Het park Maanen (2

In tegenstelling tot het oude dorp Ede, waarvan men aanneemt dat zich hier tussen de elfde en twaalfde eeuw de eerste bewoners vestigden, is het park Manen, tegenwoordig Ede-Zuid, betrekkelijk jong. Zeker de buurt Manen,
die het grootste deel van de daar aanwezige gronden in bezit had, bestond al honderden jaren. Reeds van de tweede helft van de zeventiende eeuw dateren de buurtboeken waarin het doen en laten van deze buurt wordt vermeld. Ook stonden er op dit uitgestrekte gebied, zo ongeveer vanaf "het Pakhuis" tot en met de Sysseltse bossen, de nodige boerderijen waartussen verspreid wat arbeiderswoningen, maar van een besloten gemeenschap was geen sprake.


De aanleg van de Rhijnspoorweg in 1840, de verbinding tussen Amsterdam en Arnhem, was de eerste stap waardoor deze omgeving enigszins uit haar isolement kwam. Oorspronkelijk lag het in de bedoeling deze
lijn via Wageningen te laten lopen, maar daar waren de vroede vaderen niet bijster op zo'n vuurspuwend monster gesteld. Ook in Ede toonde men zich niet al te enthousiast en besloot, als het dan toch moest, deze nieuwigheid
zo ver mogelijk buiten de bebouwde kom te houden. Dan maar door de buurtschap Manen, die dan ook de benodigde grond voor de aanleg van het traject aan het rijk verkocht.
Hoewel de treinenloop voorlopig nog zeer beperkt bleef in 1877 stopten er in elke richting nog maar vier per dag kreeg men in Wageningen al gauw spijt over het eerder ingenomen standpunt. Er werden pogingen gedaan om
middels een zijtak alsnog verbinding met het station Ede te krijgen. Na heel wat moeilijkheden lukte dit; er kwam een stoomtram, in de volksmond al gauw "Bello" genoemd; het grootste deel van de aanlegkosten werd door
Wageningen betaald. Op 31 januari 1882 werd de lijn in gebruik genomen; mmen maakte van die eerste rit een feestelijke gebeurtenis.

In de versierde wagons namen de plaatselijke autoriteiten van Wageningen plaats onder de vrolijke klanken van de schutterijmuziek uit Nijmegen. Bij de grens met de gemeente Ede werd gestopt en voegden de Edese vertegenwoordigers zich bij hen. Heel Bennekom was uitgelopen om het wonder te zien en zij kregen er
alle mogelijke tijd voor.

Daar de tram door de gehele Dorpsstraat reed, was bepaald dat deze dit gedeelte stapvoets moest rijden. De conducteur stapte uit en liep, gewapend meteen rode vlag, voor de tram uit, ten einde ongelukken te voorkomen. Dit herhaalde zich bij aankomst bij het station Ede; de tram had als begin en eindpunt een eenvoudig wachtlokaal tegenover het begin van de Parkweg. Dus moest telkens met een flauwe bocht de Bennekomseweg worden overgestoken, waarbij de conducteur op voornoemde wijze het overige verkeer waarschuwde. In de twee of drie wagons die achter de locomotief bengelden waren de banken in langs richting geplaatst, waardoor een gezellig babbeltje onder de passagiers sterk bevorderd werd. In de winterperiode stond in het midden van elke wagon een potkachel met ronde voetplaat voor verwarming, die door de conducteur verzorgd werd.


In de jaren dertig kwamen de busdiensten opzetten. Al gauw prefereerde het publiek deze wijze van vervoer. Het treintje bleek niet opgewassen tegen de concurrentie en werd, zeer tegen de zin van Wageningen, opgedoekt. Zaterdag 13 maart 1937 werd de laatste rit gemaakt, die evenals de eerste, in Wageningen startte. Nu was de tram afgeladen met studenten en professoren van de landbouwhogeschool, die er ondanks een tikkeltje heimwee een daverend feest van maakten. Daarna was het voorbij; na ruim vijfenvijftig jaar trouwe dienst verdween de tram, die met haarsukkelgang, de luid klinkende bel en om de honderd meter de gillende stoomfluit, zo'n vertrouwd beeld was geworden. De rails, ondanks het feit dat zij een obstakel voor het verkeer vormden, zijn nog jaren blijven liggen om althans eenmaal per dag nog een goederentrein te laten lopen. Als enige troost Voor Wageningen werd de naam "station Ede" nu gewijzigd in "Ede-Wageningen", zodat deze stad
toch niet uit het spoorwegboekje verdween.


Dit alles had nog weinig invloed op de buurt Manen, al werden in deze omgeving behalve het stationsgebouw ook wat villa's en een hotel gebouwd.
Dat veranderde evenwel toen in het begin van deze eeuw de plannen voor vestiging van een garnizoen in Ede vaste vorm aannamen. Op de buurtspraak van 1900 werd met vrijwel algemene stemmen besloten de grond ten noorden van de spoorlijn en ten oosten van de Stationsweg aan het rijk te verkopen, ten behoeve van de bouw van kazernes. Het bracht fl0.000,- in het laatje die, naar verhouding van hunbezittingen, onder de geërfden werd
verdeeld. In 1902 werd het turfveld verkocht voor bijna f 11.000,-, terwijl in 1904 de Maanderheuvels publiek geveild werden, wat f 18.000,- opbracht. Tevens gingen nog grote percelen in de omgeving van de tegenwoordige Parkweg over in handen van de Amsterdamse firma Cruyff & Co., die het in Ede, mede door het in aantocht zijnde garnizoen, wel zag zitten.
De geërfden vonden het allemaal zeer geschikt; zij kregen meer geld in handen dan zij zich ooit hadden kunnen voorstellen. Veelal werd dit nuttig besteed door de veestapel en inventaris behoorlijk uit te breiden, waardoor
heel wat keuterboertjes in grote boeren veranderden. Voor het buurtbestuur begon nu echter de narigheid: er waren nagenoeg geen bezittingen meer, dus ook weinig inkomsten, terwijl toch talrijke wegen moesten worden onderhouden. Die wegen waren altijd al een zorgenkind geweest; daar moest,constant toezicht op worden gehouden. Van oorsprong waren zij breed van opzet, maar heel wat boeren voegden elk voorjaar bij het ploegen een vore aan hun grond toe, zodat geleidelijk aan slechts een karrenpad overbleef; ook een manier van landwinning.

Op de buurtspraak van 1911 , gehouden in het koffiehuis van Van Laar, werd dan ook besloten de buurt op te heffen. Op 16 november 1911 ging de afrekening naar de gemeente: deze verkreeg de wegen in eigendom met de f 8000,- die nog in kas was, voor het eerste onderhoud, alsmede een paar overgebleven lapjes grond. De buurtbank in de kerk waarop iedere buurt recht had, werd overgedragen aan het kerkbestuur; de buurt Manen was verdwenen. Maar daarvoor in de plaats verrees het park Manen; de firma Cruyff had hier grootse plannen. Er werden wegen aangelegd, kapitale villa's gebouwd en als klap op de vuurpijl verrees het groots
opgezette "Parkhotel". De villa's werden al gauw bewoond, maar het hotel heeft nooit aan de verwachtingen voldaan.

Officieren waarop men sterk had gerekend kwamen er weinig, vreemdelingen zochten veelal een ander logeeradres, terwijl het voor Jan Boezeroen te deftig bleek. Na enkele jaren verliesgevende exploitatie werd het hotel gesloten; het gebouw kreeg daarna verschillende bestemmingen. Zo deed het in de mobilisatiejaren dienst als kazerne voor reserveofficieren en later, in de jaren twintig, verleende het onderdak aan talrijke Limburgse meisjes die bij de ENKA werkten. Toen stond het Parkhotel wel in de volle belangstelling, zij het buiten de hekken.
Militairen en opgeschoten jongens trachtten op alle mogelijke manieren met deze vrolijke meisjes in contact te komen, maar zij werden door een aantal meegekomen nonnen op zorgvuldige wijze tegen onbezonnen daden beschermd.

Nog wat later heeft dr. Plooy, rector van de stichting "Roelof Hart", de voorloper van het Marnixcollege, er met zijn staf lessen in middelbaar onderwijs gegeven. Nu zijn het hotel en de achterstaande villa's allang
gesloopt en staat er een moderne school voor buitengewoon lager onderwijs.
Allerwegen werd in het begin van deze eeuw hier gebouwd, zoals aan de Berkenlaan, de Parallelweg en de Bennekomseweg. De Parkweg begon vorm te krijgen, met als zijtakken de Eerste en Tweede Parkdwarsweg, met zijn rijen aaneengesloten arbeiderswoningen. Men kon aan de bouwstijl duidelijk
merken dat de plannenmakers van buiten Ede kwamen. Het werden nuchtere blokken stadshuizen die in het geheel niet pasten in het landelijke beeld van Ede, dat toen nog over zoveel. bouwgrond beschikte. De naam "park Manen" werd geleidelijk gewijzigd in "Maanderpark" of kortweg "het Park". Geheel ten onrechte sprak men later ook wel van "Oranje Park", maar al werden inderdaad wat wegen naar leden van het koninklijk huis
genoemd, met deze naam ging alle binding met de buurt Manen verloren.


De eerste zaken, vrijwel alle aan de Parkweg, verschenen. Dekker begon een kolenhandel, jarenlang was het de enige; het warenhuis "De Toko", voor die tijd een modern zakenpand, waar niet alleen kruidenierswaren, maar alle mogelijke artikelen te koop waren; Snippenberg begon met zijn later zo bekende bakkerszaak en niet te vergeten de textielwinkel ,,'t Zonnetje" waar Annie Muller jarenlang verkoopster was. Zij verkocht niet alleen, maar
moest er tevens op letten dat de klanten onbeschadigd de winkel uit kwamen. De moeder van de eigenaresse was daar namelijk ook in huis; het oude mensje was niet normaal en bezeten van het idee dat er altijd gestolen werd.
Dus zwierf zij, altijd waakzaam en gewapend met een ellestok, door magazijn en winkel. Pakte een klant argeloos zijn rechtmatig gekochte kaartje stopwol van de toonbank en zij zag dat, dan ontving deze onverwachts een duchtige tik op de vingers, tenzij Annie zoiets bijtijds in de gaten had, wat gelukkig meestal het geval was.

Natuurlijk verrezen er ook een paar cafés; het eerste onder de toepasselijke naam "Nieuw Ede" en café "de Z.H.B.", later altijd naar de naam van de eigenaar, "Leenders", genoemd. De mensen die zich hier geleidelijk aan vestigden kwamen vrijwel allen van buiten. Het merendeel had andere levensgewoonten en opvattingen dan de geboren Edenaar. Geen wonder dat de dorpelingen met een scheef oog naar deze nieuwe wijk keken; zij waren er niet direct gelukkig mee. Sommigen gingen zover te beweren dat uit "het Park" nog geen goede hond vandaan kwam. Omgekeerd spraken de mensen hier minachtend over de conservatieve Edenaren.
Onbekendheid over en weer speelde daarbij een rol; vervoer was er nagenoeg niet en als een dorpeling er niet perse moest wezen, maakte hij niet de lange wandeling. Toch kwamen hier ook mensen wonen die niet alleen oog hadden voor de belangen van het Park, maar in de hele gemeente bekend zijn geworden. Zo heeft bijvoorbeeld Joh. Plooy, schildersbaas van beroep, een belangrijke rol in het openbare leven gespeeld.

Hij kwam in 1912 uit Schiedam naar Ede, als uitvoerder van het Rotterdamse schildersbedrijf Tuynenburg, Muys & Co.dat gevestigd was aan het thans verdwenen Parklaantje.
De bedoeling was voor een half jaar, maar in plaats van dat Plooy na deze periode vertrok, ging de firma en nam hij de zaak over. Plooy was al gauw ingeburgerd; veelzijdig ontwikkeld met een artistieke inslag, vol humor en
sociaal voelend, zat hij al spoedig in alle soorten verenigingswerk. Of het nu sport, muziek, toneel of cultureel werk betrof, zelden deed men tevergeefs een beroep op zijn belangeloze medewerking. Bovendien kreeg hij grote bekendheid door de honderden gedichtjes die hij als "Sjonnie" schreef en die wekelijks in de Edese Courant verschenen. Plaatselijke toestanden of gebeurtenissen werden in deze vorm door hem, al naar gelang het onderwerp, op humoristische, ernstige of satirische wijze onder de aandacht gebracht.


In die eerste jaren klopte het hart van deze buurt in de Eerste en Tweede Parkdwarsweg, die thans zijn verdwenen en waarvoor de Willem Witsenlaan in de plaats is gekomen. Hier woonden allemaal eenvoudige mensen met een onderling sterke band. Opgewekt van aard als zij waren was de geringste
aanleiding genoeg om een feestje op touw te zetten. Op mooie zondagen gingen de stoelen de straat op, speelde er hier en daar een grammofoon en werd er naar hartenlust gedanst. De jongelui waren gek op "meet je pikken", een gooispelletje met centen, terwijl door de ouderen in de openlucht een kaartje werd gelegd. Als er gespeeld werd voor het huis van Oudsten kon er wel eens stagnatie optreden. Zijn vrouw kon namelijk de toekomst voorspellen en zij had een vaste klantenkring. Optimistisch van aard als zij was, kwamen er bij haar veelal zonnige vooruitzichten uit de bus, er terecht van uitgaande dat de gemiddelde mens zoiets liever hoort dan narigheid. Oorspronkelijk werkte zij met koffiedik, maar toen in de mobilisatiejaren de surrogaatkoffie haar intrede deed twijfelde zij aan de kwaliteit van dit product. Dus ging zij over op kaartleggen, waardoor het kon gebeuren dat, als Oudsten met een paar  uren genoeglijk zat te pandoeren en er onverwachts een klant kwam aanzetten, zijn vrouw de kaarten uit hun handen griste met de toelichting: "Ik heb ze nodig, jullie krijgen ze straks weer terug."
Spontane mensen woonden hier; de meesten hadden het niet gemakkelijk, maar lieten zich niet door het leven op de kop zitten. "De zon schijnt voor iedereen en nemen wat je krijgen kunt," was het motto. In de reeds genoemde mobilisatietijd konden gezinnen die ervoor in aanmerking kwamen, elke avond warm eten gaan halen bij de keuken van de infanteriekazernes. Deze mensen ontvingen daarvoor een speciale kaart, maar de koks letten daar nooit op; zij kwakten een paar scheppen in de emmer of pan die hen werd voorgehouden, tot de ketels leeg waren. Deze vrijgevigheid was gauw bekend, waardoor uit vrijwel elk gezin van de Parkdwarsstraten een kind erop uitgestuurd werd. Had je het zelf niet nodig dan was bij een groot huishouden een dubbele portie altijd welkom. Dus was ook Mies van Dijk, zij het clandestien, steeds trouw present. Maar op een avond kwam een onderofficier, al gekleed in zijn onberispelijke uitgaanstenue, controle houden. Mies, die juist zijn portie erwtensoep te pakken had, moest zijn bewijs tonen dat hij niet bezat. "Dan weer terug in de ketel," gelastte de sergeant. Even stond de jongen besluiteloos, pakte toen met beide handen zijn emmer vast en gooide de inhoud vastberaden over het prachtige uniform. Van de ontstane verwarring maakte Mies gebruik om als een haas de poort uit te rennen, maar liet voortaan het eten halen wijselijk aan zijn jongere broer Henk over .

De jeugd had het in die eerste jaren evenmin gemakkelijk; er was nog geen school in het Park te bekennen. Dagelijks moesten zij de lange tocht naar en van het dorp maken om de openbare of, nog verder weg, een van de beide christelijke scholen te bezoeken. Voor de vrije tijd die overbleef waren er weinig ontspanningsmogelijkheden, vandaar dat de wat oudere jeugd zich veelal bij het station ophield. Hangend over de hekken werden alle treinreizigers zorgvuldig bekritiseerd; bij minder goed weer werd uitgeweken naar
het wachthuisje van het treintje Ede-Wageningen. Natuurlijk werden daar de nodige kwajongensstreken uitgehaald, maar politieagent v .d. Brink, de toen nog jonge gezagsdrager van het Park, had zo zijn eigen methode om die streken af te leren, zonder direct met het bonboekje klaar te staan. Had hij een knaap op heterdaad betrapt, dan bracht hij hem naar het arrestantenlokaal naast zijn woning aan de Parkweg. Daar liet hij de dader een uurtje tot bezinning komen, om vervolgens met zijn grote herdershond binnen te stappen. "Pluto, pak hem," klonk het dan en de politiehond sprong op het dodelijk verschrikte slachtoffer toe, om natuurlijk op het laatste moment door v.d. Brink te worden ingehouden. Met de vermaning dat hij bij een volgend maal de hond zijn gang zou laten gaan, kon de jongen naar huis. Op de meeste rakkers maakte dit optreden zo'n indruk dat zij voortaan wel oppasten voor een tweede keer .


Een bijzondere figuur in deze omgeving was Van Bemmel, een man die als militair een aantal jaren in Nederlands Oost-Indië had doorgebracht en toen met een klein pensioen een groot gezin moest onderhouden. De handen stonden bij hem gelukkig niet verkeerd; hoewel hij het niet erg op vaste loondienst begrepen had vast werk is vaste armoe sloeg hij als er voor een paar weken wat te vangen was dit niet af. Maar het liefst bleef hij vrij
man en handelde hij in alle mogelijke en onmogelijke zaken, met als enig vervoermiddel een kruiwagen. Hij kocht en verkocht klein zowel als groot vee en slachtte clandestien om het vlees pondsgewijs in de buurt te verkopen. Een keurmeester werd er niet bijgehaald, want daardoor werd het vlees alleen maar duurder en de kwaliteit niet beter. Als koninginnedag of een ander feest in aantocht was, dan verkocht Van Bemmel enige dagen
tevoren lampions, feestmutsen, toeters en vlaggetjes. Op de dag zelf ging de keukentafel naar buiten, er werden een paar kratjes bier erop gezet en dorstige feestgangers konden bij hem terecht. Groenten en aardappelen,
niets was hem vreemd. Van eventuele vergunningen trok hij zich geen snars aan, Onder het motto "zaken zijn zaken" zag Van Bemmel overal brood in.
Bij een boer had hij eens voor een habbekrats een kist met dertig kuikens gekocht. Op weg naar huis hield iemand hem staande om deze handel te bekijken, waarna hij informeerde of het "Bernevelders" waren, een kippensoort die toen erg in trek was. "Allemaal, niet een uitgezonderd," kwam prompt het antwoord. "Dan wil ik ze wel van je kopen, vraag maar geld."
Van Bemmel noemde het driedubbele van de kostprijs en de koop werd gesloten. Een maand later evenwel komt de koper verontwaardigd aanzetten. Jij bent ook een mooie, die kuikens die je mij hebt verkocht zijn
allemaal haantjes. "Da's mogelijk," aldus Van Bemmel, "maar daarom blijven het toch "Barnevelders" ; daar vroeg je naar, niet om hennen. Zaken zijn zaken."


Voor een grap was Van Bemmel altijd te vinden. In dezelfde straat woonde ook Heil, een niet al te snuggere schoenmaker, die altijd in zijn voorkamer voor het raam schoenen zat te lappen. Op een morgen kwam Van Bemmel langs toen Heil tegen het raam tikte, waarop hij naar binnen stapte. "Jij hebt er verstand van buurman," begon de schoenlapper, "maar ik geloof dat één van de twee biggen die ik verleden week heb gekocht, dood is, da's een strop." Van Bemmel stapte mee naar het varkenshok, bekeek het dier waarop hij als zijn mening te kennen gaf: "Je weet het maar nooit met die beesten, ze zijn ook wel eens schijndood. Leg hem een paar dagen achter de kachel met een bord voer; als t'ie dat leeg vreet, zit er nog leven in." Heil volgde zijn raad op en ging weer naar zijn schoenen. Nu had de man ook nog een hond in huis, die, zodra de kamer weer verlaten was, van de gelegenheid gebruik maakte om haastig het bord leeg te schrokken. 's Avonds ging Heil nog eens kijken; het dier lag nog net zo, maar het bord was leeg. De buurman kon toch nog wel gelijk krijgen. Het proces herhaalde zich nog een paar dagen tot het keutje zo begon te stinken dat Heil argwaan kreeg en aan de raad van zijn buurman begon te twijfelen. Onder grote belangstelling van de buurt werd het dier toen maar in de grond gestopt.


Nog zo'n leuke figuur. Aan de Parkweg woonde Lens, de militaire kleermaker. Een eersteklas vakman die een pracht van een uniform kon maken maar één gebrek had: hij kon moeilijk op dreef komen. Zes leerlingen van de school voor reserveofficieren hadden eens voor hun beëdiging een buitenmodel uniform bij hem besteld. Zoals gewoonlijk, de leveringsdatum was nog ver weg, maakte Lens niet de minste haast. De jongelui begonnen aan te
dringen en eindelijk had hij één jas in elkaar geregen. Toen op een avond weer een aspirant officier kwam informeren hoe het met zijn uniform stond, zei Lens voldaan: ,Het jasje is al klaar, kom maar binnen om te passen.
Opgewekt vertelde deze het in de kazerne aan zijn kameraden waarop geleidelijk ook de anderen kwamen aanzetten. Onverstoord liet Lens de een na de ander dat ene jasje passen dat zover klaar was, stak hier en daar een speld, waardoor allen tevreden waren. Maar dan, als de nood aan de man kwam, werkte Lens rustig dag en nacht door zodat toch alle uniformen, zij het op het nippertje, tijdig klaar waren.


Het Park was vooruitstrevend: men beschikte in die jaren zelfs al over een eigen vuilnisophaaldienst. Tegen een kleine vergoeding haalde een pienter mannetje, Heiveld genaamd, bij winkeliers en wie maar betalen wilde, het
overtollige afval op. Daarvoor had hij op zijn kruiwagen twee grote steek leren laten maken, zodat hij een behoorlijke vracht kon laden, soms zo hoog dat je wel de krui zag aankomen maar niet de man die erachter liep. Waar al dat afval moest blijven was voor hem geen probleem: achter de ijzergieterij, langs de spoorbaan, lag een braak stuk grond en daar kieperde hij het zaakje neer zonder ooit last met de overheid te krijgen.


De ingebruikneming van de ENKA-fabrieken in het begin van de jaren twintig betekende een geweldige uitbreiding van het Park. Honderden werknemers van buiten kwamen naar Ede, voor wie hele woonwijken werden gebouwd. Nieuwe zaken verrezen; zo begon aan het einde van de Parkweg de heer Borst, van beroep schilder, een café. Het punt, lag gunstig,vlak bij de nieuwbouw, en aanvankelijk marcheerde de zaak prima. Later ging de loop er uit en begon Borst in 1927 een schildersbedrijf. Blijkbaar goed bekeken, want het café is allang verdwenen, maar de schilderszaak bestaat nog altijd.
Niet alleen werden arbeiderswoningen gebouwd, de ENKA-directie kocht ook heel wat woningen voor hoger personeel, onder andere de rijen huizen aan de Berkenlaan, Parallelweg, en de Parkweg en alleenstaande woningen aan de Bennekomseweg. Daar stond ook een bescheiden huisje van een kippenboer, knap verwaarloosd maar op een mooi punt. Eenmaal aangekocht werd het grondig verbouwd; kosten noch moeite werden gespaard om er een mooie villa van te maken. Dat mocht ook wel want de villa was
bestemd voor directeur Hartogs, die in Arnhem woonde. Toen het geheel klaar was had mevrouw geen zin om in Ede te gaan wonen: zij bleef liever in de stad, Later werd de directeur, althans zijdelings, eens verweten hoeveel
geld er in dit huis gestoken was. Glimlachend antwoordde deze: "Och, voor dit bedrijf is het maar een bagatelle." Er trok een andere functionaris van de fabriek in; het huis werd "Bagatelle" gedoopt en deze naam heeft jarenlang die voorgevel gesierd.

Een andere belangrijke aankoop die de directie in 1922 deed was gebouw "Reehorst", Deze in Zwitserse stijl uitgevoerde villa, omgeven door zware bomen en met eén grote moestuin en kwekerij, was in 1885 gebouwd door de heer G.W. graaf van Rechteren-Appeltern. Kort daarvoor had deze zijn bezittingen,het tegenwoordige Oranje Nassauoord in Renkum,verkocht aan koning Willem 111.De graaf verkocht het landgoed  in 1892 aan de christelijke vereniging voor verzorging van krankzinnigen en zenuwlijders . De vereniging wilde er een verpleeghuis van maken ,maar bij nader inzien vond men de nabijheid van de spoorbaan te bezwaarlijk,waardoor de plannen niet door gingen , de villa kwam weer onder de hamer . De nieuwe eigenaar O.E.G. Quarles van Ufford,heeft er nog wat verbouwingen aan uit laten voeren, maar bij overname door de ENKA stond de villa al geruime tijd leeg. Het gebouw kreeg een nieuwe bestemming: het werd ontspanningsoord voor
ENKA-personeel. Heel wat gezellige feesten zijn daar gehouden; verschillende verenigingen zoals de "ENKA-Harmonie" vonden er onderdak, maar het geheel bleef ondoelmatig. Men nam geen halve maatregelen: aan de Bennekomseweg werd een modern gebouw neergezet (met een grote bioscoopzaal), dat in 1930, opnieuw onder de naam "De Reehorst", in gebruik werd genomen, waarna de oude villa werd gesloopt. Thans is het complex gemeentelijk bezit. De omliggende grond werd benut voor het aanleggen van een sportpark, terwijl er tevens een sporthal verrees.
Zoals gezegd deed de komst van de ENKA-fabrieken het Park Manen in korte tijd een grondige verandering ondergaan. Ook hier verdween het gemoedelijke beeld van bewoners die als buren met elkaar omgaan. Daar stond tegenover dat het isolement werd opgeheven; alras werden er scholen geopend, twee christelijke, de één bekend als de school van meester Hoek, de ander als de "Koepelschool". Wat later verrees nog een openbare school aan de Kerkweg.

 

De kerken lieten zich voorlopig nog niet veel aan 't Park gelegen liggen; de katholieken hadden hun bedehuis aan de Stationsweg nog vrij dichtbij, maar protestanten moesten elke zondag de lange wandeling
naar het dorp maken, wat nog tot vrij lang na 1945 zou duren. Om daaraan tegemoet te komen werden in een vroegere directiekeet evangelisatiebijeenkomsten georganiseerd, bedoeld voor alle gezindten. Ten einde iedereen de gelegenheid te geven zijn eigen kerk te bezoeken, werden deze uitsluitend op zondagavond gehouden. Deze evangelisatievereniging, bekend onder de naam "Het Visnet", heeft daar in het Park pionierswerk op kerkelijk gebied verricht.

Bekende evangelisten zoals de heren Radstake en Kit, de families Van Gent en Onck alsmede de heer Scholten hebben zich hier zeer verdienstelijk gemaakt. Zeer bekend was de viering van het jaarlijkse kerstfeest
waaraan veel mensen uit de omgeving deelnamen die vrijwel nooit in een kerk kwamen. Op zaterdagavonden werd de jeuJ,d van de straat gehouden door ze te laten knutselen en de kunst van figuurzagen en houtsnijden bij te brengen. Ook dit is allemaal verleden tijd; de mensen die zich daarvoor hebben ingespannen; wie zal zich hun naam nog herinneren? Na de enorme uitbreiding sedert 1945 is zelfs de naam "Het Maanderpark" vrijwel verdwenen; het is Ede-Zuid geworden en vormt nu een groot geheel met Ede-West en het centrum.


H. J. Nijenhuis