Het terrein ten zuiden en ten noorden van de Oude
Kerk in Ede is eigenlijk van historische betekenis.
De gewone man werd vroeger
na zijn overlijden buiten de kerk begraven, voorname personen vonden
hun rustplaats
binnen in de kerk. In 1828 werd een begraafplaats aan de oostzijde achter de kerk
aangelegd,
waarbij tevens werd bepaald dat elders begraven niet langer was
toegestaan.
Hoewel dit allereerste kerkhof van Ede in de kom van het dorp lag,mwas
het toch heel moeilijk te bereiken. De Paasbergerweg liep toen nog vanaf de huidige
Grotestraatn tussen het huis van de koster in 1914 omgebouwd tot pastorie en
hotel Het Hof van Gelderland naar de Achterdoelen. Dit nauwe steegje met ettelijke
krappe bochten betekende vooral voor de lijkwagen een moeilijk traject, waar de
begrafenisstoet nog wel eens bleef steken.
Men besloot daarom een stuk van
het zuidelijk kerkplein te gebruiken om de Paasbergerweg recht door tekunnen trekken.
Bij de aanleg van de riolering in 1932 kwamen in dit ngedeelte tal van
skeletten en stukken grafsteen naar boven. In 1853 werd voor Ede een weekmarkt
ingesteld, waarvoor de gemeente tegen , zeven en een halve gulden per jaar een
stuk van het kerkplein huurde.
De markt floreerde niet naar wens, leed een
kwijnend bestaan en werd tenslotte opgeheven. Wel werden in de ruimte onder in
de toren nog een tijd lang boter en eieren verhandeld. Inmiddels waren zowel het
noordelijk als zuidelijk kerkplein met iepen beplant. De bomen vormden naar
mate ze groeiden een
fraaie omlijsting voor toren en kerk, zoals op oude kaarten
nog duidelijk is te zien.
Tussen de bomen liepen straatjes van gele
klinkers naar de toegangsdeuren van de kerk. In 1935 kwam
men tot de ontdekking
dat de bomen waren aangetast door de gevreesde iepziekte en geveld moesten worden.
Het geheel werd er niet mooier op. Aan weerszijden van de kerk weer troosteloos
kale grond. De sfeer was verdwenen en de dorpelingen hadden er geen goed woord
voor over.
De kerkenraad wilde graag een nieuwe aanplan van linde of eik maar
de toenmalige directeur gemeentewerken zag het anders. Door het vellen van de
bomen waren de monumentale kerk en toren pas goed zichtbaar geworden. Men diende
zich nu te bepalen tot een afrastering met behoud van de klinkerstraatjes met
daar tussen wat lage heesters.
Aldus werd uiteindelijk besloten. Aan de Paasbergerweg
kwam een eenvoudige ligusterhaag werd gepoot.
Het gedeelte van de Grotestraat
werd afgesloten door een laag stenen muurtje ,al gauw een mooie zitplaats voor
de opgeschoten jeugd met een smalle en brede doorgang: de laatste bestemd voor
trouwstoeten.
Op het noordelijk plein verdween het brandweerhuisje en werd
de oostelijke zijde begrensd door enkele weliswaar oude ,maar zeer karakteristieke
huisjes,die helaas al lang zijn verdwenen. Men bemerkt het uit deze paar regels
:het kerkplein heeft in de loop der jaren de nodige veranderingen ondergaan,maar
wel is de wind gebleven,die verraderlijk om de hoeken van toren en kerk kan blazen
en het verblijf op de kerkpleinen niet altijd aangenaam maken.
 
|