, klokslag tien uur, maire, alle raadsleden en verdere notabelen uit het Ambt op de grens van de gemeente aanwezig zijn. Alle wegen en eventuele bruggen waarover de keizer zou trekken moesten zorgvuldig van stof en vuil gereinigd worden en goed begaanbaar zijn. Verder werd gelast de gehele Dorpsstraat op passende wijze te versieren met aan het begin en einde een grote ereboog.
De valide dorpelingen werd bevolen zich aan weerszijden van de straat op te stellen teneinde de keizer met het nodige enthousiasme te ontvangen.

Verlichting
Teneinde deze feestdag voor de bevolking onvergetelijk te maken, diendehet dorp bij het invallen van de duisternis door middel van vetpotjes geïllumineerd te worden. Vanzelfsprekend kwamen alle kosten voor rekening van het Ambt, dat toch al in geldzorgen zat.
De maire zat met de handen in net haar wat een soesa; maar bevel is bevel en de tijd drong. Onder zijn leiding ging men aan de slag; het versieren van de Dorpsstraat werd eenvoudig gehouden. Een paar man zaagde uit onze bosrijke omgeving een aantal denneboompjes die, op een onderlinge afstand van twee meter langs de straatkant in de grond werden gezet. De erebogen leverden meer problemen op ,daar moesten vakmensen aan te pas komen en de bouw vergde de nodige tijd.
Mede daardoor bleef het bij één poort aan de Boslaan, de ingang van het dorp. Aan de verlichting werd totaal geen aandacht geschonken, tegen duister zou het gezelschap al wel hoog en breed in Arnhem zitten. De wegen verkeerden gelukkig ia goede staat en dankzij het schrappen van de twee laatstgenoemde onderdelen kwamen de voorbereidingen toch tijdig gereed.
Op de bewuste laatste dag van de oktobermaand 1811 stonden maire, raadsleden en vooraanstaande burgers op het voorgeschreven uur keurig opgesteld aan de oostelijke grens van het Ambt Ede.
Men wachtte; de maire repeteerde zenuwachtig, in zijn beste Frans, zijn welkomstwoorden, maar geen spoor van de vorstelijke stoet te bekennen.


Waarschijnlijk was de keizer tot de ontdekking gekomen dat de reis van Apeldoorn naar Arnhem over de Woeste Hoeve aanmerkelijk korter was. Omstreeks het middaguur gaf men de moed op en klom in de wagens om onverrichter zake de thuisreis te aanvaarden. De dorpelingen, waarvan het merendeel meer onder dwang dan uit animo had meegewerkt, waren allang tot hun eigen dagelijkse beslommeringen overgegaan.
De volgende dag werd de versiering afgebroken en de kosten opgemaakt.
Dankzij de op eigen houtje aangebrachte bezuinigingen vielen deze mee; alleen de ereboog had er in gehakt. De timmerman Schuurman, die dit karwei met enkele handlangers voor zijn rekening had genomen, kwam met een rekening van tachtig gulden, voor arbeid en materialen aanzetten.
Blijkbaar was er niet op een droogje gewerkt, want de waard van "De Roskam" diende een nota in van veertien gulden voor geleverd bier. De raad beknibbelde zoveel mogelijk; de rekening van de timmerman werd gehalveerd, hij had met mensen gewerkt die verder toch niets omhanden hadden. De herbergier zag helemaal geen cent; de vroede vaderen waren van mening dat de boogbouwers hun dorst gratis hadden kunnen lessen bij de gemeentepomp.

De rust in het dorp kwam terug omtrent het wegblijven van het hoge bezoek werd geen enkele tekst of uitleg gegeven. Wel ontving de maire enkele dagen later van de Inspecteur Generaal der Posterijen te Arnhem het bevel om twee en veertig paarden te leveren als aandeel van het Ambt Ede op een totaal van tweehonderd vijftig, voor een transport benodigde dieren. Van elke twee paarden moest er één voorzien zijn van zadel en stijgbeugels om als rijpaard dienst te kunnen doen. Bovendien zou bij elk span een voerman aanwezig zijn voorzien van minstens twee dagen fourage. Met veel pijn en moeite werd aan de opdracht voldaan: mannen en paarden zijn later wel weer veilig thuis gekomen, maar voor de geleden schade werd geen cent uitbetaald.

In het laatste bezettingsjaar 1812 volgde nog een belangrijke beslissing voor deze omgeving. Het ambt Edewerd opgedeeld in vier zelfstandige gemeentes,nl.Ede,Bennekom,Lunteren en Otterlo,met elk een eigen maire en gemeenteraad. Een jaar later kwam een einde aan de Franse overheersing tot opluchting van de bevolking en kon de bejaarde heer Esser de nationale driekleur van de Edese toren laten wapperen. Een eeuw later in 1913 werd ook in Ede uitbundig het honderdjarig onafhankelijksfeest gevierd.


H.J.Nijen huis