In
1950 vertelde de toenmalige gemeentearchivaris, de heer S. .B. J. Denijs, een
man die heel wat interessante verhalen heeft opgetekend, over een enorme ramp,
die, toen precies hondera jaar geleden, in Lunteren had plaats gevonden. Hij deed
dat aan de hand van gegevens, nagelaten door mevr. Schothorst-Roelofsen. De heer
Schothorst was in zijn tijd, een gezien figuur in Lunteren: hij maakte van 1851
tot 1887 deel uit van de Edese gemeenteraad, waarvan niet minder dan achtentwintig
jaar als wethouder .
Ondanks het grijze verleden willen we deze geschiedenis,
zij het met eigen woorden nog eens ophalen.
Het voorjaar 1850 gaf
een weliswaar vroege maar ook mooie Pasen: de tweede Paasdag viel op de eerste
april. Die avond genoten de mensen van het uitzonderlijk mooie weer en velen maakten
nog een buurpraatje. Hier en daar werden
Paasvuren ontstoken, maar verder werd
de landelijke rust door niets verstoord. Plotseling, het begon al te schemeren,
werden de dorpelingen opgeschrikt door het luiden van de zware brandklok. Al spoedig
was alom bekend dat een hooiberg van de gebrs. Floor in brand stond.
Door het
klokgelui gealarmeerd verzamelden zich ijlings de mannen van de vrijwillige brandweer
en trokken er met de primitieve middelen van die tijd, op uit om het vuur te
bestrijden.
Overgeslagen
Bij aankomst evenwel bleek niet alleen
de hooiberg vrijwel uitgebrand maar was het vuur, aangewakkerd door de wind reeds
overgeslagen naar twee korenbergen.
Het zou nog veel erger worden: nog tijdens
het uitleggen van de slangen stonden de kurkdroge dak er van belendende percelen
in brand.
Meerdere huizen in deze dichtbewoonde buurt volgden: de Lunterse
brandweer. hoewel geholpen door vele omwonenden, moest machteloos toezien hoe
de verzengende vuurgloed van huis tot huis trok.
Wel werd de assistentie ingeroepen
van de brandweerkorpsen uit Ede en Barneveld. maar voor deze arriveerden had de
ramp zich voltrokken en kon men zich bepalen tot nablussen.
Daarna wees een
trieste balans uit dat niet minder dan twintig huizen een prooi van de vlammen
waren geworden en daardoor vierendertig gezinnen met een totaal van honderdvijfendertig
personen dakloos. Gelukkig hadden zich
geen persoonlijke ongelukken voorgedaan.
maar die avond van de eerste april 1850 bevond het dorp zich in een allertreurigste
toestand. Er heerste grote verslagenheid en verwarring; ouders zochten hun in
paniek weggelopen kinderen. anderen liepen radeloos om de smeulende puinhopen
van wat eens hun huis was geweest in de hoop nog wat bruikbaar meubilair te vinden.
Hulpverlening
In
een dorp als Lunteren, waar vanouds onder de bevolking een sterke onderlinge band
bestaat, kwam de hulpverlening al gauw op gang. Allereerst moest voor onderdak
van de slachtoffers worden gezorgd. Geen bewoner van gespaarde huizen, die niet
spontaan aanbood twee of meer mensen, naar gelang de beschikbare ruimte, gastvrij
op te nemen. Wel ging daar de nodige tijd inzitten, familieleden van de daklozen
wilden graag bij elkaar blijven, wat niet altijd mogelijk bleek. Met veel passen
en meten was de zaak, in de vroege ochtend van de tweede april echter rond en
hadden alle honderdvijfendertig weer een dak boven het hoofd.
Ook van buiten
het dorp kwam hulp opdagen. Met de zojuist geïnstalleerde burgemeester Prins
aan het hoofd werd een commissie benoemd om vooral de financiële nood te
lenigen. Sommige bewoners, wat verder van de brandhaard, hadden nog wel een en
ander in veiligheid kunnen stellen, anderen bezaten geen cent meer .
Geen van
de gedupeerden was tegen brand verzekerd en toch moesten de huizen weer opgebouwd
worden. Voor het goede doel werd allereerst een huis-aan- huis collecte in de
gehele gemeente gehouden. Het medeleven met de getroffen Lunteranen bleek groot;
men gat met gulle hand. In betrekkelijk korte tijd was een bedrag van ruim zes
duizend gulden bijeen gebracht, naar schatting tweederde deel van de totale
schade. Reeds in die jaren stond Lunteren bekend als een dorp waar het goed toeven
was en heel wat gegoede Amsterdammers brachten een paar weken van het jaar in deze
fraaie omgeving door. Daarom werd in de hoofdstad een boekje te koop aangeboden
waarin de ramp werd beschreven, dat, na aftrek van de onkosten, een goede honderd
gulden opbracht. Naast geld werden ook veel giften in natura, vooral levensmiddelen,
geschonken, die zo eerlijk mogelijk verdeeld werden. Hoewel zich tijdens de gedwongen
inwoning, geen moeilijkheden voordeden. is het begrijpelijk, evacués uit de
tweede wereldoorlog kunnen daar over mee praten, dat de betrokken mensen liefst
zo spoedig mogelijk weer over een eigen woning konden beschikken.
Puinruimen
Reeds
enkele dagen na de ramp werd begonnen met puin ruimen,stenen en ander bruikbaar
materiaal opgeslagen en kwam de wederopbouw op gang. Allereerst de huizen die
de minste schade hadden opgelopen met als resultaat dat reeds een maand na het
uitbreken van de brand. De eerste twee huizen weer bewoonbaar waren resp. van
de familie Van de Kaa, die onderdak in de pastorie had gevonden en van de familie
De Bruin. Men bleef die zomer in hoog tempo doorwerken waardoor nog dat zelfde
najaar alle huizen uit de as waren herrezen. Een pleister op de wonde vormde het
feit dat door deze nieuwbouw dit gedeelte van het dorp een veel fraaier aanzienhad
gekregen.
Gemeenteraad
Vanzelfsprekend werd nog heel wat
nagepraat over deze enorme ramp, de gemeenteraad van Ede had er reeds op 20 april
1850 een zitting aan gewijd. Daar werden niet alleen de plannen omtrent de hulpverlening
verder uitgewerkt.
maar ook het rapport van de Edese brandweercommandant, de
heer Van Grootheest. behandeld. Voor de aardigheid laten we het begin van dit
verslag volgen: "Op Maandag, de eerste April 1850 s 'avonds tegen negen uur,
kwam er een estafette te paard spoorslags naar mij. commandant van de Edese brandweer,
gereden, om te kennen te geven dat te Lunteren een aanmerkelijke brand woedde
en derhalve de hulp van onze brandweer kwam inroepen. Daarop werd dadelijk de
brandklok geluid. De spuiten uitgehaald en met de inmiddels opgekomen in grote
spoed naar het toneel des brands gereden. In deze stijl gaat het verslag
nog enige tijd door om te besluiten met de conclusie dat de oorzaak van de
brand niet kon worden vastgesteld. Inderdaad is men daar nooit achtergekomen,
al bestond het vermoeden dat bij het afsteken van vuurpijlen door opgeschoten
jongens in de hooiberg van Floor belandde.
Ook in Lunteren hebben sindsdien
de nodige grote of kleinere branden plaatsgevonden, met als meest opzienbare van
deze eeuw de brand van het herstellingsoord voor onderwijzers. Een brandje, overigens
van weinig betekenis, uit 1929 willen we nog even oprakelen, niet om het feit
als zodanig maar door de daar, zij het noodgedwongen, toegepaste blusmethode.
Hooiberg
Op zaterdag 2 maart van genoemd jaar brak brand uit
in een hooiberg van de landbouwer Van de Berg op "Zeggelaar". Gewoontegetrouw
zond men direct iemand naar de toren om de brandklok te luiden. Helaas wellicht
door de haast of onkunde van de luider, schoot het touw van de kieper, zodat
de klok haar sombere klanken niet liet horen. Toch moest de brandweer gealarmeerd
worden en de man kreeg het heldere idee naar veldwachter Klaassen te gaan. Deze
beschikte nog over een oude brandhoorn en trok daarmede, al blazende door de straten
aldus de verbaasde dorpelingen te verkondigen dat er brand was en de brandweerlieden
zo spoedig mogelijk moesten uitrukken.
Zij het met enige vertraging, werden
de twee auto's, waarover men toen al beschikte, in gereedheid gebracht en ging
het alsnog richting "Zeggelaar". Het bleef een pechdag voor de anders
zo parate Lunterse brandweer; halverwege bleven de wagens door de slechte toestand
van de weg, steken.
Emmers
Er was geen beweging meer in te krijgen,bij
elke poging zakten de wielen dieper in de modder. Ten einde raad besloot de commandant
te voet verder te gaan en zonder blusmateriaal de brand op ouderwetse manier te
bestrijden. Geholpen door een aantal omwonenden, werden uit een sloot emmers met
water gevuld en deze van hand tot hand naar de vuurhaard doorgegeven. De hooiberg
ging weliswaar verloren, maar dank zij het doorzetten van de Lunterse brandweer
wist men het woonhuis door aanhoudend nat houden te redden.
H. J. Nijenhuis

