Kleinere dorpen op de Veluwe, ook in onze gemeente,
vormden vroeger een vrij gesloten gemeenschap met eigen normen en leefregels.
Werken nam het grootste deel van de dag in beslag, van ontspanning, laat staan
sportbeoefening, was vrijwel geen sprake. Oudere jongens trokken op zomeravonden
wel af en toe naar een naburig dorp in de niet altijd kloppende mening dat elders
meer te beleven viel dan thuis. Zo lang zij zich daar behoorlijk gedroegen, was
er geen vuiltje aan de lucht, maar vreemde gasten moesten niet te veel
babbels
meebrengen, dan kon het op knokken uitdraaien. De buitenwacht had daar zo geen
weet van, maar sommige gebeurtenissen haalden een plaatselijke krant, waaraan
wij volgende voorvallen ontlenen.
In het voorjaar 1932 brachten vier Barnevelders
ettelijke malen een bezoek aan Lunteren. Op zichzelf niet zo
bijzonder, maar
zij beschikten over een auto en lieten dat. duidelijk merken .In woeste vaart
werd dan herhaaldelijk de gezellige Dorpsstraat op en neer gereden, tot grote
verontwaardiging van de
Lunteranen. Zo ook op maandagavond 11 mei 1932; dorpelingen
en vroege pensiongasten genoten van het fraai lenteweer, deden nog wat inkopen,
de winkels waren tot acht uur geopend, tot de rust weer verstoord werd. Dreigende
vuisten werden opgestoken, maar tegen de voortjakkerende auto was weinig te beginnen,
tot het kwartet bij een café stopten en in de gelagkamer verdween.
Dat
was de kans voor de boze Lunteranen, ijlings werd bij de wagenmaker een grote
bus wagensmeer gehaald.
Met wat oude doeken en dit vettige spul werd de auto
grondig van een nieuwe laklaag voorzien. Toen bleek dat de portieren niet waren
afgesloten kregen zitplaatsen en leuningen eveneens een beurt je, waarna de terugkomst
van de vier bravour rijders werd afgewacht.
Die kwamen na een half uurtje,
zagen de fraai opgepoetste wagen en wilde natuurlijk verhaal halen. De dreigende
overmacht aan de rand van de straat bracht hen ras tot andere gedachten.
Achter
elkaar sprongen zij op de besmeurde zittingen waarvan de toestand pas even later
tot hen doordrong en ging het richting Barneveld, onder grote hilariteit van de
dorpelingen. Dank zij dit optreden was voorgoed een einde gekomen aan deze dollemansritten.
Vreemde
vrijers
Betrof het in Lunteren een geval van wangedrag, in andere dorpen
heerste nog een veto tegen vreemde vrijers.
Onder geen voorwaarde mocht een
jongen uit naburig dorp of stad verkering zoeken met een meisje uit hun domein.
Elke vreemdeling die door het dorp fietste, vooral op zondag, werd met argusogen
bekeken, maar een jongeman hield men terdege in de gaten.
Mocht hij belangstelling
voor het vrouwelijk geslacht koesteren en vaak opduiken, werden maatregelen
genomen. AI gauw kwam men op de hoog hoe laat de aspirant vrijer arriveerde en
werd er bij de ingang van het dorp gepost. Bij de eerste aanhouding gaf me de
jongeman de ernstige waarschuwing zich niet meer in het dorp te vertonen. Gaf
deze daaraan geen gevolg dan werd hij een volgende keer door een stel potige jongens
opgewacht en kon op een behoorlijk pak slaag rekenen. Ook kwam het voor dat de
minnaar in het plaatselijk café een aantal rondjes moest geven en aldus
vrije doortocht verkreeg. Uiteindelijk een vorm van chantage, want ging hij
op dit voorstel in, dan werd de eis om de paar weken herhaald, die de verkering
tot een vrij kostbare zaak maakte .
Overigens kwam het, ondanks alle
strubbelingen toch tot een huwelijk, dan werd alles al gauw vergeven en vergeten.
De jongens uit Wekerom hielden zich ook aan deze oeroude traditie, wat de
meisjes daar betrof, je mocht er naar kijken, maar aankomen niet. Toch was er
een ondernemende jongeman uit de Maanderbuurt, onder Ede, die zijn oog had laten
vallen op een Wekeroms meisje. Men schreef 1929, een tijd waarin de moderne vooruitgang
ook op het platteland doordrong. Rijtuigen werden vervangen door auto's, de petroleumlamp
maakte plaats voor electriciteit, terwijl op kledinggebied vooral lichte kousen
opgang maakten. Speciaal die laatste dracht bleek een doorn in het oog van de
conservatieve Wekeromse ouderen.
Maar hun dochters wisten er raad op, trokken
zij per fiets naar Ede of elders, ging de vleeskleurige beenbedekking mee in hun
handtasje. Even buiten Wekerom, liefst achter een paar struiken,
gingen de
stevige gebreide zwarte kousen uit om plaats te maken voor moderner exemplaren.
Op de terugweg vond dezelfde handeling plaats, maar nu in omgekeerde volgorde.
Ondanks deze
vooruitgang bleven de Wekeromse jongens waakzaam als het meisje
uit hun domein betrof. De Maanderbuurtse vrijer was al gauw gesignaleerd en werd
op een zondagavond in "de Eng' opgewacht. Hij werd van zijn fiets gesleurd,
waarna een potige boerenzoon hem geducht afranselde. Het slachtoffer verweerde
zich zo goed mogelijk maar was niet opgewassen tegen zijn aanvaller, die overigens
in geval van
nood op hulp van zijn kameraden kon rekenen.
Daarna kreeg de
onfortuinlijke jongeman de vermaning zich nooit meer in Wekerom te vertonen en
kon huiswaarts fietsen. Zijn liefde voor het meisje was echter geenszins bekoeld
integendeel hij zon op wraak. Hij reed regelrecht naar het politiebureau in Ede,
bracht daar verslag uit en verzocht voor de volgende zondagavond assistentie van
twee agenten. Dat werd hem toegezegd de volgend zondagavond stelden twee politiemannen
zich tijdig verdekt op bij het punt dat de jongen had aangegeven. Zelf vertrok
deze
op zijn vaste tijd, het klopte , opnieuw stond een aantal jongens op wacht
en de procedure herhaalde zich. Maar op het moment dat dezelfde knaap weer klappen
wilde uitdelen, doken de twee agenten op.
Verschrikt stoof de troep uiteen,
alleen de trotse aanvoerder zag daar geen kans voor; hij bevond zich in de
stevige
greep van een gezagsdrager.
Hij werd meegenomen naar het bureau in Ede en verhoord,
eerst probeerde de vechtjas het gebeurde als een grap voor te stellen, maar toen
daar weinig geloof aan werd gehecht, haalde hij een stomme streek uit. Zijn portemonnee
kwam voor de dag en daar uit verscheen een briefje van vijf en twintig dat hij
de agenten aanbood, mits hij ongestraft kon gaan. De zaak werd er alleen maar
erger door, nu kreeg hij twee
bekeuringen, voor mishandeling en poging tot
omkopen van ambtenaren in functie.
In Wekerom was men over deze afloop
zeer verbolgen, dergelijke kwesties behoorden, als mannen onder elkaar afgehandeld
te worden, zonder inmenging van politie. In een lang, gepubliceerd, gedicht, hoonde
men de jongeman, die slechts met behulp van de sterke arm, naar de gunst van een
meisje dorstte dingen. Bovendien werd er op gewezen dat Wekeromse meisjes geen
vrijer respecteren, die niet bereid
is een robbertje voor haar te vechten.
Het
fraaie dichtwerk besloot met het volgende welgemeende advies:
Volg
dus, o, Maanderbuurtse helden
Het gebruik dat Wekeromse jongens
stelden.
En
tracteer hen eerst op wijn of bier,
Zonder dat vrijt men niet veilig hier.
Nog
een dergelijke geschiedenis op dit terrein had een jaar eerder, 1928, de krant
gehaald. Ook hier liep het voor de aanvaller niet zo goed af. Deze speelde zich
af in de buurtschap Essen waar een boerenknecht uit het naburige Esveld verkering
had aangeknoopt met een meisje uit genoemd dorp. Natuurlijk bleef dat niet onopgemerkt
en moest worden ingegrepen, Een vijftal jongen uit Essen besloot de adoraties
van de
verliefde jongeman op hardhandig wijze de kop in te drukken.
Op een
donkere woensdagavond vroeger de vaste uitgaansavond voor verliefde paartjes,
had de jongeman zijn geliefde weer netjes thuis afgeleverd en wandelde opgewekt
naar Esveld. Zijn montere stemming werd plotseling abrupt verstoord, toen uit
het duister, van achter een boom, een gedaante op dook, gewapend met een stevige
knuppel en op hem afstoof. Nu zijn boerenknechts, door hun handenarbeid en omgaan
met groot vee, meestal niet van gisteren, ook deze jongeman niet. In een oogwenk
had hij de situatie doorzien, ontfutselde met een snelle greep het wapen van de
aanvaller en deelde op zijn beurt een paar rake klappen uit, die de jongen versuft
op de grond deden belanden.
Op hetzelfde moment kwamen nog vier knapen te voorschijn,
in de stellige overtuiging dat het doelwit van hun opzet was neergeslagen, begonnen
zij gezamenlijk aan een geduchte afranseling. De onfortuinlijke aanvaller, nu
slachtoffer, schreeuwde moord en brand, het duurde heel even voor hij hen aan
het verstand kon brengen dat zij hun eigen kameraad aan het afrossen waren. Eindelijk
drong dit tot hen door, maar toen de beurs geslagen jongen overeind was geholpen,
bleek de linke boerenknecht te zijn verdwenen.
Dergelijke gebeurtenissen
zijn nu verleden tijd, hoewel rivaliteit tussen dorpen soms nog wel een rol speelt,
zij
het op ander terrein. Vrijwel ook elke kleinere plaats beschikt thans over een
voetbalvereniging en als
twee clubs uit de naaste omgeving elkaar bestrijden
en de eer van het dorp op spel staat, kunnen nog altijd
de gemoederen hoog
oplaaien.
H.J.Nijenhuis
 
|