In
mijn jeugd speelde ook de kerk nog een rol van betekenis in onze dorpsgemeenschap,
daarom ditmaal wat herinneringen aan de kerkgang van die dagen.
Sinds onheugelijke
tijden was de oude Ned. Herv. kerk de enige en onwankelbare toeverlaat voor de
Edese gelovigen geweest, al zagen sommigen daarvan alleen op Oudejaarsavond de
kerk van binnen. Blijkbaar waren die laatsten van mening dat deze avond het gehele
jaar kon goedmaken, geen plaats was dan onbezet.
Omstreeks 1886 kwam evenwel
de grote scheuring en reeds in 1887 konden de zgn. dolerenden hun eigen kerk,
de tegenwoordige Gereformeerde Noorderkerk in gebruik nemen. Na verloop van een
aantal jaren ,men had zich zo zoetjes aan bij deze afscheiding neergelegd zouden
meer richtingen volgen .
In 1913 werd de Evang.Luth. Gemeente
gesticht, die haar eerste dienst in het Militair Tehuis aan de Maanderweg hield
en in 1918 haar eigen kerkgebouw aan de Beukenlaan kon inwijden. Een jaar later
in 1914 ontstond de Geref. Gemeente, die een lokaal aan het Bettekamperpad liet
bouwen, al spoedig bekend als "het Mollenkerkje".
Vervolgens verrees
de kerk van de Ned. Protestantenbond aan de Ericalaan, in 1923 gevolgd door de
kerk van de Chr. Geref. Gemeen te aan de Bergstraat. Tenslotte, mede door de komst
van vele nieuwe plaatsgenoten dank zij de vestiging van het garnizoen en de A.
K .U .fabrieken waaronder vele Katholieken ,werd in 1921 het R. K. kerkgebouw
aan de Stationsweg, zij het voorlopig nog als noodkerk, ingezegend.
Dat waren
zo ongeveer de kerken in het midden der twintiger jaren. In nog geen halve eeuw
was het, tot dusver zo eensgezinde godsdienstige leven in Ede, in verschillende
stromingen uiteen gevallen .
Morgendienst, mannendienst.
Mijn ouders behoorden
tot de Hervormde of, zoals de volksmond het uitdrukte, Grote Kerk. Het was gewoonte
dat de kinderen al heel jong werden meegenomen, jeugddiensten waren nog onbekend
en onder het motto: "baat het niet, dan schaadt het niet", heb ik heel
wat zondagochtenden in de kerk doorgebracht. De morgendienst
werd voor het merendeel door mannen bezocht; moeder de vrouw had dan voor het
middageten en het zondagse kopie koffie te zorgen, die ging dan naar de middag,
of in de zomerdag, de avondpreek. Voor velen was er voor dit gescheiden gaan
nog een belangrijke reden: de zitplaatsen. Deze werden nl telkens voor één
jaar, verpacht en vooral de minder bedeelden vonden, uit financieel oogpunt althans
bekeken, één plaats voldoende waardoor zij beurtelings ter kerke
gingen. Helemaal zonder was ook niet mogelijk, één plaats moest
een fatsoenlijk mens hebben, het stond zo armoedig als je op de vrije plaatsen
moest gaan zitten . Nog erger stond de man of vrouw voor schut, die argeloos in
een bank had plaats genomen en plotseling van de rechtmatige bezitter een tik
op de schouder ontving, waarin het gebod opgesloten lag, zo gauw mogelijk op te
krassen .
Geniale vondst
Met dit verhuren was men
ongeveer in 1750 op bescheiden schaal begonnen; de toenmalige kerkeraad had ook
al moeite de eindjes aan elkaar te knopen en vond deze oplossing. Het bleek
een geniale vondst, die zo doorgewerkt had, dat in deze jaren alleen het laatste
gedeelte van koor en gaanderij niet verpacht werd. Ook waren er aan de rechterzijde
van het ruim wat plaatsen, in de volksmond "de gemene banken" genoemd,
waar een ieder zonder bezwaar kon gaan zitten.
Van de rest kon ook niet alles
verpacht worden, daar er nog altijd families waren die een z.g. "eigen plaats"
bezaten, door koop of erving verworven, soms generaties lang. Al zetten zij nooit
meer een voet in de kerk, dat recht was onverbrekelijk. Ook de Buurt bezat vier
plaatsen, die echter weer verhuurd werden en daardoor een kleine bron aan inkomsten
vormden.
|
Eveneens
bekend was de bank van Graaf Bentinck, de laatste in de Dorperhoek, omtimmerd
door een fraaie kap en versierd met lofwerk.
In de laatste week van het jaar
vond de verpachting plaats; afslager Scherrenburg was present alsmede de kerkvoogden,
talrijke gegadigden en dikwijls ook de rentmeester van Graaf Bentinck, waaruit
duidelijk blijkt dat deze familie in die dagen nog een belangrijke invloed op
de Edese dorpsgemeenschap uitoefende.
Erg in trek waren de plaatsen van de
Maanderhoek en de eerste helft van het ruim, ook wel schip van de kerk genoemd.
De Dorperhoek, aan de Noordzijde was, evenals het koor, minder in aanzien; vandaar
uit had men geen goed gezicht op de kansel.
Ook maakte het verschil, of men
een plaats voor in een bank op de kop kon tikken of genoegen moest nemen met één
meer achterin. In dit laatste geval moesten alle mensen opstaan als deze bezitter
wat op het nippertje kwam en zelfs in de kerk waren het dan lang niet altijd vriendelijke
gezichten die de laatkomer aankeken. |
| |
|
Plaatsen
bij opbod
De prijzen varieerden van ongeveer tien tot vijfentwintig gulden,
maar konden veel hoger oplopen als twee mensen toevallig hun zinnen op dezelfde
plaats hadden gezet en, tot heimelijke voldoening van de kerkvoogden, tegen elkaar
gingen opbieden. Meestal was iemand aan een bepaalde plaats gehecht en als
een ander daar ook zijn oog op liet vallen, kon het soms hard tegen hard gaan.
Het werd nu een prestige kwestie en hoewel de bieders zich meestal wel wisten
te beheersen, kon men aan de gelaatsuitdrukkingen zien, dat hun gedachten alles
behalve in overeenstemming waren met de plaats waar zij zich bevonden. Natuurlijk,
de minstbedeelden kwamen er met de slechtste plaatsen af, evenals de mensen van
bescheiden aard. Deze laatsten zouden zich financieel wel wat meer kunnen veroorloven,
maar dorsten niet op te bieden tegen dorpelingen met hogere posities of brutalere
manieren. Deze verpachting, voor velen altijd een sensationele dag, behoort nu
allang tot het verleden; terecht vond men het niet meer verantwoord.
Ook mijn
vader, nadat hij van moeder de nodige instructies had ontvangen, gelukte het meestal
weleen betaalbare plaats op de kop te tikken, waardoor ons kerk gaan weer voor
een jaar verzekerd was. Elke zondagmorgen moest ik met hem mee, hij sloeg niet
vaak over, al kon ik mij soms niet aan de indruk onttrekken dat hij voornamelijk
ging omdat er geld in die plaats gestoken was dat er op een of andere manier toch
weer uit moest komen. Klein en schuchter zat ik daar dan, meestal strak tegen
hem aangedrukt, want als alle mensen van "onze bank" present waren,
was er eigenlijk voor mij geen ruimte.
Uiteindelijk had vader maar één
plaats betaald en geen anderhalf, die wij samen nodig hadden. Er werden dan ook
wel eens verwijtende blikken op ons geworpen; men vond het maar brutaal om mij
mee te brengen, maar vader beurde daar niet zwaar aan .
Wakker
bij de psalm
Zodra de eigenlijke dienst begon, ging hij er wat gemakkelijker
bij zitten, vermaande mi i nog eens goed stil te zijn, sloot zijn ogen en sliep even
later rustig. Begrijpelijk overigens, zes ochtenden in de week was hij met de
kippen present en tot zijn trooste hij was niet de enige.
Bij de tussenzang
schrok hij wakker , keek stiekem bij zijn buurman in diens psalmboek wat er gezongen
werd om daarmede krachtig in te stemmen. Daarna verviel hij weer in dezelfde houding;
zelfs bij de toepassing als de voorganger nog wel eens krachtig uit de hoek kon
komen en ik zelfs het ruitjes tellen staakte om te proberen er iets van te
begrijpen, veranderde hij niet. De slotpsalm bracht hem pas weer bij zijn positieven
om nochtans, later bij de koffie, mijn moeder te verzekeren dat dominee vanmorgen
weer een mieters goede preek had.
Ook na mijn schooljaren
bleef de kerkgang gehandhaafd, hoezeer ik ook mijn best deed om er onderuit te
komen. Eén voordeel sleepte ik er uit: doordat ik ouder en dus ook zwaarder
geworden was, hetgeen niet bevorderlijk was voor de ruimte in de bank, mocht ik
voortaan bij mijn kameraden gaan zitten die de twee laatste banken aan de linkerzijde
van de gaanderij bevolkten .
Wij kenden elkaar allemaal van school, er waren
opmerkelijk veel broederparen bij,de van Leersurm s ,de Heyink's, de Jansen's,
v.d. Hoeve's en ga maar door. Mijn kerkgang werd er evenwel niet stichtelijker
op,integendeel, hier zaten een kleine twintig jongens zich gezamenlijk net
zo te vervelen als ik het tot dusver in mijn eentje gedaan had. Wel in te denken,
de preken waren niet op onze leeftijd afgestemd en daardoor niet te volgen.
Elke afleiding was dan ook welkom; het begon als de voorzanger zijn trapje besteeg,
een functie die nu tot het verleden behoort, maar destijds vervuld werd door
meester Schreuder. Zijn taak was de ingangspsalm op te geven en daarna de tien
geboden voor te lezen, waarna de dominee het overnam. Deze baan was waarschijnlijk
gekoppeld aan die van Hoofd der Herv. school, waarbij dan minder op muzikale
kwaliteiten gelet werd, die je toch achter de funktie voorzanger zou moeten zoeken
.
Meester Schreuder had vele goede eigenschappen, wist
veel op allerlei gebied, maar wat hij nu juist niet kon, was zingen. Dat wisten
wij drommels goed van school, waar hij het nooit verder kon brengen dan wat
onmelodieus gebrom en de zangles wijselijk aan anderen overliet. Tevergeefs hebben
wij daar op die gaanderij elke zondagmorgen zitten hopen, dat nu eens geen mens
direct zou instemmen en alleen zijn schorre geluiden hoorbaar zouden zijn.
Nauwelijks
had de dienst een aanvang genomen of er werd in onze banken gesmoesd en gebabbeld
tot dat moet ik nu toegeven terechte ergernis van andere kerkgangers .
Vooral
als er in de directe omgeving meisjes zaten, die een bijzondere aantrekkingskracht
op ons uitoefenden en misschien ook welomgekeerd was het hek van de dam .
Meer
dan eens is daar op die gaanderij de eerste steen voor een lang en gelukkig huwelijk
gelegd.
|
Dominee
J.A.van Boven.Bekend Edes predikant uit het eerste kwart van de vorige eeuw ,samen
met ouderling Derk Gerritsen |
| |
|
Controle
van de koster
Predikant in de Herv .Kerk was in die dagen ds. Van Boven,
een goedige, al wat op leeftijd gekomen, man die van ons gedrag nooit iets in
de gaten had, of althans zo deed. Bovendien had hij een zwak voor de jeugd en
kon heel wat door de vingers zien. Dat veranderde toen in 1923 ds. Japchen als
tweede predikant de gelederen kwam versterken, een heel andere figuur. Vanaf zijn
hoge standplaats overzag hij alle uithoeken van de kerk en liet dat duidelijk
blijken. Hij had ons al gauw door; meermalen onderbrak hij zijn sermoen om met
gestrekte arm in onze richting te wijzen , meteen daardoor de aandacht van alle
kerkgangers op ons vestigend .Hij gebood dan dringend nu eindelijk eens stil
te zijn, wat dan voor een poosje hielp .
Op de eerste plaats van de bank naast
ons, zat steevast de koster ,tevens orgel trapper dichtbij het prachtige monumentale
orgel, om als het nodig was, tijdig ter plaatse te zijn. Blijkbaar had de
man last Dominee J.A. van van eksterogen, want als de eerste psalm gespeeld
was en hij op zijn vaste plaats neer streek, trok hij direct zijn schoenen uit.
Dat waren nog van die stevige hoge trappers met aan weerszijden eerst vier
gaatjes gevolgd door even zoveel haakjes, waar de veter dan door en omheen gehaald
moest worden bij het dicht maken. Moest hij later weer gaan trappen, dan schoof
hij zijn voeten in de schoenen en slofte, zonder die eerst dicht te maken naar
zijn blaasbalg.
Op een goede zondagmorgen zagen een paar jongens kans om ongemerkt
een schoen te bemachtigen. Deze werd nu "voorzichtig" met de solide
veter stevig dichtgeknoopt en vervolgens weer op haar plaats geschoven. De tussenzang
werd opgegeven en de goede man wilde, gewoonte getrouw, zonder er naar te kijken
zijn voeten in de schoenen steken, het geen maar bij één lukte.
Daar begreep hij niets van, tuurde naar de grond en zag het dichtgeknoopte exemplaar.
Haastig probeerde hij de knoop te ontwarren, maar dat lukte niet zo vlot. De mensen
werden al ongeduldig, waar bleef het voorspel, de organist, zonder hem hulpeloos,
gebaarde driftig, zodat hij in arrenmoede maar op een sok en een schoen naar het
orgel hinkte, met ingehouden lachen door ons nagekeken.
Wij
hebben het echter geweten, de koster begreep natuurlijk drommels goed waar de
grap vandaan kwam .
Voortaan hield hij niet alleen zijn schoenen aan, maar
nam hij vrijwillig de taak van ordebewaarder op zich. Hij deed dat serieus en niet
zachtzinnig, bij het minste gedraai of gefluister onzerzijds stond hij op en dreunde
met zijn rechtervuist krachtdadig op een schouder van de overtreder. Hoe gemeen
zeer dat deed, ondervond Ruth v.d. Hoeve, de oudste van de drie broers, die elke
zondagmorgen trouw present waren. Ruth speelde, in zijn eentje, kop of munt met
de drie kerkcenten, één voor elke collecte, toen er twee op de grond
vielen. Bij zijn voorzichtige pogingen om die onder de bank terug te vinden ontving
hij van de inmiddels toegeschoten koster, zo'n dreun, dat de tranen hem bijkans
in de ogen sprongen.
Wraak op de gaanderij
Nu
was Ruth niet iemand om zoiets te nemen en zwoer wraak. Die nam hij de volgende
zondagochtend, na ons uitvoerig te hebben ingelicht wat wij er aan moesten bijdragen
.
Die bewuste morgen, juist op een moment dat de voorganger met gedempte stem
sprak, liet Ruth een wind, die eer niet om loog en in de grote holle ruimte
klonk als een pistoolschot. Zoals was afgesproken, draaiden alle jongens zich
op dat zelfde moment bliksemsnel om en keken strak verontwaardigd de koster aan.
Prompt volgden alle mensen in onze omgeving dit voorbeeld duidelijk was op hun
gezichten te lezen dat zij zoiets nooit van een koster verwacht hadden. De man
wist zich geen houding te geven, zijn hoofd zwol aan tot een rode kool. Zonder
overtuiging deed hij nog een onbeholpen poging de schuldige in onze richting te
zoeken, maar trok zich even later beschaamd terug in zijn beschermend hoekje bij
het orgel.
Daar heeft zich een en ander afgespeeld op die gaanderij met zo'n
stel jongens, al blijft het jammer dat van al dat kerk gaan alleen dergelijke
dingen blijven hangen .
Naarmate wij ouder werden en de ouderlijke macht begon
te wankelen, kwam de klad in de kerkgang. Het begon met de ontdekking dat we voor
hetzelfde geld door de ingang aan de Paasbergerweg de kerk konden binnengaan om
er dan aan de andere zijde, altijd de kant van Paap genoemd, rustig weer uit te
lopen. Bij mooi weer maakten wij daar dan ook dankbaar gebruik van om een lange
wandeling te maken waarbij wij zorgden bij het uitgaan weer present te zijn en
schijnheilig netjes op tijd thuis te komen. Nog wat later, toen de sport ons in
haar macht kreeg, was het voor de meesten finaal afgelopen .
Geslaagde
restauratie
In 1963 is men begonnen met een buitengewoon goed geslaagde
restauratie van de kerk, het enig werkelijk historische bouwwerk in Ede.
Het
werd hoog tijd de dakconstructie en de goten verkeerden in een dermate slechte
toestand dat Gaasbeek, de loodgieter, die de reparaties aan het leien dak verrichtte,
deze niet langer dorst uit te voeren. Er waren veel lekkages, dié het verrottingsproces
versnelden, afgezien van nog ernstiger gevaren. Nadat een geheel nieuwe kap was
aangebracht, waarbij ook het z.g. "kleine torentje", met bijbehorende
klok boven het midden van de kerk weer een plaatsje kreeg, werd het interieur
grondig aangepakt.
De gaanderij in 1852 gebouwd om het aantal plaatsen uit
te breiden, werd nu weer afgebroken, waardoor het orgel prachtig in het gezicht
kwam.
Hoewel het aantal plaatsen dus verminderd is, het geheel is er veel fraaier
op geworden, mede doordat men de, in vroeger jaren dichtgemetselde spitsbogen
van het koor, weer met glas-in-loodruitjes heeft bezet.
Jammer dat de oude
huisjes aan de N.O. zijde, bij het hek van de consistoriekamer zi in afgebroken
.
Indien deze ook waren gerestaureerd was een fraai geheel ui t het verleden
bewaard gebleven. Maar de kerk kan in deze prima staat weer jaren mee en dat
is het belangrijkste.
H.J.Nijen huis
|
Het
monumentale orgel uit de Oude Kerk werd in 1887 door Piet van Dam uit Leeuwarden
gebouwd. |
|
|

