Bij al het vele dat in Ede is verdwenen behoort ook de Bunschoterweg, een heel oude woonwijk, in de volksmond altijd de "Bunschoten" genoemd. De Bunschoterweg werd doorsneden door de Kreelseweg, die verder via het
Edese bos en over de heide naar de Kreelse plas voert; deze naam is dus duidelijk.
De oorsprong van de naam Bunschoterweg is moeilijker te achterhalen; men heeft wel gesuggereerd dat deze te danken is aan de Bunschoter en Spakenburger vissers. Dezen kwamen in vroeger jaren steevast één dag in
de week naar ons dorp om hun vangst aan de man te brengen. Om het tolgeld bij de ingang van het dorp te ontlopen, trokken zij met een boog daaromheen, om langs dit pad het centrum te bereiken, maar officieel staat hier niets van vast.
De Bunschoterweg had, ter hoogte van het pand van de zaadhandelaar Hendriksen, door middel van een smal pad, omzoomd door hoge heggen, verbinding met de Bospoortstraat. In dit steegje moet bij een dronkemans ruzie eens iemand vermoord zijn, reden waarom het vooral bij avond gemeden werd. Aan weerszijden van de weg stonden de veelal eenvoudige huizen, alle met voor een grote tuin, onderbroken door wat bescheiden winkeltjes, zoals onder andere die van groenteboer K. Hendriksen, slager Hartman en twee kruideniers, A. v .d. Blaak en E. de Kruiff.
Onder de bewoners veel bekende Edese namen; om er een paar uit de vergetelheid te halen: de aannemer Gazenbeek, klepperman v.d. Meijden en de dames Heetmeijer, twee ongetrouwde zusters, verschillende bouwvakkers zoals de gebroeders Weijland en J. Schuurman, Koetsier, die de eerste Edese vuilnisophaaldienst begon, en bierhandelaar Van Zetten, om het bij hen maar te laten. Er moest hard gewerkt worden voor het dagelijks brood, maar men was tevreden en altijd bereid elkaar in geval van nood bij te staan. Kortom, het was een buurt met een eigen karakter.
Als herinnering aan al die mensen die hier eens gewoond hebben, willen wij een tweetal van hen voor het voetlicht halen: de gebroeders Gaasbeek. Niet omdat het zulke bijzondere mensen waren ,zij hebben nooit de voorpagina van een krant gehaald waren nog onbekend. Aris kon nog juist bijtijds de vlag achterover halen en stoppen, maar Teris met zijn vaandel, extra verzwaard door de vele medailles, zag er geen kans voor. Hij struikelde, kwam met zijn rechterknie in
onzachte aanraking met de straatstenen, maar slaagde er niettemin in het vaandel voor de dalende spoorbomen weg te trekken. Nadat de trein gepasseerd was, werd de tocht hervat. De knie van Teris begon behoorlijk te steken, maar aan uitvallen dacht hij geen moment; ten slot te moet ook een vaandeldrager tegen een stootje kunnen.
's Avonds thuisgekomen, zakte hij op een stoel neer en trok voorzichtig de broekspijp omhoog om de verwonding te kunnen bekijken. Zijn knie was sterk gezwollen, paarsblauw van kleur en vol geronnen bloed. Zijn vrouw waarschuwde meteen dokter Weijer, die niet lang op zich liet wachten. De dokter haalde een flesje jodium uit zijn tas, waarvan hij een beetje over de gewonde knie goot. Dat veroorzaakte een dusdanige pijn dat Teris met stoel en al achteruit schoof. "Rustig," aldus de dokter, "ik ben nog niet klaar, die wond moet eerst goed schoon." Maar Teris had de schrik te pakken: toen de dokter weer op hem af kwam, schoof hij opnieuw een halve meter terug.
Dokter Weijer deed er een pas bij, Teris dezelfde afstand achteruit. Dit herhaalde zich zo lang, tot hij met de stoel tegen de muur belandde en geen ontkomen mogelijk bleek. Uiteindelijk heeft hij nog zes weken rust moeten houden.
Volop leefden de twee mee met de prestaties van "hun muziek"; tijdens een belangrijk optreden van het korps hadden zij vaak meer last van zenuwen dan de muzikanten. Eens, bij een concours in Beekbergen, stond het korps
keurig opgesteld bij de muziektent te wachten om, zodra het voorgaande gezelschap klaar was, die plaats te bezetten en hun verplichte nummers te spelen. Natuurlijk waren Teris en Aris present, maar de eerste maakte zich zo benauwd over de goede afloop van hun optreden, dat hij er maagkrampen van kreeg. Deze verergerden zodanig, dat een wc opzoeken dringend geboden was, hetgeen hij fluisterend aan Aris meedeelde. Die meende dat daar nog ruimschoots tijd voor was, dus zette Teris het vaandel tegen de achterkant van de muziektent en ging op zoek naar een dergelijke gelegenheid. Op een concoursterrein is echter zoiets niet direct bij de hand. Toen na lang zoeken het euvel verholpen was, bleek bij terugkomst tot zijn ontzetting dat "De Harmonie" juist klaar was met haar uitvoering. Teris schaamde zich
bijkans dood; hij had zijn post schandelijk in de steek gelaten. Tot overmaat van ramp werden de Edese prestaties maar met een tweede prijs beloond.
Zijn verdere leven heeft Teris dit als een persoonlijke schuld gevoeld; compleet met vaandel hadden zij volgens hem een eerste prijs weggesleept.

Beiden waren ook al even enthousiaste leden van de duivenvereniging, hoewel alleen Teris een hok met duiven bezat. Maar het aandeel van Aris mocht er ook zijn, niet alleen met het inkorven voor een bepaalde vlucht op vrijdagavond, maar ook als de duiven in de loop van de zondagmorgen terug werden verwacht. De diertjes hadden vaak de gewoonte na een afmattende tocht wel op het hok neer te strijken, maar niet direct naar binnen te komen. Zoiets betekende tijdverlies, dus posteerde Aris zich met een mandje krielaardappelen achter het hok. Zette een duif zich op het dak neer, dan was het zijn taak met deze munitie het beestje te verjagen, zodat het haastig de klep opzocht en naar binnen trippelde, waar Teris gereedstond om de duif te pakken. Opnieuw was nu de beurt aan Aris; die greep haastig zijn
fiets om, met de duif in zijn hand, naar "De Posthoorn" te spurten. De vereniging beschikte maar over één klok, die daar was opgesteld en waar alle deelnemende duiven geklokt werden. Aan de hand daarvan, plus nog wat
ingewikkelde berekeningen, konden later de winnaars worden aangewezen.
Als bij Teris de duiven wat kort na elkaar binnenkwamen, fietste Aris zich uit de naad, telkens heen en terug. Soms om later te vernemen dat zij, ondanks al deze inspanning, net niet in de prijzen vielen.
De zondag betekende voor hun een dag van ontspanning; de hele week was het werken geblazen, maar die dag namen zij er hun gemak van. Als de duiven hun aandacht niet nodig hadden, werd de morgen besteed met het maken van een tocht door de bossen. Daar waren zij van kinds af thuis, kenden elk pad en bij wijze van spreken iedere boom. Bij gunstig weer werd de wandeling besloten met een babbeltje op het bekende "leugenaarsbankje", boven aan de Oude Arnhemseweg, of, mochten zij van een andere richting komen, aan het begin van de Koeweg. Gewoonlijk kwamen meerdere wandelaars daar even uitrusten, waardoor geanimeerde gesprekken ontstonden. Waren de dorpsnieuwtjes van de afgelopen week voldoende doorgenomen, dan kwam men al gauw op mensen en zaken uit vroeger jaren.
Vooral op dit terrein deden de gebroeders een duit in het zakje; zij beschikten over legio sterke verhalen, al moest het merendeel met een korreltje zout worden genomen.
"Je had leuke mensen vroeger, zoals Vonk de ezelboer," begon Teris. Een paar knikten instemmend, waarna hij vervolgde: "die bezat een kar met een ezel als trekkracht, waarmede hij alle mogelijke zaken naar Wekerom en
Harskamp vervoerde, een soort bodedienst. Voor de dokter in Harskamp moest hij een paar maal in de week brieven en geldzaken op het postkantoor ophalen. De dokter vertrouwde hem blijkbaar niet erg, want dat transport
gebeurde altijd in een gesloten, ijzeren kistje. Daarvoor waren twee sleutels gemaakt, één voor de ambtenaar op het postkantoor, de ander had de dokter zelf. Volgens Vonk een heel achterdochtige manier van doen, om een
eerlijk mens zo slecht te vertrouwen. Maar ondanks al zijn zinspelingen hierop en het stiekeme gepeuter met een haarspeld of ijzerdraadje onderweg is hij nooit achter de inhoud van het kistje gekomen. Vonk was lang geen
domme jongen; moest hij bij een boer wat afleveren, dan stalde hij zijn wagen steevast bij de hooiberg. Terwijl hij naar binnen sjokte om het bestelde af te geven en een babbeltje te maken, deed het dier zich te goed aan het geurige hooi; ook een manier om de voerkosten laag te houden. Daar had je juffrouw Zijtveld," kwam Aris, "die dreef een snoepwinkeltje, een aardig mens maar erg slecht van gezicht. Op haar toonbank lag altijd een zaagvijltje; als iemand met een kwartje betaalde, greep zij die vijl en streek er een paar maal krachtig mee over het muntstuk alvorens het in de winkella op te bergen. Op de vraag van een verwonderde klant waar dat ritueel voor diende, kreeg deze te horen: "Die snotjongens van tegenwoordig; laatst kwamen er twee in de winkel, kochten voor vijf cent drop en zoethout en
betaalden met een kwartje. Ik geef de snoep met twee dubbeltjes terug en zij weg. Laat nu later blijken dat die twee bandieten met een cent betaald hebben, die keurig netjes met zilverpapier was omwikkeld. Daar trap ik niet
meer in; nou vertrouw ik niemand meer, maar neem ik het zekere voor het onzekere.
Op een mooie lentemorgen, midden onder het gekeuvel van de ditmaal vrij grote groep, kwam Kees Schuurman, eveneens een rasechte Bunschotenman, aanslenteren. Hij streek naast Aris op het zachte mos neer en mengde zich in
het gesprek. Het viel op dat de pet van Kees aanmerkelijk bol stond; iedereen had direct door dat hij eieren had gezocht, maar geen van de aanwezigen zinspeelde erop. Het gesprek kabbelde nog een tijdje voort, tot Aris meende
dat het tijd werd voor de middagpot en op wilde staan. ,,'k Begin een bietje stief te worden," bekende hij Kees, "effe een steuntje, jong." Daarbij zette hij een hand op diens hoofd en drukte zich zo omhoog. Op hetzelfde moment dreef de inhoud van de eieren langs het gezicht van Kees, tot onbedaarlijke vreugde van het hele stel.
Als er gespeeld werd, stond voor de zondagmiddag voetballen op het programma. Oorspronkelijk maakten zij de verre wandeling naar de Sportlaan, maar toen sedert 1927 ook achter de watertoren werd gevoetbald, bleven zij
dichter bij huis. Dat het spel daar op beduidend lager peil stond deerde hen minder, zij waren geen fijnproevers. Een beetje opwinding en sensatie,waarbij zij zelf ook hun mondje konden roeren, dan waren de twee in hun
element en daarvoor kwamen zij achter de watertoren beter aan hun trekken. Bovendien speelden hier niet alleen allemaal jongens uit het dorp, maar een groot deel was afkomstig uit hun geliefde buurt. Op gezette tijden
schalde het dan ook langs de lijn: "Jongens, houdt de eer van de "Bunschoten " hoog." Het waren supporters door dik en dun, alleen, je moest niet naast Teris staan: die pruimde onvervalste BZK en sproeide achteloos links
en rechts het vochtige bruine sap, onverschillig waar het terechtkwam, al was het op de jas van zijn buurman. Zij konden ongenadig "zuigen" en spaarden de spelers heus niet de nodige kritiek. Prachtige opmerkingen konden zij plaatsen, zoals, bij wijze van troost na een verloren, rumoerige wedstrijd: "Nou ja, zijn jullie niet beroemd geworden dan toch berucht."
Zoals in de aanvang gezegd, beiden waren schilder van beroep. Teris was al nagenoeg volslagen vakman toen Aris, van school gekomen, ook schilder wilde worden en natuurlijk bij de baas van Teris. Typerend is overigens dat
beiden, ook in hun latere leven, vrijwel steeds bij dezelfde patroon in dienst waren. Teris werkte toen bij Bosman, een klein schildersbedrijf, waar je echter een grondige opleiding kreeg, dus kwam Aris daar ook. Teris leerde
zijn jongere broer niet alleen de eerste beginselen van het gronden en plamuren, maar ook hoe je behoorlijk een borrel moest drinken, een onmisbare eigenschap in de bouwvak. Tevens prentte hij hem in dat het altijd voordeliger blijft er een te krijgen dan te kopen.
Het was in de tijd dat teakhouten voordeuren in de mode kwamen; die gaven een huis niet alleen een mooiere, maar ook een duurdere indruk. Zij waren nogal prijzig, vandaar dat een oude deur ook wel werd geïmiteerd door het "kleuren" in eiken of teak, een karweitje dat Terisuit de kunst verstond. Dat moest ook eens gebeuren bij een mevrouw aan de Arnhemsestraatweg, die ook wel voor weinig geld een eiken voordeur wilde hebben.
Terwijl Teris, geholpen door leerling-broer Aris, de vurenhouten deur blank schuurde, een eerste vereiste bij dit werk, informeerde mevrouw of, gezien de toestand van de deur, het resultaat werkelijk goed zou worden. "Natuur-
lijk mevrouw, daar ben ik vakman voor," antwoordde Teris in alle bescheidenheid en hij vervolgde, "maar wil mevrouw werkelijk iets bijzonders hebben, dan moet u een halve liter jenever halen om door de kleurstof te mengen. Voor dit werk is er niets beters." Mevrouw keek wel wat ongelovig, maar ging toch even later het dorp in om terug te komen met een flesje jonge, dat zij Teris overhandigde, die het voorlopig in zijn binnenzak stak.
Op gezette tijden nam hij een stevige slok, waarbij ook Aris niet vergeten werd. De deur werd echter zorgvuldig behandeld; het lukte zelfs buitengewoon; waarschijnlijk had de alcohol toch nog wel invloed uitgeoefend.
Het resultaat bleek een prachtige "eiken" voordeur, niet van een originele te onderscheiden. Dit tot volle tevredenheid van mevrouw, die met verbazing concludeerde: ,;Dan is die rommel toch ergens goed voor."
Dat wisten de meeste Bunschotenaren allang, want ook vader Jan Gaasbeek was er niet vies van. De bekende huisslachter Koops zou daar in het najaar een varken slachten. Nadat het dier was gestoken meende Gaasbeek dat zij
er nu maar één op moesten nemen, overigens een vast ritueel bij dergelijke gebeurtenissen; het dier kon in die tijd leegbloeden. Ook bij de slachter was dit niet tegen dovemansoren gezegd; die eerste lieten zij zich goed smaken. .
Toen beiden even later met een emmer kokend water voor het ontharen terugkwamen, bleek tot hun schrik dat het varken verdwenen was. Na enig zoeken vonden zij de krulstaart achter in de hof, druk bezig de boerenkoolstruiken te vernielen. Het dier had slechts een behoorlijke schram opgelopen; de gewoonlijk zo ervaren Koops was er ditmaal volkomen naast geweest. Opnieuw werd het varken naar het plaatsje achter het huis gebracht; ditmaal was er geen ontkomen aan, maar met de tweede borrel werd veiligheidshalve gewacht tot dat het dier schoon en open gesneden aan de ladder hing.
Bij het zogenaamde klantenwerk, dat vooral in het schildersvak regelmatig voorkomt, is koffie drinken een geliefkoosde onderbreking van het werk.
Teris en Aris werkten eens bij Teus de Bondt, vroeger een bekende, joviale schildersbaas aan de Kreelseweg. De armenhuizen, een rij woningen aan de Kleefseweg, nu al lang gesloopt, kregen een opknapbeurt en de twee, met
hulp van halfwas Ab de Bruin, werden met dit karwei belast. De eerste morgen ging ook de baas mee om hen "effe "op dreef te helpen", zoals hij dat uitdrukte. Nu woonden daar weliswaar hartelijke mensen, maar met een smalle beurs; mede daardoor beschouwden zij hygiëne niet als een noodzakelijke levensbehoefte. Tegen half elf riep een van de bewoonsters: "Schilders, komen jullie koffie drinken? " Het eerste dat zij bij binnenkomst in het benauwde keukentje zagen was een melkkan, waarvan de inhoud met een laag vliegen was bedekt. Teris en Aris keken elkaar even aan, waarop de eerste, terwijl de vrouw wilde inschenken, te kennen gaf: "Wij drinken ze alleen maar zwart." Teus de Bondt echter, die al onpasselijk werd als hij in de kan keek en aanstonds toch naar huis ging om met zijn vrouw een bakje
te drinken, verklaarde dat hij vanwege zijn maag helemaal geen koffie mocht drinken. "Och baas toch," kwam de vrouw, "kan ik dan niks an je kwiet? " "Jawel," reageerde Aris prompt, "hij mag wel melk, dat is altijd goed voor de maag," waarop de vrouw hem opgewekt een kom met vliegenmelk voorzette. Teus kon er niet onderuit, dronk met weerzin zijn kopje leeg, waarbij nog een paar vliegen aan zijn grote snor bleven hangen, en smeerde hem voor de vrouw een tweede rondje inschonk.
Soms, gelukkig niet dikwijls, was er, ondanks dat er aan een bewoond pand werd gewerkt, geen koffie bij. De gebroeders waren een tijdlang in dienst bij Joh. Plooy, een groot schildersbedrijf aan de Parkweg. Op een zaterdagmorgen moesten zij naar een boerderij in de Maanderbuurt; daar hadden al vier man de gehele week gewerkt om het 'buitenwerk van woonhuis en stallen opnieuw in de verf te zetten. Plooy had beloofd het karwei in een
week te zullen klaren; een baas is wat dat betreft altijd optimistisch.. De vier hadden het echter niet gered, dus moesten Teris en Aris deze laatste morgen bijspringen; met hun hulp kon Plooy alsnog zijn woord gestand doen. Het eerste dat de twee bij hun komst van de anderen te horen kregen, luidde: "Het is hier een zuinige beweging, geld genoeg, maar een kopje koffie kan niet lijden." "Dat zal vanmorgen dan wel anders worden," meende Teris, "ik ken dat soort en weet hoe je die aan moet pakken." Men ging aan het werk; tegen half elf kroop Teris achter een staldeur en riep met een perfect nagebootste vrouwenstem: "Koffie drinken, jongens." Verbaasd keken de vier elkaar aan: die verrekte Teris had het toch voor elkaar gekregen. Achter elkaar drentelden zij de keuken binnen, waar zij een verbouwereerde boerin
zagen, die vroeg wat zij van plan waren. "Er is toch voor koffie geroepen,"meende er een. "Dat kan wel, maar niet door mij; schiet maar liever op, dat het werk vanmorgen tenminste klaarkomt," was het snibbige antwoord.
Teleurgesteld dropen zij af om buiten met een daverend gelachdoor Teris en Aris te worden ontvangen.
Wat later werkten zij voor dezelfde baas op "De Valouwe", een prachtig landgoed dat in de oorlog werd verwoest maar wel weer is opgebouwd.
" Achter de kapitale villa lag een grote vijver, waarin talrijke karpers zwommen. In schafttijd stonden de twee er naar te kijken, ernstig overleggend hoe deze vissoort in gebakken toestand zou smaken. "Dat is uit te proberen,"
meende Aris, dus schepten zij twee kanjers uit het water, die ongemerkt in de fietstas verdwenen. Dank zij medewerking van moeder de vrouw kon worden vastgesteld dat karpers een heerlijk gerecht opleveren. Daarna volgden meerdere vissen de weg naar het Bunschoter pad, totdat de boswachter, in dienst bij het landgoed, meende dat de karperstand achteruit liep. Hij deelde deze bezorgdheid mee aan de schilders, waarop Teris ten antwoord gaf: "Geen wonder, elke morgen als wij een kwartiertje schaften, komen er twee reigers aanvliegen, duiken een vis uit het water voor hun dagelijkse rantsoen en smeren 'm weer." "Wel verdraaid," aldus de boswachter, "daar moet ik een stokje voor steken, dat is te gek." Dagenlang was hij voortaan 's morgens tegen negen uur bij de vijver te vinden, maar de reigers moeten
nu nog komen.
.jpg)
Dat waren de gebroeders Gaasbeek en met hen vele andere bewoners van de vroegere "Bunschoten"; mensen met levenslust en humor. Wat hebben zij zich uitgesloofd om hun buurt te versieren bij passende gelegenheden. Bij de
onafhankelijkheidsfeesten in 1913, het zilveren jubileum van koningin Wilhelmina in 1923 of de eerste heideweken vanaf 1935. Dagenlang waren alle bewoners gezamenlijk in de weer om de Bunschoter- en Kreelseweg een
feestelijk aanzien te geven. Want feestvieren konden zij daar: jong en oud nam er uitbundig aan deel. Het is allemaal voorbij, er komt een moderne woonwijk, maar oudere Edenaren denken met een tikkeltje heimwee terug aan de oude "Bunschoten" en zijn bewoners.
.jpg)
H. J. Nijenhuis

