Ditmaal
een onderwerp met minder opwekkende titel, al is het wel aardig om, zonder op
volledigheid te kunnen bogen, na te gaan, hoeveel er in de loop der tijden ook
op dit terrein is veranderd.
In vroeger jaren kenden de bewoners van ons dorp
elkaar vrijwel allemaal en leefden dan ook volop mee met andermans vreugde en
verdriet. Geen wonder dat bij een sterfgeval niet alleen familie, maar de gehele
buurt waar de overledene had gewoond was betrokken.
Het verscheiden
van een medemens werd aan familie, buren en kennissen, altijd mondeling medegedeeld,
terwijl door het z.g. "overluiden" de volgende morgen klokslag elf uur
de rest van de gemeenschap hiervan in kennis werd gesteld. In het sterfhuis zelf
had de rouw haar intrede gedaan; de tijd stond hier a.h.w. stil. De luiken waren
gesloten, zodanig dat slechts een kiertje schemering licht naar binnen drong.
De klok werd stilgezet, de spiegel met een wit laken afgedekt.
Foto's, voorzover
aanwezig verwijderd. Bij verdere familieleden werd onmiddellijk na kennisgeving
één luik dicht gedaan, als teken van rouw, tot na de begrafenis.
De
buren waren in actie, allereerst zij die pal links en rechts naast het sterfhuis
woonden,maar zonodig ook verderop. Ook al stonden zij, wat ook toen natuurlijk
voorkwam, op minder goede voet met elkaar, in zulke dagen werden vetes, zij het
soms maar tijdelijk, terzijde geschoven; burenplicht was heilig. De begrafenis
en alles wat daaraan vooraf ging, moest geregeld worden.
Allereerst moest de
overledene worden "afgelegd", waarmede, al naar gelang van het geslacht,
de twee oudste mannen of vrouwen uit de buurt werden belast. Vervolgens werd een
oudere man aangewezen om als "aanzegger" op te treden.
Gekleed in
zijn Zondagse pak moest hij de verdere familieleden, buren en kennissen van het.
overlijden in kennis stellen en voor zover zij daarvoor in aanmerking kwamen,
uitnodigen voor de begrafenis. Die aanzegger moest wel over vrije tijd beschikken,
want ah hij veel adressen had af te werken, zat er een dagtaak in. Immers slechts
een enkeling die het droeve bericht op de stoep aanhoorde. Gewoonlijk riep men
de man binnen, om, onder het genot van een kopje koffie of een borrel, wat
nadere bijzonderheden omtrent het sterfgeval te vernemen.
Vooral te weten of
de overledene "goed af' zou zijn was van belang en werd ernstig overwogen.
Maar de aanzegger had nog veel meer op zijn programma: hij moest aangifte doen
op het gemeentehuis en daarvoor nog een getuige meebrengen de dominee met een
ouderling verzoeken de begrafenis te leiden en bij een timmerman de kist bestellen.
In
de loop van de dag kwam laatstgenoemde "opmeten" om vervolgens met
spoed aan het werk te gaan. De volgende avond, tegen schemering bracht de timmermansbaas,
vergezeld door een knecht deze kist plus een paar schragen
naar het sterfhuis.
Door hen werd de dode "gekist" en opgebaard, waarna beiden een borrel
ontvingen.
Vervolgens had de aanzegger nog een belangrijke taak; hij moest in
de buurt twaalf mannen vragen om zich als drager beschikbaar te stellen, bij
een kind kon met het halve aantal worden volstaan. Indien de overledene gehuwd
was geweest, mochten zich onder de dragers geen vrijgezellen bevinden, wel weduwnaars.
Omgekeerd echter, ook al betrof het een vrijgezel op gevorderde leeftijd, moesten
ook de dragers ongehuwd maar wel meerderjarig zijn. In dergelijke gevallen werd
het moeilijk het dozijn dragers uit dezelfde buurt bij elkaar te krijgen en moest
een beroep worden gedaan op mensen die verder weg woonden, vrijwel nooit te vergeefs;
de burenplicht strekte zich wijd uit.
De naaste familieleden van de
overledene waren inmiddels druk in de weer met het in orde brengen van de rouwkleding.
Gelukkig waren de Zondagskleren van de meeste mensen in die tijd toch al zwart,
dus voor hen geen probleem.
Maar bij anderen, met meer wereldse opvattingen,
moesten in allerijl verschillende kledingstukken worden zwart geverfd, nieuw kopen
zat er meestal niet aan. Rouwdragen was een oeroude plicht waaraan streng de hand
werd gehouden, slechts een enkeling dorst zich daaraan te onttrekken. Er bestonen
vaste tijden en regels voor: bij het overlijden van ouders,
echtgenoten of
kinderen, twee jaar en twaalf weken. Voorbroers of zusters een jaar en zes weken;
betrof het een oom of tante en half jaar en drie weken en voor neven en nichten
zes weken. Vooral in de eerste graad lange periode's dus: geen wonder derhalve
dat vrouwen uit grote familie's waar uiteraard vaker sterfgevallen voorkwamen,
vrijwel hun gehele leven in bet zwart gekleed gingen en, zoals zij dat noemden,
van de ene rouw in de andere te vielen. Mannen kwamen er,door de week althans,
beter af; zij konden moeilijk elke dag in een zwart pak naar hun werk gaan. Zij
beperkten zich dan ook tot het dragen van een zwarte rouwband om een arm. Ook
kinderen droegen een dergelijke band, die in later jaren wel werd vervangen
door een opgenaaid zwart ruitje.
Gewoonlijk werden twee buurvrouwen belast
met de voorbereiding van de begrafenisdag. Zij zetten en schonken voor het vertrek
naar het kerkhof koffie en zorgden dat bij terugkomst de broodmaaltijd gereed
stond. Daarbij mocht uitsluitend witte brood met kaas worden voorgezet; vleeswaren
kwamen niet op tafel. Veelal, maar niet altijd werd na afloop van de maaltijd
nog een borrel geschonken waarna geleidelijk de genodigden huiswaarts keerden.
Voor het vertrek naar het kerkhof, als de zware torenklokken begonnen te luiden
werd de kist op een platte wagen geplaatst.
Heel vroeger nam dan op elke hoek
van de wagen een z.g. klaagvrouw plaats. Aan weerszijden van de wagen liepen de
dragers, dan volgde een boerenkar voor de vrouwen en een enkele man die slecht
ter been was. Het manlijk deel van de familie en genodigden, allen met de hoge
hoed op, schaarden zich daar, twee aan twee, achter, in volgorde van de verhouding
tot de overledene. Bij terugkomst aan het sterfhuis ontvingen de dragers de onmisbare
borrel en als de familie het even missen kon, een fooi. Voorname mensen met
geld lieten zich bij een dergelijke gelegenheid niet kennen en beloonden elke
drager met een rijksdaalder.
Begrijpelijk dat voor een begrafenis in die kringen,
ook zonder burenplicht altijd volop dragers beschikbaar waren.
Er kwam dus
voor de buren bij een sterfgeval wel een en ander kijken tot, reeds in de vorige
eeuw, als eerste in Ede, ene Berend Schuurman hen, desgewenst, heel wat werk uit
de handen ging nemen.
Deze Schuurman was een geboren Edenaar, 31 October 1853,
en huwde 20 October 1875 met Maria Aalbertsen. Zij woonden aanvankelijk dorp 52,
wat nu weinig meer zegt, maar verhuisden later naar Bergstraat 25. Het echtpaar
kreeg acht kinderen, waarvan een dochter Cornelia, later huwde met de vroeger
zo bekende, meester Stroband. Een heel gezin waarvoor Berend, van beroep timmerman
had te zorgen. Hij zag er een bijverdienste in door als aanzegger te gaan optreden,
voordragers te zorgen, uithoofde van zijn vak de kist te maken en naast de dominee
de
begrafenis te leiden. Bij de gang naar het kerkhof liep Schuurman met zijn
rijzige figuur, de linkerhand op de rug. hoge hoed met rouwstrik op het hoofd
en gehuld in een ruime zwarte cape, De statige tred aan het hoofd van de stoet.
H.
J. Nijenhuis

