Bij de, na de tweede wereldoorlog begonnen en nog steeds voortschrijdende uitbreidingen rond en in ons dorp, zijn heel wat panden en diverse straten ten offer gevallen aan deze expansiedrift. Zelfs verdween een gehele uitgestrekte woonwijk, in de volksmond bekend als "de Bunschoten". Hiermede werd bedoeld de Bunschoter en Kreelseweg, die beiden nog een bescheiden uitloper bezaten, resp. Bunschoterpad en Kreelsedwarsweg. Alle mensen die aan genoemde wegen woonden behoorden vanouds tot de Bunschoten. Zij vormden
door de jaren heen een hechte gemeenschap met een onderlinge band waar burgerzin en burenhulp hoog in het vaandel stonden geschreven. Bij gezinsvermeerdering of ziekte van de huisvrouw, altijd stonden gedienstige handen klaar die zorgden dat het betreffende huishouden normaal bleef draaien.

Heel vroeger werd, bij een sterfgeval, ook de begrafenis door de buurt geregeld en fungeerden twaalf mannen, op weg naar het kerkhof, als dragers.
Anderzijds, heugelijke gebeurtenissen, een zilveren of gouden bruiloft, betekende veelal ook feest voor de buurt.
Kapitaalkrachtige mensen zou men hier tevergeefs zoeken: de verschillende huizen, bescheiden van omvang, zij het goed onderhouden, toonden dat duidelijk aan. Een klein voortuintje waarin palmplantjes de boventoon voerden, een bleek voor het wasgoed en achter het huis "de hof", een lap bouwland voor de teelt van groenten en aardappelen. Toen enkele jaren geleden het gehele terrein nog braak lag, kreeg men een goede indruk over hoeveel grond gemiddeld elke buurtbewoner destijds kon beschikken.
Naast het bewerken van deze hof, hield vrijwel elk gezin één of meer varkens die in november werden geslacht en gedurende de wintermaanden de slager buiten de deur hield. Het Edese bos leverde niet alleen volop
blad voor " streuing", maar tevens brandhout om de grote fornuisketel in de schuur, waarin het varkensvoer werd gekookt, te stoken.
Na het dagelijks werk, dus ook in de vrije tijd, volop werk voor de vroegere Bunschoten-bewoners. Zij wisten echter niet beter en leefden tevreden en in goede harmonie met elkaar ondanks soms zeer verschillende levenspatronen. Er woonden mensen met strenge christelijke opvattingen naast anderen die een kerk slechts van buiten kenden, maar dat vormde geen enkele belemmering om toch als goede vrienden met elkaar om te gaan.
Ook mensen van buiten waren over het algemeen vrij snel ingeburgerd.
Zo trouwde de timmerman Geurt Heij in het begin van deze eeuw met een meisje uit Amsterdam. Aanvankelijk vroeg de omgeving zich af waarom hij het zo ver van huis had moeten zoeken, maar nadat het stadse " Sophia" was teruggebracht tot het Edese Fie", werd zij al gauw geaccepteerd.
De vrouw van de ijscoman B. v. Heertum, Duitse van geboorte, verklaarde, na de noodgedwongen verhuizing, meermalen nergens met zoveel plezier te hebben gewoond dan in de Bunschoten.
De Engelsman Clifferd Matton voelde zich in deze buurt volkomen thuis evenals de Rotterdamse familie Dorpmans.
Het overgrote deel van de bewoners waren echter geboren en getogen Edenaren; ook de later zo bekend geworden schrijver Jac. Gazenbeek bracht hier zijn jeugdjaren door. Om nog wat namen uit de vergetelheid te halen, daar had je, onder aan de Kreelseweg, Florissen, een uiterst zwijgzaam man, die geen woord liet horen tenzij het strikt noodzakelijk was.
Kwam hij af en toe in café de Korenbloem, dan betekende één klopje op de tafel: " een borrel", het tweede: nog eens bijschenken, en een derde: " afrekenen".
Op de hoek van Bunschoter en Kreelseweg woonde, heel bescheiden Gaart Wassinkmaat, die steevast beweerde: .. " Mensen die het hardst werken, hebben het kleinste huisje" Om te bewijzen dat ook arme mensen eerlijk kunnen zijn, bracht deze man eens een gevonden dubbeltje persoonlijk bij de burgemeester, tot grote verbazing van bode Versteeg. Naast hem een weduwe, altijd aangeduid als " Jans van Toon". Slechts weinigen wisten dat zij eens was getrouwd met A. v.d. Meyden, telg van een uitgebreide familie waarvan heel
wat leden in de Bunschoten zijn opgegroeid, met als bekendste Gaart v.d. Meyden, nachtwacht en klepperman.
Aan een verbindingspad tussen Bunschoterweg en Kreelsedwarsweg woonde eens de doodgraver Van Garderen en zijn gezin, een levenslustige familie.
Zijn huis was vaak de zoete inval voor de opgeschoten jeugd uit de omgeving die daar de eerste beginselen van het edele kaartspel leerden, van één en dertigen tot pandoeren toe. Nog andere namen duiken op: de dames
Heetmeyer, waarvan er één handwerklerares was aan de Paasbergschool, Peet Scherrenburg en Kees Schuurman, door hun stropersactiviteiten als geen ander thuis in de bossen, Hent Veenendaal en Aart v.d. Blaak, beiden metselaar en Kraaypoel, de timmerman, om het daar maar bij te laten.
Vervolgens, verspreid door de buurt, wat kleine neringdoenden: de groenteman K. Hendriksen, de zaadhandel B. Hendriksen, het kruidenierswinkeltje V.d. Wetering, slager Robbertsen, later Hartman met aan de
overkant de eerste Edese vuilnisophaaldienst van Koetsier. Heel achter aan de Bunschoterweg de " winkel van Sinkel " van Herman de Kruijff, zo genoemd omdat deze man, naast levensmiddelen, nog alle mogelijke artikelen,
zoals klompen, verf, turf, briketten en zelfs tuingereedschap verkocht.
Toen zijn vader deze zaak begon werd hij voor gek verklaard. De Kruijff werkte bij de familie Knuttel, bewoners van de villa " Stompekamp" tegen een beloning van vijf gulden per week plus vrij wonen; zo'n vaste baan
stelde je toch niet in de waagschaal. Maar het bleek geen miskleun, zoon Herman maakte er een goed lopende zaak van. In hetzelfde pand begon broer Johan de Kruijff een melk, boter- en kaashandel, terwijl een derde telg, Willem, hier jarenlang een kapperszaak heeft gedreven.
Tegenover dit winkelcomplex de drankenhandel V. Zetten, tevens grossier in Z.H.B.-bier. Aan de Kreelseweg nog wat zakenmensen, W. Septer, rijwielhandelaar en reparatie-inrichting, schildersbedrijf T. de Bondt en bodedienst Remmelink. Allemaal bekende namen, die gemakkelijk met talrijke anderen kunnen worden aangevuld; mensen die hier eens woonden met hun zorgen en ook spontane vreugde. Want feestvieren konden de Bunschotenaren; wat hebben zij zich uitgesloofd tijdens nationale feestdagen en vooroorlogse
Heideweken. Jong en oud waren avonden in de weer om hun buurt op passende wijze te versieren. Op de kruising Bunschoter en Kreelseweg verrees dan een enorme, op vier zuilen rustende erepoort, IS avonds het trefpunt voor echt massale feestvreugde.
In deze volksbuurt bestond bovendien een sterk gevoel voor verenigingsleven; van hier kwamen de oprichters o.a. de gebrs. V.d. Blaak en Weyland van het eerste Edese muziekkorps de Heibloem. De duivensport, met als
gangmakers de gebrs. Gaasbeek, vierde er hoogtij en ook de v.v. "Edese Boys stamt uit deze omgeving. Op zomeravonden deed de Bunschoter jeugd haar eerste ervaringen met het bruine monster op in het Edese bos. Te midden van de machtige beukenstammen werd daar de landelijke rust luidruchtig verstoord, tot grote ergernis van bosbaas Waanders, maar dat tenslotte, in 1927, resulteerde tot oprichting van genoemde vereniging.
De oude Bunschoten is verleden tijd; de vroegere bewoners, voor zover nog in leven, zijn her- en derwaarts verspreid, maar velen van hen denken nog vaak met een tikje nostalgie aan hun vroegere buurt.
Nu verrijzen hier moderne, comfortabele woningen die de landelijke huizen van weleer doen vergeten en waardoor het geleidelijk onmogelijk wordt zich nog een voorstelling te maken hoe eens de Bunschoten er uit
zag.
H.J. Nijenhuis

