Grasduinen in de buurtboeken (4)

Ditmaal gaan we terug tot het verre verleden van de buurt Ede- Veldhuizen en wel naar de buurtspraak van 29 Juli 1684. Daar kwam de enorme ramp ter sprake, die, nu juist driehonderd jaar geleden, ons dorp trof.
Van deze rampzalige brand wordt melding gemaakt in "de geschiedenis van Ede" deel I en 11, waaraan de volgende gegevens ontleend zijn.
Op Dinsdag 27 Mei 1684, tegen vier uur in de middag, brak brand uit in de "kosterie" ook meestershuis genaamd
en dicht bij de grote kerk gelegen. Daar woonde Hermanus Holtrap, een belangrijk man, want naast koster fungeerde hij tevens als schoolmeester, buurtschrijver en doodgraver.


Holtrop heeft in Ede deze gecombineerde taken van 1677 tot 1709 vervuld.
Hoe de brand ontstond is waarschijnlijk niet bekend; het wordt althans niet vermeld, maar wel dat in een mum van
tijd het huis in lichter laaie stond. Aangewakkerd door de felle oostenwind sloeg de brand alras over naar belendende percelen. In de veelal met stro bedekte daken, door het fraaie weer van de laatste weken kurkdroog geworden, vond het vuur gretig voedsel.
Van georganiseerde brandbestrijding was nog geen sprake, normaal werden vanaf een pomp of put, emmers water van hand tot hand, tot aan de vuurhaard doorgegeven, maar dat betekende eigenlijk meer een soort van burenhulp. In dit geval had deze methode trouwens weinig effect, daar de meeste mannen zich op het land bevonden en dus te laat kwamen. Als hoofd van de openbare orde, berustte de leiding van het blussingswerk bij de schout, in Ede destijds, Johan Otters.
Hij kon zo nodig, zij het tegen betaling, mannen vorderen om te helpen blussen. Ook dat had hier weinig zin ,machteloos moest de gerechtsdienaar toezien hoe de vlammen zich met enorme snelheid Westwaarts uitbreidden en binnen een uur het huis van ene Kuiper aan de rechterzijde van de Molenstraat, even voor de huidige spoorwegovergang, hadden bereikt.
Daar vond de schout drie mannen bereid, Derk Buurman, Derk Petersen en Derk van 't Tolhuis, om, gewapend
met zware bijlen, het dak van dit pand te beklimmen en bliksemsnel de kap er af te slaan. Dat lukte inderdaad, de vlammen bleven beperkt tot de benedenverdieping en de brand was bedwongen.


De drie stoere mannen ontvingen elk zes gulden plus zes stuivers, een vorstelijke beloning maar de schout was
veel te blij met het resultaat en dacht bovendien deze onkosten wel op de Ambtsjonkers te kunnen verhalen. Dus
stuurde hij de heren een brief, met de volgende aanhef: "Den 27ste Mei 1684 heeft het Godalmachtig behaagd het
dorp van Ede, des middags vier uur, te bezoeken met een zware en schrikkelijke brand". Daarna bracht hij uitvoerig
verslag uit van het gebeurde, vermelde vooral de manier, waarop naar zijn aanwijzingen, de brand was bedwongen en verzocht restitutie van de door hem gemaakte onkosten, zijnde een bedrag van achttien gulden en achttien
stuivers. Hij ving echter bot: de Ambtsjonkers waren van mening dat zulks een uitgaaf was ten behoeve van de
gemeenschap, dus dienden de dorpelingen gezamenlijk voor de schade op te draven.
Nadat de brand was bedwongen, kon de schade worden opgemaakt: het geheel bood een troosteloze aanblik, twee
en twintig huizen, wat schuren en vier hooibergen waren een prooi van de vlammen geworden. Gelukkig hadden
zich geen persoonlijke ongevallen voorgedaan. Tussen de verkoolde resten zochten wanhopige slachtoffers naar
nog bruikbare bezittingen. Vele gezinnen waren op slag dakloos geworden en beroofd van de allernoodzakelijkste
levensbehoeften. Onmiddellijk kwam evenwel de beproefde burenhulp op dreef, nog voor de avond viel hadden
alle gedupeerden weer een dak boven het hoofd.


De wederopbouw leverde de nodige problemen op, vooral op financieel terrein. Het meestershuis en nog zes
andere verwoeste woningen waren eigendom van de kerk, dus kwamen de kosten voor rekening van het kerkbestuur. In de particuliere sector lag dat moeilijker: het betrof hier mensen die over weinig of geen geld beschikken en op de liefdadigheid waren aangewezen. Dat lukte wonderwel; als eerste gaf de diaken, Bartholt Suermondt, spontaan honderd .gulden waarop meerdere giften van beter gesitueerde burgers volgden. De Staten van het Ouartier van de Veluwe schonken tweehonderd vijftig gulden en de heer Van Kernheim verstrekte een lening van duizend gulden.
Ook de plaatselijke predikant, ds. Johannes Cloeck, sinds 1672 voorganger te Ede, liet zich niet onbetuigd. Hij
trok, vergezeld van een ouderling, naar het Westen, waar hij nog al connecties bezat, om geld in te zamelen. De heren kwamen terug met een bedrag van vierhonderd vijfenzestig gulden. Dankzij al deze gaven werd nu met spoed de wederopbouw ter hand genomen en in een dusdanig tempo dat nog voor de winter inviel elk gezin weer een eigen woning bezat. De vele nieuwe woningen gaven dit gedeelte van het dorp een geheel ander aanzien.


Mede door aantekeningen in de kerkboeken zijn omtrent de herbouw van het meestershuis vrij nauwkeurige gegevens bewaard gebleven. Bij het bekijken van alle geboekte uitgaven kan men rustig stellen dat ook toen al bouwvakkers en slepers, mannen die de materialen moesten aanvoeren, niet op een droogje werkten. Immers de totale kosten bedroegen elfhonderd en acht gulden, waaronder drieëntwintig gulden aan reiskosten en honderdveertig gulden en achttien stuiver voornvertering, meer dan tien procent van de bouwsom.
Het is niet bekend hoe lang het nieuwe pand als kostershuis heeft dienst gedaan. De laatste bewoner tot 1914 was de horlogemaker Harmsen.
Genoemd jaar werd het huis gesloopt en verrees hier een nieuwe, ruime pastorie, die inmiddels ook al weer is
verdwenen.

In de voorgevel van het huis en dat van Kuiper aan de Molenstraat, werd, door middel van muurankers het jaartal 1684 aangebracht, als herinnering aan het begin en einde van de brand, op oude afbeeldingen nog
duidelijk zichtbaar.
Maar om op de buurtspraak van 29 Juli 1684 terug te komen: het buurtbestuur bestond toen uit de volgende
personen waarvan we de namen letterlijk uit het notulenboek overnemen.
Buurtrichter: den hoog Edele Welgeb. en Gestrenge Heere Jacob Baron van en tot Wassenaer, Heere van Obdam en Kernhem etc. Buurtmeesters: Sampt Buyrmre, de Heere Scholtis en de Heeren Jacob en Jan v. Ommeren. Van
ouds werd de buurtrichter voor zijn gehele leven benoemd: van 1682 tot I1876 was dat altijd een lid van de familie
Wassenaer geweest.


In laatstgenoemd jaar werd daar verandering in gebracht: voortaan werd de man op de buurtspraak gekozen voor
een periode van zes jaar en kon zich daarna opnieuw herkiesbaar stellen.
De eerste buurtrichter na deze reglementswijziging werd de heer W. Hartelust. Op bedoelde buurtspraak wordt
weliswaar de brand uitvoerig behandeld, hoewel hulpverlening door de buurt niet ter sprake komt. Wel werden
plannen opgesteld hoe een dergelijke ramp in de toekomst bestreden of, nog beter, voorkomen kon worden.

Er werden een aantal maatregelen vastgesteld, die we hier in het kort laten volgen Voor de wederopbouw en daarna te verrijzen woningen werd als voorwaarde gesteld dat 't dak voortaan niet meer met stro of riet, maar met pannen
moest worden gedekt. Ook mochten deze pannen aan de binnenzijde niet langer met strodokken worden dichtgestopt om wind en jachtsneeuw te weren maar dienden met kalk te zijn aangestreken Vervolgens zou elk huis van een gemetselde schoorsteen voorzien moeten zijn en niet door eenvoudige pijp, of in sommige gevallen simpelweg door een gat in het dak te laten ontsnappen. Deze schoorstenen moesten minstens eenmaal per jaar, door regen, van roet en aanslag gezuiverd worden.
Lang werd er gedebatteerd over de kas was vrijwel leeg; men moest volstaan met de aankoop van enkele
brandhaken en het graven van vier nieuwe putten.

Een grotere uitgave schoof de buurt, als gemeenschappelijk belang, op de burgers af. In elk huis diende een houten brandemmer aanwezig te zijn "naar Arnhemse mate"wat overigens weinig omtrent de afmeting en inhoud zegt. Elk jaar, op St. Maartensdag, 11 November, zullen deze emmers op aanwezigheid en behoorlijke staat gecontroleerd worden.
Het toezicht op het naleven van deze bepalingen werd opgedragen aan de buurtscheuter .
Allemaal goed bedoeld, maar naar mate de tijd verstreek werden de dorpelingen zorgelozer en verslapte de controle. Reeds enkele tientallen jaren worden weer huizen met stro veel goedkoper dan pannen, gedekt. Nog tot in het begin van deze eeuw werden nog regelmatig strodokken gebruikt, zodat al deze maatregelen niet zo doeltreffend zijn geweest. Wel kunnen we vaststellen dat de buurtspraak van 1684 de eerste aanzet is geweest om te komen tot een plaatselijke brandweer, die in 1721 met de aanschaffing van een brandspuit haar beslag kreeg.
H. J. Nijenhuis