In
het Edese bos mochten we vroeger nu en dan bijvoorbeeld in de zomervakantie wel
eens gaan spelen of
bosbessen plukken. Dat bos lag immers vlakbij het dorp
en het was er niet eenzaam. Een boswachter hield er toezicht en dan liepen
er nog twee schuts of jachtopzichters. Maar de Sijsselt lag veel verder weg en
al zag je Peter van Lou elke morgen, het jachtgeweer schuin voor de rug, naar
dat bos gaan, het was veel te afgelegen dan dat wij, schooljongens, daar zonder
geleide naar toe mochten gaan. Bovendien, zo had de oude Harmen verteld, trok
door de Sijsselt van tijd tot tijd een gruwelijk spook, dat met veellawaai
langs je heen raasde, een sliert van rook en vonken achter zich latend.
Vele
jaren later toen we ook hoorden, dat Harmen met de helm was geboren, dus het tweede
gezicht had en derhalve in de toekomst zag, ja toen werd de betekenis van dat
lawaai makende spook ons ook onthuld: het was natuurlijk de trein met locomotief,
die na de aanleg van de Rijnspoorweg tussen Ede en Amhem juist de zuidzijde van
de Sijsselt raakte. Harmen had het dus wel goed gezien.
Een ander ding,
dat ons hevig interesseerde, was, dat een gedeelte van de Sijsselt bekend stond
als het Paradijs. Toen we dan ook voor de eerste keer met vader mee mochten naar
de Sijsselt, het was een frisse morgen in het begin van december hield dat
Paradijs ons steeds bezig.
Beloofd was dat we er naar toe zouden gaan en geïnspireerd
door de lessen in bijbelse geschiedenis waren we geweldig nieuwsgierig of we inderdaad
een glimp zouden opvangen van Adam, Eva en de verraderlijke slang. Vader hulde
zich op vragen dienaangaande in geheimzinnig zwijgen.
De wandeling ging van
Ede uit de weg naar Arnhem op om daar waar het bos aan weerszijden van de weg
ophield d.i. bij de Langeberg, de heide in te trekken. Via een zandig paadje over
de toppen van een rij heuvels,opgestuwd door de ijstijdgletsjers ging het in de
richting van een donkere bosrand recht voor ons.
Daar lag ook de laatste hoge
heuvel,bekroond door een groep hoge dennen,de donkere kruinen scherp afstekend
tegen de bleke decemberlucht.
Toen we aan de voet van die heuvel stonden,zei
vader met z;n wandelstok naar de boomgroep wijzend .Dat zijn de twaalf apostelen.
Wat doe je als jongens na zo'n mededeling? Je slaat natuurlijk aan het tellen.
We voelden ons lichtelijk genomen,want er stonden geen twaalf maar zeker meer
dan vijftien bomen op de heuvel. Desondanks spreekt iedereen van de twaalf apostelen,vandaag
de dag zelfs nog,hoewel in de oorlog alle bomen op de heuvel door de bezetters
zijn opgeruimd.

Grillig
Van
dit hoge punt als een knaap in de hei vooruit stekend, ging het in stevig tempo
de bossen van de Sijsselt in, regelrecht naar het beloofde Paradijs. Het viel
eerlijk gezegd een beetje tegen. Geen spoor van Adam en Eva noch van de slang.
Er
liep een eenzame wandelaar,die net als wij de bizarre pijnbomen bekeek, die op
lage zandheuveltjes stonden. Sommige bomen heel grillig gegroeid met zijtakken,
die zelf de dikte van ordentelijke bomen hadden. De hoogste bomen hadden koptakken,
welke schors mooi oranje-rood was.
Toen we uitgekeken waren op de bomen
nam vader ons mee naar een geval, dat zeker een verrassing was.
Achter een
laag bosje stond een stenen hut, het pannendak bekroond met een schoorsteen. De
deur was niet op slot. Even later zaten we op de houten bank, die tegen de muur
stond. In de schemerige ruimte geurde het naar hars, aarde en rook. Tussen de
as op de Stookplaats glom nog wat vuur.
Vader rakelde in de as en legde
wat dunne, droge takjes op de vuur en asresten. Even later hadden we een vrolijk
brandend vuurtje en het was helemaal feest toen vader uit zijn jaszak een buil
met boterhammen opdiepte.
Wat smaakte dat brood .We genoten met volle teugen,al
was het een beetje rokerig in de hut. Voor ons vertrek werd het vuur goed met
as afgedekt.
Oude Kamp
De wandeling ging daarna naar de Oude Kamp,waar
toen stellig de oudste en hoogste bomen van de Sysselt stonden:grove dennen maar
ook enkele zware beuken en eiken.
De blauwe bosbes bedekte de grond tussen
de bomen en in het struikgewas zag je overal de taaie slingers van de kamperfoelie.
In die buurt stond nog een tweede hut ten behoeve van het personeel,dat in de
bossen werkte en in schafttijd of bij slecht weer onderdak kon vinden.
Natuurlijk
stond een bezoek aan de Sysselt later dikwijls op het programma. Er kwam in die
dagen weinig bezoek,zodat het er in de regel lekker rustig was.
Met grote ingenomenheid
mochten we er in 1967 kennis van nemen,dat de Stichting Gelders landschap er in
geslaagd was de Sysselt aan te kopen.
Aan het pas verschenen handboek van
genoemde stichting ontlenen we nog de volgende bijzonderheden. De Sijsselt, gelegen
op de stwuwal van Ede ,die van Wageningen over Bennekom en Ede naar Lunteren loopt,
heeft deel uitgemaakt van het uitgestrekte Moftbos,dat reeds in 996 wordt vermeld
als schenking van graaf Wichman aan het klooster Elten,maar naderhand is gekomen
aan de graven, later hertogen van Gelre.
In 1427 gaf het nog Arnold een deel,dat
weldra de naam de Zijsselt of die Zesselt zou dragen,in leen aan Udo die Boese,invloedrijk
man uit de omgeving van de hertog,ten behoeve van de brandhoutvoorziening voor
Udo's huis Kernhem in het kerspel Ede.
In een hand
Sedertdien
is de Sijsselt met Kernhem in één hand gebleven. Beide kwamen, steeds
door vererving achtereenvolgens aan de geslachten:Van Arnhem, Van Wassenaer en
Van Heeckeren en tenslotte in 1888 aan de graven Bentinck van Middachten. In hetzelfde
jaar werd er ruim 100 ha heide van de voormalige buurtgronden van Benekom aan toegevoegd. In 1967 kocht, zoals gezegd, Het Geldersch Landschap het landgoed
van gravin Gaetani dell' Aquila d'. Aragona, geb. gravin Aldenburg Bentinck.
In
de bossen van de Sijsselt broeden o.m. de zeldzame wespendief, de boomvalk, de
zwarte specht,
kleine bonte specht, sperwer, torenvalk, de bonte vliegenvanger
en de bosuil.
Op de aangrenzende Ginkelse heide komen nog korhoenders voor,die
's winters azen op de knoppen van berken en grove dennen in de Sysselt.
Jac.
Gazenbeek

