Een omstreden paasvuur

Reeds in het verre verleden werden, waarschijnlijk als overblijfsel van de Germaanse tijd, ook in onze gemeente op de avond van Tweede Paasdag, vreugdevuren ontstoken. In Ede was daarvoor de Paasberg de aangewezen plaats,centraal gelegen en waar bovendien brandbaar materiaal in de vorm van eiken en berkebomen voor het grijpen stond. Men ging echter bij het vellen nogal ondeskundig te werk zodat, in 1797, de buurt Ede-Veldhuizen besloot, gezien de elk voorjaar terugkerende vernielingen in de bossen, voortaan het ontsteken van een paasvuur te verbieden.
Toch werd deze traditie jaar in jaar uit gehandhaafd en in dit verband zou later het Lunterse paasvuur meer dan lokale bekendheid krijgen.
Oorspronkelijk was het in Lunteren een aangelegenheid voor de jeugd, die, al weken voor Pasen, met een bij de smid geleende handkar, erop uit trok om brandstof te verzamelen. Onder het opdreunen van een rijmpje: "Hout en turf zijn niet duur, geef ons wat voor het paasvuur" trokken de kinderen door het dorp om het afval op te halen en naar één bepaalde verzamelplaats te brengen. Daarna werd hun werk door oudere jongens overgenomen: zij formeerden de brandstapel en hielden de zaak in de gaten. Dat was nodig want er liepen altijd wel raddraaiers rond die het vuur voortijdig wilden aansteken maar respect opbrachten voor een stel stevige knuisten.

In de twintiger jaren groeide het Lunterse paasvuur tot een belangrijk plaatselijke gebeurtenis, die voortaan werd georganiseerd door de besturen van VVV, middenstands en Oranjevereniging. Mede door de altijd belangeloze medewerking van het muziekkorps "Kunst na Arbeid" werd de avond van Tweede Paasdag al gauw een happening die duizenden toeschouwers, ook uit de wijde omgeving trok. Nu waren het niet alleen kinderen maar ook tal van volwassenen die dagenlang in de weer waren om brandbaar materiaal bij de bevolking, veelal speciaal voor dit doel bewaard, op te halen en naar een open terrein achter de molen te transporteren. De aanvoer werd daar, door deskundigen, rond een in de grond gegraven dode dennenboom zo opgebouwd dat de wind er vrij doorheen kon spelen, een vereiste om van een goed vuur verzekerd te zijn.

Kink in de kabel
Ook na de Tweede Wereldoorlog ging men in Lunteren op dezelfde voet door, tot er, voorjaar 1959 een kink in de kabel kwam. De aanvraag bij B en W om toestemming ook genoemd jaar weer een paasvuur te ontsteken, tot dusver niet meer dan een formaliteit,werd ditmaal op 11 maart 1959, zonder nadere uitleg, door het college afgewezen. De consternatie in Lunteren was enorm en de klap kwam hard aan. Nooit waren er moeilijkheden met de overheid geweest; integendeel, elk jaar was het paasvuur in goede orde en zonder enige wanklank verlopen en nu deze onbegrijpelijke, negatieve beslissing.
Al gauw werd bekend dat bij B en W een schrijven was binnengekomen, afkomstig van de Hervormde en Geref .predikant, waarin werd verzocht
gevraagde toestemming niet te verlenen, Volgens beide heren was een dergelijk feest van heidense oorsprong, strijdig met de betekenis van het Paasfeest. Bovendien zouden zich in het verleden wel eens excessen hebben voorgedaan die men beter kon vermijden. Volgens het adres bestond geen bezwaar een dergelijk vreugdevuur op een nationale feestdag te organiseren.


In Lunteren gaf men zich echter niet zonder slag of stoot gewonnen. Op dinsdag 17 maart belegden de organisatoren een vergadering in hotel "De Veluwe" om te trachten alsnog een oplossing te vinden. Ook de gereformeerde predikant J. Ozinga, woonde een gedeelte van deze bijeenkomst bij.
Hij verklaarde dat het bewuste schrijven van beide kerkenraden was uitgegaan, zij het door hem, als voorzitter wel mede ondertekend.
De voorzitter van de vergadering nam deze verklaring voor kennisgeving aan, maar vroeg zich wel af waarom die kerkenraden niet allereerst contact met de organisatoren hadden opgenomen om hun bezwaren kenbaar te maken. Ook de houding van de burgemeester kon hij allerminst begrijpen: nog slechts enkele jaren geleden had hij persoonlijk het vuur aangestoken en nu een botte weigering na een advies waar vrijwel geen Lunteraan achter staat. De suggestie het paasvuur naar eer, of andere feestdag werd resoluut van de hand afgewezen. Op dergelijke dagen is overal wel wat te beleven en trekken de mensen niet massaal naar Lunteren.
Tenslotte werd besloten uit de vergadering drie personen aan te wijzen die op korte termijn de kwestie met beide predikanten nog eens uitvoerig zouden doornemen.

Gemeenteraad
Tijdens de gemeenteraadsvergadering van woensdag 18 maart kwam de zaak eveneens ter sprake, zij het niet als agendapunt, maar naar aanleiding van gestelde vragen. Burgemeester Oldenhof verklaarde persoonlijk geen enkel bezwaar te hebben tegen het paasvuur, maar in het onderhevige geval lagen de kaarten enigszins anders.
Door wel toestemming te verlenen zou het college in botsing komen met de Lunterse kerken, een situatie die allerminst bevorderlijk is voor rust en orde in onze gemeente. De heer Bos was het met deze opvatting en de inhoud van het gewraakte advies niet eens. Hij was van mening dat het college, zonder enig overleg met de betrokkenen een overhaaste beslissing had genomen. Tweede Paasdag staat in geen enkel verband met de werkelijke betekenis van het opstandings gebeuren. Men moet een paasvuur zien in folkloristisch verband evenals bijv. haantjespik-optochten en dankbaar zijn dat deze gebruiken nog in ere worden gehouden.


Nog feller toonde zich mevr. Van de Linden, zij vond het absurd dat twee predikanten hun wil aan een hele dorpsgemeenschap konden opleggen. Men moest met dergelijke gevallen terdege oppassen: wie weet waar de heren een volgende maal mee komen aanzetten, alleen om hun principes door te drijven.
Nadat als tegenhanger de heer De Koning zijn instemming met het beleid van B en W had betuigd, werd de discussie gesloten.
Maar daarmede was het rumoer nog niet verstomd: Lunteranen geven zich nu eenmaal niet zo gauw gewonnen. In de plaatselijke bladen verschenen ingezonden stukken die aan duidelijkheid .niets te wensen overlieten. Dat een paasvuur in strijd zou zijn met Pasen weerlegt ene H. E. als volgt: "Deze opvatting is blijkbaar een ontdekking van de laatste maanden, immers reeds tientallen jaren wordt het paasvuur in Lunteren ontstoken, zonder dat ooit door de kerken is geprotesteerd". Van eventuele uitspattingen die worden gesuggereerd is ons totaal niets bekend en er blijkbaar alleen aan toegevoegd om het verbod aannemelijker te maken. Allemaal goed bedoeld, maar het zette voorlopig weinig zoden aan de dijk. Meer succes bracht het gesprek tussen de drie plaatselijke vertegenwoordigers en beide predikanten. In een bijkans twee uur durende discussie, die in goede harmonie, zonder een
onvertogen woord verliep, werden verschillende standpunten uitvoerig uiteen gezet. Na afloop vertrokken de twee voorgangers met de belofte de kwestie opnieuw met hun kerkenraden te zullen bespreken.
Zij hielden woord en dat leverde al direct voor vijftig procent gunstig resultaat op. De Gereformeerde kerkenraad trok, op grond van de gehouden besprekingen haar bezwaren in. Het Hervormde college hield evenwel voet bij stuk, al werd wel duidelijk dat een groot deel van haar kerkgangers daar niet achter stond.


De burgemeester werd van deze gang van zaken op de hoogte gebracht en zag, waarschijnlijk tot zijn eigen opluchting, daarin aanleiding om op zijn besluit terug te komen en verleende alsnog de gevraagde toestemming, tot grote tevredenheid in Lunteren. Het feest kon toch doorgaan, ijlings werd de aanvoer van brandbaar materiaal die door de rumoerige dagen had gestagneerd, hervat. Er werd met zoveel enthousiasme gewerkt dat de hoogste stapel verrees die ooit was gebouwd, bijkans tien meter. Het was in 1959 een zeer vroege Pasen en dan ook nog vrij fris,toen op maandagavond 30 maart, de brand aan werd gestoken.
Helaas was er de laatste dagen vrij veel regen gevallen zodat het aanvankelijk enige moeite kostte de vlam erin te krijgen. Maar een aantal blikken met benzine deed wonderen en al gauw brandde het vuur weer als vanouds.


Onder vrolijke klanken van "Kunst na Arbeid" bleef de opgeschoten jeugd onverdroten in langgerekte kringen rond het vlammenspel dansen, terwijl ouderen tevreden toekeken, hun paasvuur was toch maar weer doorgegaan. Tegen tien uur doofden de vlammen en trok de enorme mensenmassa, men schatte het aantal bezoekers op een kleine tienduizend, huiswaarts. Voor alle zekerheid was ditmaal meer politie ingezet dan gewoonlijk, maar geen enkele wanklank verstoorde het feest, de agenten konden zich bepalen tot het regelen van de verkeersdrukte. Toch kwam hierna al spoedig een einde aan dit jaarlijks terugkerend festijn. Ook in de omgeving van de molen verrezen nieuwe woningen terwijl een ander geschikt terrein moeilijk bleek te vinden. Zo stierf het Lunterse paasvuur een zachte dood, maar oudere dorpelingen kunnen er nog altijd een boom over opzetten.
H. J. Nijenhus