Hoewel
de titel van dit stukje niet erg opwekkend klinkt, is het toch wel aardig om zij
het in het kort en zonder op volledigheid te kunnen bogen, na te gaan hoeveel
er in de loop der tijden ook op dit terrein is veranderd.
In vroeger jaren
kenden de bewoners van ons dorp elkaar vrijwel allemaal en leefden dan ook volop
mee met andermans vreugde en verdriet.
Geen wonder, dat bij een sterfgeval
niet alleen de familie,maar de gehele buurt waar de overledene woonde, was betrokken.
Het
verscheiden van een medemens werd aan familie en kennissen altijd mondeling meegedeeld,
terwijl door het zogenaamde "overluiden" de volgende morgen om klokslag
elf uur' de rest van de gemeenschap hiervan in kennis werd gesteld.
De man
die het droevige nieuws kwam brengen noemde men de "aanzegger", in Ede
in de vooroorlogse jaren veelal in de persoon van de heer K. L. Stoffers.
Deze
was in dienst van de eerste Edese begrafenisonderneming welke omstreeks 1910 door
de heer Jansen was opgericht.
Stoffers, die voor in de Grotestraat een zaak
had in 2e hands meubelen, was door deze funktie een bekend figuur geworden in
het dorp.
Bijna dertig jaar heeft hij dit werk verricht tot hij op 1 februari
1947 overleed en een ander zijn heengaan moest aankondigen.
Reeds voordat
de onderneming van Jansen, gevestigd aan de huidige Not. Fisherstraat, met dit
soort werk was begonnen had ene Berend Schuurman uit de Bergstraat
al een dergelijk éénmanszaakje.
Hij was de eerste in ons dorp
die tegen een kleine vergoeding de familie en buren wat werk uit handen nam bij
een sterfgeval.
Voordien was het een zaak die in de eerste plaats de buurt
betrof.
In het sterfhuis zelf had de rouw haar intrede gedaan; de tijd stond
daar als het ware stil.
De luiken waren gesloten, zodanig dat slechts een kiertje
schemerig licht naar binnen drong, de klok werd stilgezet, de spiegel werd
met een wit laken afgedekt en foto's, voorzover althans aanwezig, werden verwijderd.
Bij
de verdere familieleden werd onmiddellijk na de kennisgeving één
luik gesloten als teken van rouw, tot na de begrafenis.
De buren kwamen in
aktie: allereerst zij die direkt rechts en links naast het sterfhuis woonden,
maar zonodig ook die van verderop. Ook al stonden zij, wat toen natuurlijk
ook voorkwam, op minder goede voet met elkaar, in zulke dagen werden vete' s,
zij het soms ook tijdelijk wel terzijde geschoven ,burenplicht was heilig!
De
begrafenis moest worden geregeld, maar daaraan ging nog het een en ander vooraf.
In
de eerste plaats moest de overledene worden "afgelegd", iets waarmee
al naar gelang van het geslacht van de overledene, de twee oudste mannen of vrouwen
werden belast.
Veelal lag het "doodshemd" al jarenlang opgeborgen
in het kabinet. Al gauw wist dan de hele buurt of de overledene een "mooie"
dode was of niet.
Vervolgens werd een oudere man aangewezen als "aanzegger".
In zijn zondagse pak gekleed moest hij de verdere familie en kennissen van het
overlijden in kennis gaan stellen en voor zover zij daarvoor in aanmerking kwamen,
uit te nodigen voor de begrafenis.
De aanzegger moest wel beschikken over
vrije tijd, want als hij veel adressen had af te werken, zat er wel een dagtaak
in.
Immers slechts een enkeling die het droeve bericht aanhoorde op de stoep
of aan de achterdeur. Gewoonlijk riep men de aanzegger naar binnen om onder genot
van een kop koffie of een borrel wat nadere bijzonderheden te vernemen omtrent
het sterfgeval.
Vooral te weten of de overledene "goed af" zou zijn
was van belang en werd van alle kanten overwogen.
Maar tussen deze bedrijven
door had de aanzegger nog veel meer op zijn programma.
Hij moest aangifte doen
op het gemeentehuis en daarvoor ook nog een getuige meebrengen; de dominee en
een ouderling moesten worden bezocht om te vragen de begrafenis te leiden,
de timmerman moest worden bezocht om een kist te bestellen.
Een eigenaardigheid
was dat de aanzegger niet in familierelatie tot de overledene mocht staan.
In
de loop van de dag kwam dan de timmerman "opmeten", om daarna met spoed
aan het werk te gaan. De volgende avond, in de schemering bracht hij dan met een
knecht de kist en een paar schragen. Door hen werd de dode "gekist",
waarna beiden een borrel dronken.
Vervolgens had de aanzegger nog een belangrijke
taak; hij moest in de buurt twaalf mannen vragen om zich beschikbaar te stellen
als drager. Bij een kind kon met het halve aantal worden volstaan.
Indien de
overledene gehuwd was; mochten zich onder de dragers geen vrijgezellen bevinden,
wel eventueel weduwnaars.
Omgekeerd echter, ook al was de overledene een vrijgezel
op hoge leeftijd, dan moesten ook de dragers ongehuwd zijn, maar daarbij wel meerderjarig.
In
een dergelijk geval was het wel eens moeilijk om alle dragers te krijgen uit dezelfde
buurt en werd een beroep gedaan op mensen die verder weg woonden .
Ook dit
verzoek was vrijwel nooit tevergeefs; de burenplicht strekte zich wijd uit.
De
buurvrouwen waren belast met de voorbereidingen op de dag van de begrafenis.
Bij
de broodmaaltijd mocht alleen wittebrood met kaas worden voorgezet; vleeswaren
kwamen dan niet op tafel. Er werd koffie geschonken, maar na afloop ook een borrel.
De
naaste familie was inmiddels druk in de weer met het in orde brengen van de rouwkleding.
Gelukkig waren de zondagse kleren van de meeste mensen uit die tijd toch al
zwart dus dat was voor hen dan geen probleem. Maar bij anderen, met meer wereldser
opvattingen, moesten in allerijl verschillende kledingstukken zwart worden geverfd;
nieuw kopen was er meestal niet bij.
Rouwdragen was een plicht waaraan
streng de hand werd gehouden. Daar bestonden vaste tijden en regels voor.
Bij
het overlijden van ouders, echtgenoten of kinderen 2 jaar en 1.2 weken; voor broers
en zusters 1 jaar en 6 weken,voor een oom of tante een. half jaar en 3 weken
en voor neven en nichten 6 weken.
Het was derhalve geen wonder dat vrouwen
uit grote familie's waarin uiteraard vaker sterfgevallen voorkwamen, vrijwel hun
gehele leven in het zwart gekleed gingen.
De mannen kwamen er door de week
beter af; ambachtslieden en andere arbeiders konden moeilijk elke dag met een
zwart pak naar hun werk gaan. Zij beperkten zich dan ook tot het dragen van een
zwarte rouwband om de linker arm. Ook de kinderen droegen vaak een dergelijke
band, die in later jaren werd vervangen door een zwarte ruit die op de jas werd
genaaid.

Bij
het vertrek naar het kerkhof als de zware kerkklokken met het luiden begonnen,
werd de kist op een platte wagen geplaatst.
Op elke hoek van de wagen nam dan
een treurende buurvrouw plaats.
Een deel van de begrafenisstoet : de kar met
vrouwen en lopend daarachter het manvolk
Aan weerszijden van de wagen liepen
gewoonlijk de dragers, dan volgden achter de wagen indien nodig een paar karren
voor
vrouwen en een enkele man die slecht ter been was.
Het mannelijke deel van
de familie en de genodigden, allen met een hoge hoed op, schaarden zich daar twee
aan twee
achter, in volgorde van de verhouding tot de overledene.
De platte
wagen en karren werden gelijdelijk aan vervangen door de lijkwagen en volgkoetsen,
maar de rij lopende mannen heeft nog vrij lang stand gehouden.
Zo werd
op 19 juli 1928 de heer L. Tulp begraven (één der firmanten van
de bekende houthandel), een man die van veel
betekenis was geweest voor het
openbare leven in Ede. Hij was onder meer van 1897 tot 1922 lid van de gemeenteraad.
De
stoet werd hier bij de begrafenis steeds groter; vanaf het sterfhuis werd eerst
gestopt bij de houthandel waar het gezamelijke personeel zich aansloot; even later
werd gestopt bij het Militair Tehuis om het bestuur daarvan te laten aansluiten,
waarna dit nog werd herhaald bij de Spaarbank en bij de ingang van het kerkhof
waar het bestuur van de school met de Bijbel stond opgesteld. Uiteindelijk ging
een enorme stoet op weg naar de groeve.
De vrijwillige dragers ontvingen bij
terugkomst aan het sterfhuis de onmisbare borrel en als de familie het kon missen een
fooi. Deftige en rijke mensen lieten zich bij een dergelijke gelegenheid niet
kennen en beloonden elke drager met een rijksdaalder. Begrijpelijk dat voor
een begrafenis in die kringen altijd volop dragers te vinden waren.
Het
is nu echter allemaal verleden tijd; nu regelt een begrafenisonderneming alles
en omwonenden komen er niet meer aan te pas.
Sterker nog, in een modern
flatgebouw kan het voorkomen dat er iemand overlijdt zonder dat de naaste buren
er weet van hebben.
Rouwdragen komt nog slechts in enkele kringen voor .
Echter
'met de oude gebruiken is ook veel eerbied voor de dood verloren gegaan.
Zeker,
men kan tegenwoordig voor een begrafenis niet meer het gehele verkeer stilleggen;
maar zelden is nog te zien dat een wandelaar of wielrijder die toch kennelijk
minder haast hebben, stilhoud als een inwoner van ons dorp op zijn laatste gang
diens weg kruist en dat door het even afnemen van hoed of pet een eerbiedige groet
wordt gebracht.
H.J.Nijenhuis

