Wie
kan zich bovenstaande leuze die vlak na de oorlog. In 1946, te Lunteren zoveel
opgang maakte,nog berinneren. Het is nog niet zo gek lang geleden maar toch wel
aardig, deze geschiedenis, die ook in de gemeenteraad nogal deining veroorzaakte,
op te rakelen. Trouwens Lunteren was niet het eerste dorp in onze gem. dat zelfstandig
wilde worden. Bennekom had reeds twee maal eerder daartoe een poging ondernomen.
Beide dorpen bezaten blijkbaar nog een vage herinnering aan het feit dat
zij eens, zij het voor korte tijd, een eigen gemeente vormden.
Wij moeten daarvoor
een beetje in het verleden duiken, daarbij "De geschiedenis van Ede",
als leidraad gebruikend. |
|
Met
ingang van 1 januari 1812, tijdens het Franse bewind, werd het oude ambt Ede in
vier zelfstandige gemeenten verdeeld t.w. Ede, Lunteren, Bennekom en Otterlo,
ieder met een eigen burgemeester, of naar het Franse woord, "maire" genaamd.
Waarom dit gebeurde is niet duidelijk, vermoedelijk met de gedachte dat vier gemeentes
meer belasting zouden opbrengen dan één.
De Franse prefect in
Arnhem, waaronder ook Ede ressorteerde had alleen daarvoor belangstelling. Het
besturen van de vier gemeentes liet hem koud, als maar aan de financiële
verplichtingen stipt op tijd werd voldaan. Ede was met 1798 inwoners, de grootste
gemeente, tot maire werd hier benoemd Mr. C. B. de Vries en tot adjunct-maire
Kleinhoonte.
Daarbij werden nog acht bestuursleden aangewezen die samen de
gemeenteraad vormden. Bij de aanvaarding van hun ambt moesten zij de eed van
trouw aan de keizer afleggen. Van dit gemeentebestuur ging niet veel uit, men
had alle tijd nodig de belastingcenten bijeen te brengen, zodat de rest erbij
inschoot. Bovendien boterde het niet tussen Mr. de Vries en zijn secondant Kleinhoonte.
Deze
laatste verweet de burgemeester dat hij zijn taak verwaarloosde, vaak veel te
diep in het glaasje keek, hetgeen talrijke represaille maatregelen veroorzaakte.
Toen dan ook de bevrijding van het gehele land een feit was en er orde op zaken
werd gesteld, bleek Mr. De Vries als burgemeester niet te handhaven. Hij zag echter
tijdens zijn verdediging kans ook Kleinhoonte een en ander in de schoenen te schuiven,
met gevolg dat beiden begin 1814 van hun functies werden ontheven. Tot opvolger
werd benoemd dokter Reinier Burggraaf, zij het weer onder de aloude benaming van
"schout".
Na Ede kwam, wat aantal inwoners betreft (1328),
Lunteren, hier werd als maire aangesteld Wouter Roelofsen met als adjunct- maire
E. F. Roelofsen en eveneens een gemeenteraad van acht personen. De burgerij moest
hier, naast de belastingen, zelfs de nationale feestdagen, die als Napoleon
een overwinning had behaald werden bevolen, organiseren en betalen.
Ook werden
in Lunteren jongemannen geprest om dienst te nemen in het leger en moesten de
boeren op bepaalde tijden paarden leveren.
Heel eigenaardig dat de laatste opdracht
nog moeilijker te verwezenlijken bleek dan de eerste,maar genoemde prefect die
ook hier alles regelde, was lang niet gek .Werden op de vastgestelde dag niet
voldoende paarden aangevoerd, dan trok hij verder de Veluwe op en kocht ze daar,
maar dan op kosten van de gemeente Lunteren. De gemeenteraad en vooral burgemeester
Roelofsen, had het niet gemakkelijk met al die opdrachten.
De maire werd in
1813 niet minder dan acht maal op het matje geroepen bij de prefect in Arnhem
om verantwoording af te leggen. Wel was hij zo link om telkens reis en verteringskosten
in rekening te brengen.
Geen wonder dat ook in Lunteren de bevrijding nog
dat zelfde jaar, met vreugde werd begroet.
Otterlo, waarbij ook Harskamp
en een gedeelte van Wekerom behoorden, vormde met 628 inwoners, verreweg de kleinste
gemeente.
Hier werd G. Pothoven tot maire en I. Schut als adjunct-maire benoemd,
terwijl de gemeenteraad zes leden telde. Die Pothoven zal wel de handen vol gehad
hebben, hij was reeds schoolmeester, koster, voorzanger en doodgraver toen hij
ook nog tot burgemeester werd gebombardeerd.
Deze kleine gemeente ontkwam
evenmin aan de belastingaanslagen, in 1814 bedroegen deze niet minder dan duizend
gulden. Van de troepen verplaatsingen in de winter 1813-14 had Otterlo minder
last, daar het niet aan bestaande verkeerswegen lag. Wat dat betreft kwamen zij
er genadig af, zeker vergeleken met Bennekom, de laatste gemeente die wij even
memoreren.
In Bennekom werd als maire aangesteld de heer Th Prins met
als adjunct-maire zijn zoon H. T. Prins. Zij waren telgen uit een zeer oude Bennekomse
familie die, aan het begin van de Dorpsstraat de statige villa" Prinsenhof" bewoonde,
de villa werd in 1924 gesloopt. Reeds tal van jaren hadden leden van dit geslacht
overheidsfuncties bekleed. Zo was deze Th. Prins in 1799 zijn vader opgevolgd
als ontvanger van het ambt Ede, geen wonder dat bij de splitsing in 1812 hij de
aangewezen man werd geacht om burgemeester van Bennekom te worden. Na de val van
Napoleon had Bennekom veel te lijden van doortrekkende troepen, die rustig paarden
en wagens van particulieren op straat in beslag namen.
De vreemdste opdrachten
kreeg burgemeester Prins op zijn dak geschoven, zoals op 7 januari 1814 toen hij,
op straffe van represaillemaatregelen, order kreeg, ten behoeve van de veldbakkerijen,
binnen twee dagen, tweeduizend takken bossen te leveren. Hoewel Bennekom veel
bossen bezat, zag de heer Prins daar op zo korte termijn onmogelijk kans toe,
hij kwam niet verder dan vijf vim schelhout (een vim is honderd bossen) en
twee vim takkenbossen. Toen die opgestookt waren trokken de troepen, tot opluchting
van alle Bennekommers weer verder .
Op 1 januari 1818 werden de vier
gemeenten weer samengevoegd, de vier burgemeesters verdwenen van het toneel om
plaats te maken voor Mr. E. D. Meurs, aan wie de aloude titel "schout van
de gemeente Ede", werd gegeven. Deze overleed betrekkelijk jong, in 1822
en werd opgevolgd door H. Th. Prins, een zoon van de vroegere Bennekomse maire,
aanvankelijk ook nog als schout, maar in 1825 werd het definitief burgemeester.
Tientallen jaren was er rust en vrede in onze gemeente, tot, even nadat in 1896
Jhr. F. S. op ten Noort als burgemeester in Ede intrede had gedaan, Bennekom een
poging ondernam om zelfstandig te worden.
Het boterde al geruime tijd niet
meer tussen gemeentebestuur en een aantal Bennekommers .Bennekom had zich in de
loop der jaren ontwikkeld als een pensionplaats van "standing" en heel
wat gegoede stedelingen hadden er tevens aangetrokken door de fraaie en rustige
natuur, een villa laten bouwen.
Daardoor was het een deftig dorp geworden met
veel welgestelde inwoners, die hoog werden aangeslagen bij de personele belasting.
De Bennekommers stelden zich nu,niet geheel ten onrechte, op het standpunt dat
het geld door hen in de gemeentekas gestort, ook uitsluitend voor Bennekom besteed
zou worden.
De gemeente wilde daar niets van weten. dus zochten de Bennekommers
het hogerop. In 1896 werd door Mr. A. C. v. Dalen, die een villa bewoonde op de
plaats waar nu het Bart van Elst-plantsoen is tezamen met enige andere vooraanstaande
inwoners, een adres naar Ged. Staten gezonden.
Hierin zetten zij hun bezwaren
uiteen: ondanks dat zij het beste de gemeentekas spekten, werd aan het onderhoud
van wegen of andere plaatselijke belangen vrijwel niets gedaan. Resumerende werd
erop gewezen dat zij financiëel beter hun eigen boontjes konden doppen
en verzochten genoemd college Bennekom tot zelfstandige gemeente te verheffen.
Ged.
Staten stuurde dit schrijven om advies naar de gemeenteraad van Ede, waar het
op 17 april 1896 werd behandeld. Daar maakte het natuurlijk geen enkele kans.
Naar recht en billijkheid werd een zevende gedeelte van alle inkomsten aan Bennekom
besteed, terwijl in de hele gemeente de wegen slecht waren. Dat er in Bennekom
veel kapitaal-krachtige mensen woonden, was in ieder geval prettig voor de middenstand.
Tevens werd er op gewezen dat drie van de vijftien raadsleden uit Bennekom
kwamen en deze nog nooit een klacht hadden geuit. Door dit afwijzend advies was
wel de afscheiding van de baan, maar Bennekom geenszins tevreden.
Tien jaar
later dienden zij, met vrijwel dezelfde argumenten, opnieuw een verzoek tot zelfstandigheid
in, ditmaal onder aanvoering van de heer A. J. Schimmelpenninck v. d. Oye. De
procedure had hetzelfde verloop, alleen bleek bij behandeling in de Raad, dat
de drie Bennekomse raadsleden behoorlijk bewerkt waren. Het trio verdedigde thans
het voorstel met alle mogelijke middelen, maar tevergeefs, met elf tegen drie
stemmen
werd opnieuw besloten Ged. Staten te verzoeken afwijzend op het verzoekschrift
te beschikken, hetgeen prompt gebeurde. Na deze tweede mislukte poging gaven de
Bennekommers de strijd definitief op.
Hoewel zeer beknopt, zijn we door dit
stukje geschiedenis nog niet toegekomen aan de eigenlijke titel van dit verhaal,
reden om volgend maal nader In te gaan op het streven van Lunteren.
H.J.Nijenhuis

