Ede
is een gemeente in groen. Wie oude kaarten van de gemeente bekijkt moet constateren
dat Ede nog nooit
zo groen is geweest, althans nog nooit zoveel bossen heeft
gehad. Dat is mooi meegenomen nu de mensheid door ernstige vervuiling van de
lucht wordt bedreigd. Bomen filteren immers de lucht, ze beschermen ons tegen
weer en wind, tegen geluidshinder en ze, zijn belangrijke producenten van zuurstof.
Over bomen kunnen alleen maar aardige dingen worden gezegd.
Maar dat weten
we al sedert Johannes Baptista Helmont meer dan 300 jaar geleden ontdekte, dat
bomen het
koolzuurgas uit de lucht verbruiken om dat vervolgens, onder inwerking
van het zonlicht, in zuurstof om te zetten.
Of Ede zijn uitgestrekt bosbezet
zal kunnen handhaven, hangt af van de maatregelen die we tegen het alom doorvretende
milieubederf zullen nemen. Wie sommige politici de gevolgen van uitstoot van verkeer
en industrie en van overbemesting, van zure regen dus, hoort bagatelliseren, vraagt
zich af of ze niet beter wat anders kunnen gaan doen.
Als afdoende maatregelen
uitblijven zal Ede de verwoestende gevolgen van zo'n wanbeleid ondervinden. Een
bosrijke gemeente dus. Van een gemeente die voor bijna 30 procent uit bossen bestaat
mag men dat wel zeggen. Waarmee overigens niet gezegd wil zijn, dat alle houtopstanden
de aanduiding "bos" verdienen. Ook Ede heeft zijn eentonige, foeilelijke
dennenakkers lange rijen grove dennen zonder enige ondergroei. Het zal duidelijk
zijn dat deze eenvormige houtopstanden, die gemakkelijk mechanisch onderhouden
en gekapt kunnen worden, niets met een echt bos van doen hebben.

Grondleggers
De bossen bij Ede zijn er niet allemaal tegelijk gekomen, maar wel in
een betrekkelijk korte periode. Als grondleggers van de huidige bossen mogen onder
andere worden genoemd de Bentincks, de Van Wassenaers en de Lunterse notaris Van den Ham. Zij lieten vele honderden hectaren bos aanplanten en waren anderen
tot voorbeeld. De heren hadden ook hun tijd mee. In de vorige eeuw en ook nog
in het begin van deze eeuw was de drang tot ontginning van, wat genoemd werd, "woeste gronden" zo groot, dat velen er een bijbelse opdracht in
zagen. De aarde moest worden onderworpen, nietwaar. En de grond dienstbaar gemaakt
aan de mens, ook al gold die dienstbaarheid slechts enkelen. Leidde de drang tot ontginning tot vernieling van het Beekbergerwoud, het laatste natuurbos van
Nederland, in Ede en elders op de Veluwe richtte die zich juist op de bosbouw.
Een belangrijke stap op weg naar diverse ontginningen was de oprichting van de
Nederlandse Heidemaatschappij in 1888. Overigens is deze maatschappij in de
gemeente Ede niet erg actief
geweest.
Buurtbos
De ontginningen
hier zijn meer het werk geweest van de ingezetenen. Van notaris J. H. Th. W. van
den Ham bijvoorbeeld, de stichter van het Lunterse Buurtbos. Hij heeft Lunteren
omstreeks de eeuwwisseling een totaal andere omgeving gegeven. Notaris Van
den Ham was de man die zo'n 130 ha. heide en woeste grond met voornamelijk dennen
liet beplanten, nadat dit gebied onder de deelgerechtigden van de buurtschap was
verdeeld en vervolgens door hem aangekocht.
Toen hij op 90-jarige leeftijd
overleed had hij Lunteren een gezond bos gegeven. In zijn testament had hij bepaald
dat het Buurtbos de gemeenschap zou toebehoren. Lunteren en de duizenden toeristen
en dagjesmensen die er jaarlijks komen, profiteren er nog altijd van.
Met de
aanplant van het Buurtbos verdween de lichtgolvende, onafzienbare heidevlakte
ten oosten van het dorp. Een vlakte die zich uitstrekte voorbij Meulunteren en
die aansloot op de heidevelden en woeste gronden bij Otterlo en Harskamp.
Toen
notaris Van den Ham nog plannen maakte voor de aanplant van het Buurtbos, waren
detienduizenden bomen op het landgoed Hoekelum bij Bennekom al flink uit de kluiten
gewassen. Daar werd in de dertiger jaren van de vorige eeuw
met de ontginning
begonnen. Daaraan herinnert een monument, een ietwat stompe obelisk, in het Hoekelumse
Bos, dat in 1859 door vijf broers ter ere van hun vader werd opgericht.
Obelisk
Onder
een gietijzeren medaillon met houweel, pikijzer en schop staat in niet al te best
Nederlands: "In den jare 1838 zijn de bosschen de Wassenaerts en Balverenskamp
in ontginning gebracht door Otto Baron van Wassenaer, Heer der beide Catwijcken
en 't Zandenz. enz. en is deze steen tot zijn dierbaar en hooggeacht aandenken
door zijne vijf dankbare zonen opgericht "Anno 1859". Op dezelfde obelisk
wordt ook hulde gebracht aan Gerrit van Hoogstraten, "die vanaf 1820 op Hoekelum
als werkbaas zijn trouwe diensten bewijst". Het monument op Hoekelum wordt
van algemeen belang geacht wegens zijn schoonheid en betekenis voor de volkskunde
en de streekgeschiedenis. Daarom is het voorgedragen voor plaatsing op de gemeentelijke
monumentenlijst.
Edese bos
Meer naar het oosten, in de richting
Wolfueze, waren het William graaf Bentinck en diens zoon Gustaaf Charles graaf
van Aldenburgh Bentinck die in de vorige eeuw honderden hectaren heide en woeste
grond in. bos hebben veranderd.
Ook veel bezitters van kleine percelen gingen
tot bebossing over en droegen in belangrijke mate bij tot de landschappelijke
verandering van de Zuidwest-VeIuwe.
Misschien niet het mooiste maar wel bekendste
bos voor de Edenaren is het Edese Bos. Al generaties lang. Het is een bos waarin
veel wordt gewandeld en dat hoe langer hoe meer de functie van stadspark vervult.
Voor Ede is dit bos altijd van grote betekenis geweest.
Omstreeks 1500 was
het ongeveer het enige bos waarin de Edenaren hun varkens op eikels en hun koeien
en
schapen op gras mochten weiden. Nog altijd wordt de toegangsweg naar het
bos "Koeweg" genoemd.
Het 434 ha. grote bos is aloud. Op verschillende
plaatsen herinneren verweerde stobben aan de tijd dat het bos grotendeels in eikenhakhout
bestond. Om de acht jaar werd dit hout gehakt en geschild. Om die schillen was
het begonnen want die gingen naar de leerlooierijen in de Brabantse Langstraat.
Dat betekende werk voor hele gezinnen. De dennen in het Edese Bos dateren van
1888, maar het grote beukenbos ten noorden van de Otterloseweg is al meer dan
anderhalve eeuw oud.
Het Edese Bos, dat sedert het natuurjaar 1970 eigendom
is van de gemeente Ede, heeft heel wat eigenaren gehad. Algemene bekendheid genoot
baron Van Heeckeren. Kennelijk niet omdat hij zo meegaand was, maar meer omdat
hij voortdurend ruziede met de Buurt Ede- Veldhuizen over de grenzen van zijn
bezit.
Aan die kibbelarijen danken we een zogenaamde brandlaan van de huidige
Tra.
Met de daaropvolgende eigenaar van het Edese Bos, W. F. C. H.
graaf Bentinck en Waldeck Limpurg, die onder andere ook de Sysselt bezat en op
kasteel Middachten in De Steeg woonde, konden de Edenaren het heel wat beter vinden.
Op graaf Bentinck, zo was algemeen bekend, deed men nimmer vergeefs een beroep.
Het is dan ook geen wonder dat de graaf op de dag dat hij 40 jaar Heer van
Kernhem was, dat was in 1952, van "de bevolking van Ede" een prachtige
bank kreeg aangeboden. En waar zou die bank beter kunnen staan dan in het Edese
Bos?
Verder naar het oosten liggen de gemeentelijke bossen als De Hindekamp
en het 2000 ha grote Planken Wambuis van Natuurmonumenten.

Oostelijk
van Ede ligt ook De Sysselt van de Stichting Het Geldersch Landschap. Zoals bekendbestaan
er plannen om in deze fraaie omgeving een compagnies-oefenterrein (COT) aan te
leggen. Uitvoering van dit plan zal dit gebied ruïneren, evenals andere in
de omgeving gelegen natuurterreinen. Daarmee zal het prachtige "achterland"
van Ede danig worden gehavend.
Maar misschien denken velen dat een terrein
met bomen ook een bos is. En dat we nog genoeg bossen hebben aan het Roekelse
Bos, het Deelerwoud en het Nationaar Park De Hoge Veluwe, dat: dit voorjaar een
halve eeuw bestaat. Dat is dan een groot en gevaarlijk misverstand waarvan de
gevolgen mogelijk nog erger kunnen zijn dan die van de zure regen. Nog is Ede
een gemeente in't groen. Maar er moet wel wat worden gedaan om het zo te houden.

