
Zoals
reeds vermeld, met het verstrijken van de jaren verminderde de bezittingen van
de buurt Ede-Veldhuizen
regelmatig, In niet geringe mate droeg daar toe bij,
zoëven na de eeuwwisseling de overdracht van de uitgestrekte
heidevelden,
vanouds als gemeenschappelijk bezit beschouwd, aan het Rijk. De toenmalige minister
van defensie wilde het aantal garnizoenplaatsen in ons land uitbreiden en had
daarvoor ook Ede in gedachten. Men moest dan wel over de nodige oefenterreinen
kunnen beschikken, die er in onze landelijke omgeving voldoende lagen.
Dus
ontving het buurtbestuur een uitvoerig ambtelijk schrijven, waarin allereerst
werd verzocht de heide, globaal genomen, ten noorden van de straatweg Ede-Arnhem,
tegen een nader vast te stellen bedrag, gedurende twintig jaar in erfpacht te
ontvangen met daarna het recht van koop. Vervolgens wilde het ministerie de heide
aan de andere zijde van genoemde straatweg, het dichtst bij de te bouwen kazerne's
gelegen, door aankoop meteen in eigendom verkrijgen.
Deze brief werd tijdens
de buurtspraak van donderdag 20 september 1900 onder begrijpelijke enorme belangstelling,
behandeld. De buurtrichter, de heer W. Hartelust, zette het 1ste ingenomen standpunt
van het buurtbestuur uiteen. Ten opzichte van het eerste gedeelte werd voorgesteld
de gevraagde heide voor een periode van twintig jaar aan het Rijk in erfpacht
te geven tegen een jaarlijkse vergoeding van twee duizend gulden. Daarbij de voorwaarde
dat de rechten van de geen den plaggen steken, grint halen en het weiden van
schapen, ten volle gehandhaafd zouden blijven, en de heide voor een ieder vrij
toegankelijk zou zijn.
Wat het tweede gedeelte, van het schrijven betrof,
wilde het buurtbestuur deze heide wel verkopen tegen een
prijs van twee honderd
gulden per Ha. met eveneens een blijvend recht van vrije wandeling.
Daarna
kwamen de tongen los; als eerste spreker toonde de heer Tulp zich totaal verbijsterd
over het standpunt
van het buurtbestuur dat zo maar voetstoots bereid was het
aloude traditionele bezit van de buurt van de hand te
doen. Beseffen de bestuursleden
wel waar zij mee bezig zijn: bij de komst van het garnizoen en ingebruikname van
deze
oefenterreinen zal onze fraaie heide binnenkort grondig vernield zijn.
Bovendien
zit er nog een niet te onderschatten, morele kant aan deze zaak ,soldaten staan
nu eenmaal niet bekend
als zedelijkheids apostelen en zullen zeker een verderfelijke
invloed op onze bevolking uitoefenen.
De aanwezige kapitein,de L'Espinage protesteert
fel tegen deze laatste woorden; niet alle militairen zijn engelen, maar zij vallen
wel onder de krijgstucht en worden, bij overtreding daarvan, gestraft. Overigens
ook in het landelijke Ede zullen wel dingen gebeuren die het daglicht niet verdragen
kunnen. In plaats van het leger in een slecht daglicht te stellen, zou men de komst
van een garnizoen moeten toejuichen; het haalt Ede uit haar isolement, betekent
werk voor velen en een grotere omzet voor de mening doenden.
De heer Tulp
laat zich echter niet van de wijs brengen, de kapitein stelt het allemaal wel
mooi voor, maar er zitten
zoveel haken en ogen aan deze zaak die niet in een
paar uur vergaderen kunnen worden opgelost. Derhalve
stelt hij voor, daarbij
gesteund door de heren Davelaar, Knuttel en Rutel, over twee maanden een buitengewone
buurtspraak
te houden en dan pas een weloverwogen beslissing nemen.
Maar nu komt burgemeester
Op ten Noort, als vertegenwoordiger van het gemeentebestuur, in het geweer. Hij
heeft
van de minister een brief ontvangen, waarin deze stelt zo spoedig mogelijk, liefst
binnen een week,uitsluitsel
te willen hebben. Na enig overleg met de buurtmeesters,
besluit de buurtrichter dat de geërfden zelfs deze kwestie
moeten beslissen
en wordt een voorstel al of niet uitstellen, in stemming gebracht . Het merendeel
van de aanwezigen wenst de zaak niet op de lange baan te schuiven, gezien
de uitslag negentig stemmen voor directe behandeling, zes en veertig voor verdaging.
Opnieuw
volgt een uitvoerig en verward debat over de voor en nadelen omtrent de vestiging
van een garnizoen. Uiteindelijk hakt de buurtrichter de knoop door en brengt het
voorstel van het buurtbestuur tot verpachting en verkoop van de heide, zoals bij
de aanvang van de bijeenkomst voorgelezen in stemming Nu blijkt dat het overgrote
deel van de geërfden niet onder de indruk is gekomen van de geopperde
bezwaren want het voorstel wordt aangenomen met een en negentig tegen zes en dertig
stemmen. Enkelen aanwezigen onthielden zich van stemming, maar dat deed aan het
feit niets af; na eeuwenlang bezit was de buurt Ede-Veldhuizen de heide kwijt.
Meteen
werd duidelijk waar het een aantal geërfden om was begonnen ,want één
van hen vraagt of zodra het
geld binnen is ook direct tot verdeling wordt over
gegaan. De buurtrichter meent dat daar nog wel enige tijd over
heen gaat. Op
de buitengewone buurtspraak van 4 december 1900 nog geen drie maanden later. komen
er nadere
gegeven. Daar wordt bekend gemaakt dat het ministerie de voorwaarden
waaronder de buurt Ede-Veldhuizen de
heide wil afstaan. heeft goedgekeurd en
de nodige transacties inmiddels hebben plaats gevonden. Burgemeester Op ten Noort
leest de verschillende afgesloten akte's van koop en pacht voor. Ongeveer 170
Ha. heide werd verkocht voor acht en twintig duizend gulden terwijl nog andere
noodzakelijk geachte terreinen door het Rijk werden aangekocht voor f 26960. Voor
het opstaande hout werd twee duizend gulden neer geteld. zodat de buurt er bijna
f 57.000,- rijker door werd. Bovendien was inmiddels een koopakte opgesteld met
gravin Bentinck over aankoop van gronden die f 55.155 zouden opleveren. Wel
werd, door de meerdere aankopen van het Rijk de jaarlijkse erfpacht teruggebracht
tot f1629. Daar van verdeling voorlopig nog geen sprake kon zijn, had het
buurtbestuur besloten deze gelden te deponeren bij de Geld. Crediet bank te Arnhem,
met een opzeggingstermijn van drie maanden.
Geërfde van Hunnik
stelt voor geen verdeling te houden, maar een royaal gebaar te maken door het
binnen gekomen bedrag te bestemmen voor de bouw van een oude mannen en vrouwenhuis,
waaraan in ons dorp een grote behoefte bestaat. De buurtrichter waardeert
deze geste maar meent, zijn pappenheimers kennende. dat de
meeste geërfden
liever geld op tafel zien. Pas op buitengewone buurtspraak van dinsdag 28 januari
1902 komt de
verdeling opnieuw ter sprake. Daar wordt besloten allereerst een
nauwkeurige lijst van geërfde samen te stellen.
die gedurende vijf achtereenvolgende
avonden van zes tot acht uur in "Het hof van Gelderland'. voor eenieder ter
inzage zal liggen. Dan tijdens de eveneens buitengewone bijeenkomst van donderdag
6 april 1902 krijgt de verdeling haar beslag. Genoemde lijst werd. zij het
met enige wijzigingen, goedgekeurd en een verdelingsplan aangenomen dat als volgt
luidde:
1. Bezitters van huizen die als belastbaar zijn aangeslagen, ontvangen
een voldaan.
2. Bezitters van huizen of hutten die niet als zodanig zijn ingeschreven
ontvangen een half deel
3. Eigenaars van bouw of weide gronden ontvangen een
vierde deel
4. Bezitters van huizen, op gehuurde grond gebouwd, delen niet
mee
5.Eigenaars van bos of heidegronden ontvangen een achtste deel
6. Een
ieder kan slechts in één categorie zijn deel ontvangen
7. Geërfden
uit Ederveen komen niet in aanmerking.
Aan deze laatste bepaling waren
op voorafgaande buurtspraken reeds de nodige debatten gewijd. De Ederveners
bezaten
eveneens het recht hun schapen naar de heide te brengen en beschouwden zich derhalve
ook als
geërfden. Met waarschijnlijk met de gedachten in het achterhoofd
dat veel varkens de spoeling dun maken, wezen
de Edese geërfden deze aanspraak
volledig van de hand. Het buurtbestuur reserveerde van het ontvangen geld
tienduizend
gulden voor slechtere tijden waarvan de rente zou worden besteed aan het onderhoud
van wegen .
Daardoor werd een vol deel vastgesteld op twee honderd en veertig
gulden, waarmede de meeste geërfden dik tevreden waren.
Zo verliep in
het begin van deze eeuw, de verpachting en verkoop van Edese heide. Op de verdeling
van het geld kwam men op de gewone buurt- spraak van 18 september 1902 nog even
terug. Het buurtreglement kende in die jaren nog een artikel bekend als "het
herstel van grieven", waarop een geërfde zich kon beroepen bij vermeend
onrecht. Daarvan maakte Maas Rozenboom en Cornelis v. Holland gebruik; hun huizen
stonden op gedeeltelijk gehuurde grond en deswege was het bij de verdeling
slechts dertig gulden toegewezen. Door de jaren heen hadden de twee zich goede
geërfden getoond en heel wat werk voor de buurt opgeknapt, hetgeen door
het buurtbestuur werd gewaardeerd door hun aandeel tot honderd vier en twintig
guldent e verhogen.
Thans, zoveel jaar later, is de heide, hoewel voor
een groot deel verdrongen door stug gras, nog altijd voor een ieder toegankelijk
en blijft een prachtig recreatieterrein voor inwoner en vreemdeling.
H. J.
Nijenhuis
Wordt vervolgd

