Speelde
ons vorig verhaal zich af in het verre verleden, ditmaal een plaatselijke gebeurtenis
van nog oudere datum: 1811, toen ons dorp in rep en roer verkeerde door een aangekondigd
bezoek van keizer Napoleon. De belangrijkste gegevens hiervoor ontlenen we aan
publicaties van de vroegere gemeentearchivaris, de heer S. B. J. Denijs, een man
die meerdere interessante artikelen heeft geschreven.
Vooraf
een stukje geschiedenis: in 1795 won ook in ons land, in navolging van de Franse
revolutie, de democratie sterk terrein en ontstond de Bataafse Republiek, waardoor
de bevolking in twee grote, zeer vijandige kampen, de Patriotten en Prins gezinden,
werd verdeeld. In naam vormde deze republiek een vrij land, maar al spoedig zou
blijken hoe afhankelijk wij van Frankrijk waren geworden. Ook Ede ontkwam niet
aan de veranderde omstandigheden; aan het eeuwenlange bestuur door de Ambtsjonkers
werd abrupt een einde gemaakt. Zij werden volgens het nieuwe systeem vervangen
door een gemeenteraad met aan het hoofd een "maire",
het Franse woord
voor burgemeester.
Nu had dat eerste gemeentebestuur niet zoveel in de melk
te brokkelen. De heren moesten allereerst maar zorgen dat de vrij hoge belastingen
op tijd werden geïnd, alsmede te voldoen aan de steeds meer eisende legers
van Napoleon op het gebied van manschappen en fourage. Bij in gebreke blijven
volgde strenge maatregelen; zo moest het Ambt Ede in 1805 zevenhonderdvijfendertig
gulden boete betalen voor te weinig geleverde recuten in voorafgaande jaren. In
1806 werd Lodewijk Napoleon, broer van de keizer aangesteld tot koning van Holland
hetgeen het einde van de Bataafse Republiek betekende.
Bataljon
Deze
begon al gauw na zijn komst met het formeren van twaalf vrijwilligers bataljons;
uit het Ambt Ede, dat destijds rond de vier en half duizend inwoners telde, verwachtte
men zo'n dertig liefhebbers. Vooral voor jongens met een smalle beurs was het
handgeld wel verleidelijk, bij het zetten van hun handtekening ontvingen zij
uit de Ambtskas zes en van het Rijk vier dukaten. Nu behoorde het overgrote deel
van de bevolking uit Ede tot de Prins gezinden en uit deze kringen was, begrijpelijkerwijze
weinig animo te verwachten. Het resultaat was er dan ook naar: slechts drie vrijwilligers
kwamen opdagen.
Loting
Daarom gooide Lodewijk
het in 1809 over een andere boeg: hij voerde een lotingssysteem in dat overigens
later door de Nederlandse regering werd overgenomen en zich meer dan een eeuw
zou handhaven. Alle jonge mannen uit het Ambt Ede, geboren in 1789 moesten zich
melden en door middel van het lot, werden drie en veertig van hen aangewezen om
dienst te nemen in het leger. Wel konden jongens uit gegoede kringen die waren
,ingeloot via 'n zg. remplacante-stelsel door flink in de buidel te tasten, voor
een plaatsvervanger zorgen. De samenwerking tussen koning en keizer bleek na enkele
jaren allerminst ideaal. Lodewijk wilde lang niet alle besluiten en bepalingen door
de keizer voorgeschreven, ten uitvoer brengen.
Dat leidde tot botsingen en
in 1810 werd Lodewijk gedwongen afstand van de troon te doen. Daarna werd ons
land
simpelweg bij Frankrijk ingelijfd, zodat alle Nederlanders op papier althans
in één klap Fransen waren geworden en nu volledig onder de bestuursnormen
van deze natie vielen. Overigens bevatte dit beleid ook een aantal goede zaken,
om alleen maar de invoering van kadaster en burgerlijke stand te vermelden.
Vorderingen
Voor
het Ambt Ede veranderde er voorlopig maar weinig. levering van soldaten en betalen
van belastingen bleven normaal doorgaan. Daarnaast vonden op gezette tijden vorderingen
plaats van paarden en wagens, al of niet vergezeld van voerlui, voor het vervoer
van troepen en oorlogsuitrusting. De boeren stonden bloot aan inbeslagneming van
vee en landbouwprodukten, veelal zonder een enkele vergoeding.
Een onverwacht
voorval, dat het nodige geld kostte en veel arbeid meebracht, trof het Ambt Ede
in 1811, met de bittere nasmaak dat alle inspanning voor niets was geweest.
Dat
jaar bracht keizer Napoleon Bonaparte, vergezeld van de keizerin en grote hofstoet
een bezoek aan de Nederlanden. Op 25 oktober 1811 ontving de maire van Ede, de
heer J. J. Kleinhoote, een uitvoerig schrijven van het Franse Departement. Daarin
werd vermeld dat Zijne Keizerlijke Hoogheid op 31 ok1ober a.s. op zijn reis vanaf
't Loo, waar hij op dat moment logeerde, naar Arnhem, ook door Ede wilde trekken.
Vanzelfsprekend
moest de keizer met de nodige eerbied worden ontvangen en dus volgde een aantal
instructies die nauwgezet uitgevoerd dienden te worden.
Ter begroeting van
het voorname gezelschap moesten de bewuste morgen, klokslag tien uur, maire, alle
raadsleden en verdere notabelen uit het Ambt op de grens van de gemeente aanwezig
zijn. Alle wegen en eventuele bruggen waarover de keizer zou trekken moesten
zorgvuldig van stof en vuil gereinigd worden en goed begaanbaar zijn. Verder werd
gelast de gehele Dorpsstraat op passende wijze te versieren met aan het begin
en einde een grote ereboog.
De valide dorpelingen werd bevolen zich aan
weerszijden van de straat op te stellen teneinde de keizer met het nodige enthousiasme
te ontvangen.

Verlichting
Teneinde
deze feestdag voor de bevolking onvergetelijk te maken, diendehet dorp bij het
invallen van de duisternis door middel van vetpotjes geïllumineerd te worden.
Vanzelfsprekend kwamen alle kosten voor rekening van het Ambt, dat toch al in
geldzorgen zat.
De maire zat met de handen in net haar wat een soesa; maar
bevel is bevel en de tijd drong. Onder zijn leiding ging men aan de slag; het
versieren van de Dorpsstraat werd eenvoudig gehouden. Een paar man zaagde uit
onze bosrijke omgeving een aantal denneboompjes die, op een onderlinge afstand
van twee meter langs de straatkant in de grond werden gezet. De erebogen leverden
meer problemen op ,daar moesten vakmensen aan te pas komen en de bouw vergde
de nodige tijd.
Mede daardoor bleef het bij één poort aan de
Boslaan, de ingang van het dorp. Aan de verlichting werd totaal geen aandacht
geschonken, tegen duister zou het gezelschap al wel hoog en breed in Arnhem zitten.
De wegen verkeerden gelukkig ia goede staat en dankzij het schrappen van de
twee laatstgenoemde onderdelen kwamen de voorbereidingen toch tijdig gereed.
Op
de bewuste laatste dag van de oktobermaand 1811 stonden maire, raadsleden en vooraanstaande
burgers op het voorgeschreven uur keurig opgesteld aan de oostelijke grens van
het Ambt Ede.
Men wachtte; de maire repeteerde zenuwachtig, in zijn beste Frans,
zijn welkomstwoorden, maar geen spoor van de vorstelijke stoet te bekennen.
Waarschijnlijk
was de keizer tot de ontdekking gekomen dat de reis van Apeldoorn naar Arnhem
over de Woeste Hoeve aanmerkelijk korter was. Omstreeks het middaguur gaf men
de moed op en klom in de wagens om onverrichter zake de thuisreis te aanvaarden.
De dorpelingen, waarvan het merendeel meer onder dwang dan uit animo had meegewerkt,
waren allang tot hun eigen dagelijkse beslommeringen overgegaan.
De volgende
dag werd de versiering afgebroken en de kosten opgemaakt.
Dankzij de op eigen
houtje aangebrachte bezuinigingen vielen deze mee; alleen de ereboog had er in
gehakt. De timmerman Schuurman, die dit karwei met enkele handlangers voor zijn
rekening had genomen, kwam met een rekening van tachtig gulden, voor arbeid en
materialen aanzetten.
Blijkbaar was er niet op een droogje gewerkt, want de
waard van "De Roskam" diende een nota in van veertien gulden voor geleverd
bier. De raad beknibbelde zoveel mogelijk; de rekening van de timmerman werd gehalveerd,
hij had met mensen gewerkt die verder toch niets omhanden hadden. De herbergier
zag helemaal geen cent; de vroede vaderen waren van mening dat de boogbouwers
hun dorst gratis hadden kunnen lessen bij de gemeentepomp.
De
rust in het dorp kwam terug omtrent het wegblijven van het hoge bezoek werd geen
enkele tekst of uitleg gegeven. Wel ontving de maire enkele dagen later van de
Inspecteur Generaal der Posterijen te Arnhem het bevel om twee en veertig paarden
te leveren als aandeel van het Ambt Ede op een totaal van tweehonderd vijftig,
voor een transport benodigde dieren. Van elke twee paarden moest er één
voorzien zijn van zadel en stijgbeugels om als rijpaard dienst te kunnen doen.
Bovendien zou bij elk span een voerman aanwezig zijn voorzien van minstens
twee dagen fourage. Met veel pijn en moeite werd aan de opdracht voldaan: mannen
en paarden zijn later wel weer veilig thuis gekomen, maar voor de geleden schade
werd geen cent uitbetaald.
|
In
het laatste bezettingsjaar 1812 volgde nog een belangrijke beslissing voor deze
omgeving. Het ambt Edewerd opgedeeld in vier zelfstandige gemeentes,nl.Ede,Bennekom,Lunteren
en Otterlo,met elk een eigen maire en gemeenteraad. Een jaar later kwam een einde
aan de Franse overheersing tot opluchting van de bevolking en kon de bejaarde
heer Esser de nationale driekleur van de Edese toren laten wapperen. Een eeuw
later in 1913 werd ook in Ede uitbundig het honderdjarig onafhankelijksfeest gevierd. |
H.J.Nijen
huis

