In vrijwel elk goed Edes gezin ,werd, zij het lang
geleden, in de novembermaand een varken geslacht. Helaas niet bij mij thuis.
Vader
kwam uit de stad en had geen verstand van krulstaarten.
Maar bij Van de Craats,
onze buurman, wiens jongste zoontje Evert mijn vaste kameraadje vormde, hield
men deze traditie in ere.
Evert waarschuwde me tijdig: "Morgen vroeg
om zeven uur komt de slachter". Ons dorp telde destijds diverse huisslachters
waarvan Koops, vrij klein van stuk, met een warrige baard, wel de bekendste
was. Als de man door het dorp liep, omgord door een leren riem, waaraan de gereedschappen
bengelden wist iedereen hoe laat het was.
Die Koops was een prima vakman,
die echter, naast zijn tarief van zestig cent ook erg gesteld
was op een paar
borreltjes na de goede afloop. Helaas, buurman was nogal zuinig uitgevallen en
vond
die toegift onnodig waardoor Koops het vertikte voor hem te slachten. Nu was Van
de
Craats postbode van beroep en bezat mede daardoor de nodige connecties.
Bij hem kwam elk
jaar een slachter uit de Doesburgerbuurt het karwei klaren.
De
bewuste morgen zorgde ik wel op tijd te zijn. Buurvrouw was reeds bezig in een
grote fornuispot het benodigde water aan de kook te brengen. Even later kwam de
slachter en Evert en ik keken nieuwsgierig toe. Het nog dommelend varken werd
uit het hok gehaald, een eind touw aan een achterpoot gebonden en naar
een
stenen plaatsje achter het huis gebracht.
Daar werd het dier op haar zijde
getrokken, maar toen de slachter zijn groot vlijmscherp mes te voorschijn haalde,
werd het ons toch te machtig en we verdwenen in de keuken. Nadat het varken was
doodgebloed, werden de ketels kokend water over zijn lijf gegooid en begon het
afkrabben. Een secuur werkje, want geen haar mocht blijven zitten.
De pezen
van de achterpoten werden losgemaakt en daaraan werd het dier door gezamenlijke
inspanning
van buurman en lachter aan een schuin tegen de muur staande ladder gehangen.
Dan
volgde een karweitje, waarbij onze nieuwsgierigheid het van afschuw overwon, het
overlangs
open snijden, want dan kon je zien hoe een varken er van binnen uitzag.
De
ingewanden werden er uit gehaald en de onderdelen, die geschikt waren voor consumptie,
alsmede
de darmen bestemd voor worstfabrikage, grondig schoon gemaakt. Wij kregen de blaas,
die
later na gereinigd te zijn, werd opgeblazen en een tijdje dienst deed als
voetbal.
De slachter vertrok, het varken bleef hangen om te besterven
en werd pas de volgende dag afgeslacht, hetgeen ook nog het nodige werk meebracht.
Vrieskisten waren nog onbekend. Hammen
en zijden spek werden evenals de vele
fijne en grove worsten door roken verduurzaamd en bleven
daardoor maanden houdbaar.
De
reuzel werd gesmolten en het vet in een keulse pot bewaard, terwijl de kop, die
minder
goed bewaard kon blijven, smakelijke balkenbrij opleverde. Zo zorgden
onze grootouders volgende winterdag: vlees, spek en worsten op zolder, inmaakpotten
met bonen, andijvie en zuurkool in de
kelder, een voorraad winteraardappelen
en wat eten betrof behoefde men zich gedurende het
slechte jaargetijde geen
zorgen te maken. De tijd van huisslachtingen is allang voorbij, maar oudere mensen
kunnen zich deze drukke en spannende dagen nog wel voor de geest halen.
H.J.Nijenhuis
 
|