Onlangs vonden we een oud verhaal over twee Bennekomse bakkers die elkaar het leven zuur maakten, maar
dat toch, zoals het behoort, goed afliep. De schrijver werd niet vermeld, maar zonder nu direct plagiaat te willen plegen of voor de waarheid te kunnen instaan, blijft het toch wel aardig, zij het met eigen woorden,
deze geschiedenis nog eens op te rakelen.
Zoals reeds gezegd, het gebeurde is al heel oud en moet zich in 1790 hebben afgespeeld. Bennekom was destijds een bescheiden dorp en bezet nog lang niet de bekendheid als pensionplaats die het later zou krijgen. Tot de kleine middenstand behoorden twee bakkers, Jan Gerrits en Klaas v.d. Wilgen, die, ondanks het vrij geringe aantal inwoners, beide een redelijk bestaan konden hebben, daar brood nu eenmaal
een dagelijks terugkerend voedingsmiddel is. Maar helaas, de twee waren beide tuk op geld, en mede daardoor,
felle concurrenten die geen middel onbeproefd lieten om elkaar een hak te zetten of klanten af te troggelen. Jan
trachtte de vrouwen op zijn hand te krijgen door op een half pond koekjes er een paar extra te geven, terwijl kinderen altijd op een snoepje konden rekenen.
Klaas zocht zijn heil bij het sterke geslacht. het kwam nogal eens voor dat één maal per week, op zaterdagavond, als het weekloon binnen was, werd afgerekend. Die taak nam het hoofd van het gezin graag op zich
want hij kon dan bij v.d. Wilgen rekenen op een gratis borrel. Laatstgenoemde was er ook mee begonnen bij gezinsvermeerdering, de kraamvrouw te verrassen met een tulband, waarop Jan het antwoord niet schuldig bleef door een goed gevuld krentenbrood aan hetzelfde adres te laten bezorgen. De klanten vonden het allemaal prachtig en keken telkens uit naar een nieuwe stunt van beide bakkers, die niet beseften dat zij eigenlijk elkaar de das omdeden.
Evenals in veel andere plaatsen werd ook in Bennekom een paar dagen kermis gehouden. Dat gebeurde omstreeks half october de oogst was binnen, de aardappelen van het land, dus een periode van hard werken achter de rug; een gerede aanleiding om de bloemetjes eens buiten te zetten. Op het kerkplein verrees een draaimolen, in beweging gebracht door een overjarig paard; men kon op de kop van Jut slaan, de dikste dame ter wereld bewonderen of zich de toekomst laten voorspellen Verschillende kooplieden, veelal van buitenaf, stapelden hun kramen vol met verleidelijke, vaak op het platteland onbekende artikelen, die zoal geen kopers in ieder geval volop kijkers trokken.
Tot de plaatselijke attracties behoorde de z.g. "knapkoek", een versnapering die, volgens een oeroud recept, uitsluitend voor de twee kermisdagen werd gebakken en gretig aftrek vond bij boeren en buitenlui.
Voor beide bakkers vormde de kermis dan ook hoogtij dagen, waar wat extra's te verdienen viel, maar ook hier bleef de concurrentiestrijd een rol spelen.
De kermis van 1790 stond voor de deur. Jan Gerrits brak zich al enkele dagen het hoofd hoe hij ditmaal de
grootste omzet kon verwerven. De samenstelling van knapkoek was beide bakkers precies bekend, daar viel niet
aan te tornen en toch moesten zijn producten smakelijker worden dan die van v.d. Wilgen, maar hoe!
Het moest natuurlijk aan het deeg liggen. daarop voort bordurende, ontwikkelde hij een slim, maar wel zeer
minderwaardig plan. Op de vooravond van de kermis, werd, naar gewoonte, het beslag voor de knapkoeken reeds klaar gemaakt, om, na een nacht rijzen, de volgende ochtend in alle vroegte met bakken te beginnen. Nadat Jan die avond zijn eigen deeg gereed had, sloop hij in het donker naar de bakkerij van v .d. Wilgen en loerde voorzichtig door een bescheiden raampje. Ook Klaas was vrijwel klaar met kneden: plotseling klonk vanaf de achter een stem: "Klaas kom je koffiedrinken?"
Een goedkeurend gemompel volgde: de man draaide zijn olielamp wat lager en slofte naar binnen. Dat was voor Jan het moment zijn duivelsplan ten uitvoer te brengen. Hij glipte de bakkerij in ,nam uit een vaatje een flinke lepel
groene zeep en roerde die zorgvuldig door het klaargemaakte deeg. Daarna bekeek hij zijn werk met welgevallen: er was niets bijzonders aan de massa te zien. De knapkoek van Klaas zou deze kermis wel een heerbijzondere smaak bezitten.
Allerminst gekweld door gewetenswroeging, daar had de jarenlange na ijver wel voor gezorgd, liep hij terug om zijn eigen deeg nog even te controleren. In zijn bakkerij gekomen zag hij in het schemerig licht, tot zijn verwondering, een paartje zitten. "Hé, wat moet dat hier," informeerde Jan verbaasd. De jongen kwam overeind en nu herkende hij zijn eigen zoon Gerrit. Nou ja, de jongen was oud en wijs genoeg; alleen had hij voor zijn vrijerij wel een andere plaats kunnen uitzoeken. Vervolgens bekeek hij het meisje en stond perplex; dat was Jannigje, een dochter van zijn aartsvijand v.d. Wilgen. Jan Gerrits stond op het punt een serie verwensingen los te laten, maar de jongen was hem voor. "Luister eens, we hebben al een hele tijd verkering, maar omdat we
vaders hebben die elkaar niet kunnen luchten of zien, dorsten we niets te zeggen. Morgen gaan we echter samen kermisvieren, dan ziet het hele dorp ons en jullie waarschijnlijk ook, daarom is het beter dat je nu weet." De
jongen pauzeerde even waarna het klonk: "Ik wil je alleen nog zeggen, je kunt er voor of tegen zijn, maar wij
zullen elkaar nooit in de steek laten."
Jan was nog steeds niet van zijn schrik bekomen; zijn enige zoon wilde uitgerekend met een v.d. Wilgen trouwen.
De twee stonden in afwachting, tot het er eindelijk uitkwam: "We praten er nog wel over", waarna zij opgelucht verdwenen.
Jan ijsbeerde nog een tijdlang door zijn bakkerij en slenterde tenslotte, vol warrige gedachten huiswaarts waar hij
op een stoel neerzakte. Hij bleef piekeren zodat zijn vrouw tenslotte vroeg: "Is er wat, je bent zo stil?" "Nee mens,
maar ik ben hartstikke druk geweest, laten we maar de bedstee opzoeken, is het weer vroeg dag". Maar
hij kon de slaap niet vatten. pas nu drong het goed tot hem door wat misselijke streek hij zo juist had uitgehaald
bij de man, die binnenkort de schoonvader van zijn zoon zou worden. Nog erger, ongetwijfeld ontstonden nu, door
wederzijdse verjaardagen en over en weer familiebezoek, bepaalde banden tussen beide bakkers, waarbij hij zich altijd bezwaard zou voelen door het gebeurde van deze avond. Daarna begon hij te piekeren hoe de zaak ongedaan gemaakt kon worden, maar dat leverde niets anders op dan alsmaar rusteloos omdraaien in de nauwe
slaapplaats, tot ergernis van zijn vrouw.
Ineens had hij het: als de knapkoeken van Klaas niet te eten waren, dan de zijne ook niet. Na deze phynrusoverwinning lukte het hem nog enkele uren te slapen.
De volgende morgen was hij al vroeg in zijn bakkerij. Het was een hard gelag, maar hij nam een zelfde portie groene zeep en mengde dat door zijn eigen nu prachtig gerezen deeg. Met een zware zucht zette hij de winst, die hij deze kermisdagen had gedacht binnen te halen, uit zijn hoofd: berouw komt nu eenmaal na de zonde. Wel was hij zo verstandig slechts een kleine voorraad te bakken; ze werden immers toch niet verkocht: het zou nog de vraag zijn of de varkens dit baksel wilde vreten.
De kermis begon met een stralende najaarsdag. In opgewekte maar nog rustige stemming (de drank zou pas
later op de dag haar invloed laten gelden), kwamen de mensen aanzetten.
Gewoontegetrouw stond Klaas met zijn kraam vol vers gebakken knapkoeken voor op het kerkplein en Jan wat meer naar achteren. AI gauw verkocht v.d. Wilgen de eerste koeken, maar wat nog wat nog nooit was voorgekomen, de altijd zo smakelijke lekkernij bleek ditmaal bijkans niet te eten. De kopers
staken hun mening niet onder stoelen of banken: "Maar man, wat heb je nou klaargemaakt, ze zijn niet te eten: we
halen ze wel bij Gerrits. Helaas, ook Jan had er blijkbaar met de pet naar gegooid; het was van 't zelfde laken
een pak. AI gauw werd het alom bekend; deze kermis geen knapkoeken en slechts spullebazen werden er beter
van. de kermis gangers konden nu meer geld aan de verleidelijke zaken besteden. Klaas v.d. Wilgen begreep er
niets van: hoe was dat in vredesnaam mogelijk. jarenlang had hij, tot ieders tevredenheid de beroemde koeken gebakken. Wel gaf het hem een kleine voldoening toen hij hoorde dat de producten van zijn concurrent even onsmakelijk waren, maar de strop werd er niet minder door . Overigens lanceerde Jan al gauw het praatje dat de meelhandelaar uit Arnhem, van wie beide hun grondstoffen betrokken, hen ditmaal bedorven meel had geleverd.
Daarmede was althans hun gezicht gered; de dorpelingen wisten nu dat dem mislukking van de koeken in ieder geval niet de plaatselijke bakkers verweten kon worden.
Zoals reeds in de aanvang vermeld; de geschiedenis kreeg een "happy end. De verkering van Gerrit en Jannigje was inderdaad op vaste grond gebouwd en op hun voorstel werd de eerste kerstdag ten huizen van v.d.
Wilgen een verzoeningsbijeenkomst gehouden. De avond begon wat stroef maar toen wat later de fles op tafel
kwam, werden verschillende kwesties uitgepraat en uiteindelijk de strijdbijl voorgoed begraven. Natuurlijk kwamen ook de mislukte knapkoeken ter sprake en Jan, die zich begrijpelijker wijze van de domme hield, stelde zelfs
voor, als straf van meelhandelaar te veranderen. Dat ging Klaas echter te ver: iedereen kan wel een fout maken
en "zelf hebben we ook wel dingen gedaan die beter achterwege hadden kunnen blijven," zo besloot hij vergevingsgezind. Het volgend voorjaar trouwden Gerrit en Jannigje in aanwezigheid van beide volledige familie's en datzelfde najaar smaakte de kermis tractatie weer als vanouds. Jammer, het recept is verloren gegaan en vandaag de dag worden in Bennekom geen knapkoeken meer gebakken.
H. J. Nijenhuis

