Bij
de ingang van De Doolhof vroeger een leuk aangelegd maar thans verwaarloosd stukje
bos even achter de algemene begraafplaats ligt sinds jaar en dag een steen van
grote afmetingen.
Deze zwerfkei werd eens in vroeger jaren tijdens het grint
graven op de Doesburgerheide gevonden door een zekere Steven Bosch. Drie grintgravers
besloten het gevaarte een passende plaats op het Kerkplein in Ede te geven.
Daar
het terrein geleidelijk bergafwaarts liep, kostte dit transport,door steeds wentelen,
aanvankelijk weinig moeite. Bij het kerkhof aangekomen werd echter de inspanning
te groot, dus lieten ze de steen daar maar liggen. In 1930 werd de begraafplaats
uitgebreid, waardoor de kolos moest verdwijnen en met hulpmateriaal van de Edese
Machinefabriek naar De Doolhof verhuisde.
Het verhaal ging, dat als men met
een speld in de steen prikte er bloed uit druppelde, hetgeen natuurlijk nergens
op slaat, maar toch sprak men altijd van de Bloedkei. Half oktober 1962 ontdekte
de bosbaas tot zijn verbazing, dat die bloedkei was verdwenen.
De politie werd
ingeschakeld en het spoor leidde naar de Wageningse studentenvereniging St. Franciscus
Xaverius. Deze vereniging vierde dat jaar haar vijftig jarig bestaan en in verband
daarmee moesten veertig nieuw ingeschreven leden, als ontgroeningsopdracht, de
steen ongemerkt roven en op de Wageningse Markt deponeren.
De Bloedkei, door
hen omgedoopt tot Abraham doelend op de vijftig jaar studentenleven, zou dan,
als jubileumgeschenk, aan het stadsbestuur worden aangeboden. Hoe de studenten
het karwei klaarden, de steen woog ruim vier ton, bleef een raadsel. Wel stond
vast, dat de opdracht correct werd uitgevoerd, hetgeen de Edese politie een paar
dagen later vast stelde. Met deze gang van zaken kon men in Ede natuurlijk geen
genoegen nemen. De Bloedkei moest terug. Vrijdagnacht, 19 oktober 1962, trokken
vijf boswachters onder leiding van de heer Ossekoppele, per vrachtauto, waarop
een grote grijper was geplaatst naar Wageningen, in het duister lag daar de Markt,
eenzaam en verlaten in het licht van de kop1ampen en met behulp van het meegebrachte
moderne materiaal, bleek het een koud kunstje Abraham op de wagen te laden.
Alvorens weg te rijden werd op de nu lege plaats een, door de Edenaren meegebrachte
steen van veel kleiner formaat gelegd, volgens het opschrift zaak genaamd met
daarbij het volgende fraaie dichtwerk:
Aan Abraham's
steen, een kei als een koe
Daar zijn de Wageningers nog lang niet aan toe
Waar
veertig studenten zich rot voor beulden
En Abraham's kei naar Wageningen zeulden
Hij
kwam in een uurtje terug door Edenezen
Nu mogen ze hier blij met Izaak wezen.
Zo
kwam de geroofde bloedkei weer terug waar hij hoorde, in Ede en hernam zijn oude,
vertrouwde plaatsje bij De Doolhof.
H. J. Nijenhuis

