In
beide vorige afleveringen hebben we vermeld hoe de buurt Ede-Veldhuizen geleidelijk
haar bezittingen zag verminderen tot in 1932 de grote klap kwam. Op de buurtspraak
van 1931 werd door het bestuur voorgesteld de nog in bezit zijnde buurtwegen aan
de gemeente over te dragen. Om dit aanbod aantrekkelijker te maken werd tevens
een bedrag van duizend gulden in contanten toegezegd, bedoeld als achterstallig
onderhoud. De geërfden gingen akkoord en in deze geest kwamen de plannen
bij B. en W. Dat onderhoud vormde door de jaren heen een problembn, te meer omdat
daarvoor, volgens een vroeger genomen besluit, slechts de rente van het uitstaande
geld gebruikt mocht worden.
Zandwegen
Nu bezat de buurt slechts
zandwegen en ten tijde dat het verkeer uitsluitend uit voetgangers en paard met
wagen bestond, kon worden volstaan met van tijd tot tijd al te diepe wagensporen
te slechten. Toch kwamen op de jaarlijkse buurt spraken regelmatig verzoeken om
aandacht aan een bepaalde weg te schenken. Het bestuur voerde echter een uitermate
slecht beleid en hield graag de knip op de portemonnaie.
Tijdens de gewone
buurtspraak van 21 september 1911 werd een adres, ondertekend door drie en twintig
belanghebbenden,
behandeld, waarin werd gevraagd de Schuttersteeg te verbeteren. Deze veel gebruikte
weg
verkeerde, vooral bij winterdag, in erbarmelijke toestand. Buurtrichter,
L. Tulp, verklaarde ronduit, dat er geen
geld voor beschikbaar was; zo nodig
konden de ergste gaten gedicht worden, maar dan dienden de aangrenzende bewoners
zelf voor de nodige zwarte grond te zorgen en op nader aan te wijzen plaatsen
te deponeren.
Eenzelfde lot onderging een verzoek van dertien ingezetenen van
de Slunt, de Slunterweg herinnert nog aan deze buurt. Deze gingen nog een stapje
verder; zij wilden de Slunt tot aan de Koekoeksmeent verhard hebben. De buurtrichter
was van oordeel dat adressanten bij deze verharding het meeste belang hebben.
Indien zij zelf voor sintels en de aanvoer daarvan konden zorgen, zou op de
volgende buurtspraak de zaak besproken worden.
Voor het ruim vierhonderd meter
lange weggedeelte zouden vijftien wagens sintels nodig zijn, waarmede transportkosten
inbegrepen een bedrag van ongeveer honderd vijf en twintig gulden gemoeid was.
Daar schrokken de Sluntbewoners wel van en ze lieten de zaak zoals hij was.

Toename
van werkverkeer
Naar mate het verkeer toenam, fiets en auto hun intrede
deden werd het onderhoud van de wegen steeds urgenter, maar, financieel gezien,
een onhaalbare kaart. Het buurtbestuur zag er geen gat meer in; men kwam op het
snuggere idee de wegen aan de gemeente over te doen; de dienst van gemeentewerken
beschikte wel over middelen om voor onderhoud en verharding te zorgen. Het aanbod
van de buurt werd in een gemeenteraadsvergadering behandeld, de duizend gulden toegift
maakte weinig indruk. Integendeel, de vroede vaderen kwamen met hele andere voorwaarden
op de proppen, die de buurtrichter, toen de heer H. Staf, op de buitengewone buurtspraak
van donderdag 9 juni 1932, bekend maakte. De gemeente wilde de wegen slechts
overnemen indien ook het bankkapitaal, groot tien duizend gulden, de aanwezige
kasgelden plus alle onroerende bezittingen van de buurt, waaronder het zandgat
op de Klinkenberg in haar bezit kwamen. Tenslotte toch nog een royaal gebaar:
voortaan zou de gemeente het salaris van de buurtscheuter, die bij overdracht
overbodig werd, groot vijf en zeventig gulden per jaar, voor haar rekening nemen.
De
aanwezige geërfden zaten perplex: deze voorwaarden betekenden niets meer
of minder dan het einde van de buurt. Men wilde wel graag van de wegen af, desnoods
wat grond missen, maar afstaan van het zandgat, was de doodsteek. Het zandgat
was reeds voor de eerste wereldoorlog in gebruik genomen. Voordien haalden aannemers
hun zand ook al op de Klinkenberg, maar ieder op zijn eigen houtje. Daardoor
ontstonden
overal kuilen die het buurtbestuur, terecht, ontsierend vond. Derhalve werd besloten,
achter de enorme tuin van villa "Chasselay", waar de buurtgronden
begonnen, een stuk aan te wijzen waar zand gehaald kon worden, zij het niet langer
gratis, maar tegen een kleine vergoeding.
Er werd een arbeider in dienst genomen.
Welgraven, die het zand sorteerde in slap scherp en betonzand. De controle berustte
bij de buurtscheuter hij noteerde in een weekboekje, naar gegevens van Welgraven,
het geleverde zand en afnemers, die daarop later een rekening ontvingen. Het zandgat
draaide goed, vooral na de eerste wereldoorlog toen de woningbouw een sterke opleving
doormaakte, steeg de winst tot achthonderd gulden en meer per jaar. Na verloop
van jaren ontstond een enorme grote diepe kuil met steile hellingen, een pracht
speelterrein voor de jeugd, zoals oudere inwoners zich nog ongetwijfeld zullen
herinneren, en zou men dat zandgat zomaar weggeven ,dat moest even verwerkt mworden.
Als eerste nam notaris W. J. F.Fisher het woord. "Wij staan voor het
blok de gemeente staat op het standpunt: alles of niets: geen geld en zandgat
dan ook geen wegen, voor ons het grote struikelblok". Om althans nog iets
te redden, stelde spreker voor met het voorstel van de gemeente in zee te gaan,
mits he tkasgeld en wat kleinere stukken grond behouden blijven om in ieder geval
het voortbestaan van de buurt Ede-Veldhuizen te rechtvaardigen.
Aannemers
Er
waren nogal wat aannemers op deze buurtspraak aanwezig, die, begrijpelijer wijze,
ten nauwste bij het zandgat betrokken waren. Namens hun protesteerde M. v. Gestel
fel tegen de voorgenomen plannen, "Mensen", zo riep de destijds een
bekende Edenaar d'r zit nog wel voor vijftig jaar prima scherp zand en
zo kort bij het dorp dat laat je toch niet zo maar afpakken".
Meerdere
geërfden spraken in deze geest, zoals Van de Waay, die alleen voor inwilliging
was indien alle rechten
betreffende het zand halen ten volle gehandhaafd en
gegarandeerd werden. De heer Van Hunnik kwam met een nieuw gezichtspunt, als de
gemeente persé het zandgat wil hebben, laat zij dan ook zorgen voor een
nieuw terrein dat wij voor dit doel kunnen exploiteren.
Het bleef heen en weer
praten, maar er moest een beslissing vallen; derhalve deed de buurtrichter, naar
aanleiding van de verschillende gemaakte opmerkingen, het volgende voorstel:
De Buurt Ede-Veldhuizen gaat akkoord met de wensen van het gemeentebestuur
onder voorwaarde dat het kasgeld alsmede wat, nader overeen te komen kleine
stukken grond, eigendom van de buurt blijven. Bovendien moet de gemeente voor
een nieuw zandgat zorgen en de terreinen op de Klinkenberg mogen niet afgerasterd
worden maar ten alle tijde, als vrij wandelpark voor een ieder toegankelijk zijn
. Geen der geërfden zag een andere oplossing zodat het voorstel werd aangenomen.
Reeds
op de volgende gewone buurtspraak van donderdag 22 september 1932 wordt bekend
gemaakt dat de
gemeente wat water bij de wijn heeft gedaan door deze voorstellen
te aanvaarden. Ten overstaan van notaris Fischer waren op 12 september 1932 bezittingen
en gelden door de buurt aan de gemeente overgedragen. Er zal een nieuw zandgat
worden aangelegd bij de Zonneoordlaan, tot dan toe mag nog zand gehaald worden
op de Klinkenberg. De kwestie wordt hiermede als afgehandeld beschouwd. Dank zij
het redden van de kas bezat de buurt nog f 1403.33 en het navolgend onroerend
goed, een stuk buurtweg op de Langenberg een uitweg aan de Bergstraat een strook
grond aan de kade nog een strook grond waarvan de ligging niet werd vermeld en
een gedeelte van de Kievitsmeent. In 1953 werden deze verspreid liggende stukken
grond met de gemeente geveild voor een aaneengesloten terrein op de Doesburgerheide.
Wandelen
beknot
Het recht van vrije wandeling op het Klinkenbergterrein werd al
spoedig beknot. Op een buitengewone buurtspraak van 14 maart 1935 kwam burgemeester
Creutz persoonlijk een gedaan verzoek om gedeeltelijk ontheffing van deze bepaling
toe te lichten. Dat betrof het zandqat: men was als werkverschaffingsobject begonnen
met de aanleg van een openluchtvergaderplaats, waarvoor de uitgestrekte diepe
kuil zich uitstekend leende. Na gereedkoming was het uit vernielingsoogpunt
noodzakelijk het object met twee meter hoog gaas af te zetten. Enkele geërfden protesteerden
fel, zoals de heer v.d. Waay: "Nog geen drie jaar geleden is vrije wandeling
toegezegd en nu al wordt er aan getrokken". Toch wordt met tien tegen
zeven stemmen vergunning gegeven en in 1936 werd het fraaie openluchttheater
geopend.

De
totale afrastering van het terrein vond plaats in 1952 ,aanleiding was ditmaal
de bouw van een restaurant met paviljoen.
Wel werden nu een drietal hekken
aangebracht, die overdag geopend moesten blijven om alsnog vrije wandeling te
garanderen.
Ditmaal werd ook het veldje van Pluim bij de afsluiting betrokken,
een braakliggend stuk grond, dat, bij gebrek
aan beter, in vooroorlogse jaren
door de Edese jeugd werd benut voor het beoefenen van diverse takken van sport,
zij het op bescheiden niveau.
De naam van het terrein, dat aan de Sysseltselaan
lag, was ontleend aan de heer Pluim, die aan de overkant van de weg, op dezelfde
hoogte, als eerste een huis liet bouwen, heel toepasselijk, "De Eersteling"
genaamd.
Zo waren dus vrijwel alle bezittingen van de buurt verdwenen en ook
het ruwe zandgat waarop aanvankelijk
nog hoop gevestigd was, draaide niet naar
wens; het eerste jaar werd een winst gemaakt van, zeggen en schrijven, twee gulden
en vijfenzestig cent.
Maar daarop en tal van andere zaken op buurtspraken behandeld,
komen we nog nader terug.
H. J. Nijenhuis

