Men
kan zich afvragen wat voor ontspanning onze voorouders in een klein heidedorp
als Ede konden beleven. Het was bitter weinig, maar daar stonden twee lichtpunten
tegenover: de vrije tijd was uiterst beperkt en men wist niet beter.
Waarbij
komt dat hetgeen men niet kent ook niet mist. Voor veel mensen betekende de Zondagse
Kerkgang niet alleen geestelijk voedsel maar ook een verzetje; men kwam tevens
even uit de sleur van alle dag.
De jaarlijkse kermisdag
was in heel vroeger jaren vrijwel de enigste gelegenheid voor de eenvoudige burger
om de bloementjes eens buiten te zetten, wat dan ook prompt gebeurde. Eigenaardig
voor het kerkelijke Ede werd deze kermis altijd op Zondag gehouden, de laatste
van de maand augustus. Dan werden talrijke kramen met aanlokkelijke artikelen
opgesteld, was er een draaimolen, getrokken door ,een aftands paard, verscheen
de boeienkoning, de dikste dame ter wereld en andere bezienswaardigheden. Van
heinde en ver kwamen de mensen en vooral opgeschoten jeugd aanzetten om het feest
mee te maken. Hun voornaamste bezigheid bepaalde zich. na de ver.schillende attracties
bezocht te hebben tot het innemen van grote hoeveelheden geestrijk vocht. Later
op de avond ontaardde dat in baldadigheid en talrijke vechtpartijen.
Geen wonder
dat van verschillende zijden werd aangedrongen op afschaffing van dit jaarlijks
terugkerend spektakel. Zover kwam het direct nog niet, wel besloot de gemeenteraad
in 1845 de kermis naar Maandag te verplaatsen. Het drankgebruik werd er evenwel
niet minder door, zodat in 1852 het raadslid. baron van Wassenaar voorstelde met
ingang van 1 januari 1853 alle kermissen in de gemeente te verbieden, hetgeen
werd aangenomen. Niet door alle mensen vooral zakenlieden, werd dit besluit even
enthousiast ontvangen. Met dokter Burggraaf, voormalig gemeentesecretaris aan
het hoofd liet men eind augustus 1853 even zo vrolijk alle spullebazen opdraven.
Verschillende
raadleden zagen tot hun verbazing dat men, ondanks het verbod, druk doende was
de kermis op te bouwen. In allerijl kwamen de vroede vaderen op 29 augustus bijeen
om deze euvele daad te bespreken. Er werd een verordening aangenomen, ingaande
diezelfde dag, waarin een schriftelijke vergunning van de burgemeester werd vereist
om publieke vermakelijkheden te organiseren. Daardoor konden de kermisbazen,
onder hevig kankeren hun boeltje weer inpakken, terwijl dokter Burggraaf op het
matje was geroepen. Men dreigde zelfs zijn pensioen in te trekken maar het bleef
uiteindelijk bij een stevige reprimande. Geen kermis dus meer in Ede, al zijn
die later, zij het in
gewijzigde vorm en onder de minder aansloot gevende
naam Lunapark wel teruggekomen.

Voortaan
waren de dorpelingen voornamelijk aangewezen op nationale feestdagen, weliswaar
met de nodige tussenruimte. Zo werd op 17 november 1863 op daverende wijze het
vijftig jarig onafhankelijkheidsfeest gevierd. Weken was men in de weer om het
dorp op passende wijze te versieren,hetgeen al heel wat voorpret veroorzaakte.
De dag begon met het uitsteken van de nationale driekleur op de toren; dat
gebeurde door de bejaarde heer Esser, die dit vijftig jaar tevoren bij de bevrijding
in 1813, eveneens had gedaan. Zijn tempo bij het beklimmen van de torentrap lag
nu aanmerkelijk lager maar de heer Esser was er wat trots op dat hij zulks nog
mocht en kon doen. Daarna werd een gloedvolle herdenkingsrede, in de kerk, uitsproken
door ds. Brouwer.
Op alle scholen in de gemeente werden kinderen onthaald en deden
allerlei spelletjes om kleine prijzen. 's middags formeerde zich een stoet van
vijftig ruiters, die omstuwd door honderden voetgangers burgemeester Jhr. A. W.
v. Borssele van zijn woning afhaalde om naar het feestterein bij de Posthoorn
te brengen.
Daar was het ook feest voor de minder bedeelden uit dorp, zij
het dat zij minstens zestig jaar oud moesten zijn. De mannen konden deelnemen
aan een feestmaaltijd op kosten van de gemeente. Voor deze eenvoudige mensen een
hele eer om met de notabelen uit het dorp zoals burgemeester, wethouders, notaris,
dominé en dokter aan één tafel te zitten. De maaltijd, die
bestond uit vlees, brood en koffie werd besloten met een pijptabak en een glas
wijn. De oud-strijders uit Belgische opstand van 1830, voor zover in leven,
ontvingen allen een cadeau terwijl de vrouwen, die daarvoor in aanmerking kwamen,
werden bedacht met brood, suiker en koffie .

Op
het terrein rond de Posthoorn werden volkspelen gehouden,er heerste de hele middag
een uitbundige stemming. De avond werd afsloten met een fakkeloptocht waaraan
jong en oud, hossend.en zingend deelnam. Bovendien staken
leerlingen van de
kostschool naar hartelust vuurwerk af, iets geheel nieuws voor de meeste Edenaren.
Ook
in de buitendorpen werd volop feest gevierd, in Bennekom vermaakte men zich o.m.
met vogelschieten, terwijl in Lunteren, in de Dorpsstraat volksspelen werden gehouden.
Maar 's avonds tegen elf uur was het in de hele gemeente
weer rustig: iedereen
was naar huis en geen wanklank had het feest verstoord.
Een herhaling van dit
festijn vond plaats in 1913; toen werd de honderd jaar onafhankelijkheid herdacht.
Nog groter was de animo onder de bevolking, die daar door het oprichten van een
aantal erebogen blijk van gaf. Toen werd ook voor het eerst een historische
optocht gehouden en had men de beschikking over een muziekkorps "De Heibloem"
hetgeen de feestvreugde aanzienlijk verhoogde. De schoolkinderen, werden weer
onthaald, hoewel daar nog wat haken en ogen aanzaten.
De
Oranje commissie, onder leiding van de heer Berger, had de gemeente verzocht de
tractatie van de kinderen voor
haar rekening te nemen, alsmede twee honderd
gulden subsidie te verlenen voor de historische optocht.
Het feest voor de
kinderen kon genade vinden in de ogen van de Raad, er werd vijfentwintig cent
per leerling voor uitgetrokken. Om geld in een optocht te steken dacht men niet
aan: met dertien tegen drie stemmen werd het voorstel van tafel geveegd. De enkele
voorstander wees erop dat bijv. Wageningen, met veel minder inwoners, achthonderd
gulden voor het feest ter beschikking stelde, maar dat maakte niet de minste indruk.
De stemming heeft er evenwel niet onder geleden; het werd opnieuw een grandioos
dorpsfeest.

Tussen
deze hoogtepunten door werd nog twee maal een nationaal gebeuren gevierd. Allereerst
in 1873 bij het vijfentwintig jarig regeringsjubileum van Z.M. Koning WiIJem III
en op 19 februari 1887 bij diens zeventigste verjaardag. Als bijzonderheid bij
dat laatste feest is nog te vermelden dat aan alle kinderen een boekje over de
koning werd uitgereikt, geschreven door de bekende Edese hoofdonderwijzer F. de
Graaf, waarvan de gemeente de kosten voor haar rekening nam.
Na het kroningsfeest
in 1898 van koningin Wilhelmina, waarvan weinig bijzonderheden bekend zijn
was het in 1923 weer raak. Drie dagen lang, 5, 6 en 7 september van het jaar werd
er feest gevierd ter gelegenheid van het vijfentwintig jarig regeringsjubileum
van H.M. Koningin Wilhelmina. Een uitgebreid programma, dat de eerste ochtend
begon met herdenkingsdiensten in verschillende kerken, was opgesteld. Volksspelen,
grote demonstratie's van den Veldartillerie, een historise optocht en een grandioos
vuurwerk bracht het hele dorp op de been. Als herinnering aan deze septemberfeesten
werd aan het Maandeneind een fraaie jubileumslantaren geplaatst vervaardigd
door de Edese machinefabriek
Door het toenemend verkeer werd
deze lantaren in 1952 naar het Park Paasberg verplaatst,waar hij er een beetje
verwaarloosd bij staat. Hopenlijk wordt nog eens een betere standplaats gevonden,
bijv. het Museumplein.
Op 31 augustus en 6 september 1938 opnieuw twee dagen
feest, nu ter gelegenheid van het veertigjarig
regeringsjubileum. Het programma
kwam in grote trekken overeen met vijftien jaar geleden; nu kon men
echter
het in 1936 in gebruik genomen openluchttheater benutten. daar werd o.m. een openluchtspel
"Slaet op de trommele" opgevoerd.
Door de jaren heen kon men tevens
31 augustus, de verjaardag van H.M. de koningin als een nationale
feestdag
beschouwen. Intussen werd vanaf 1935 ook jaarlijks een Heideweek georganiseerd
waarvan men de eersten nog kan beschouwen als een feest waaraan nagenoeg de hele
bevolking deelnam. Alle straten werden versierd,
talrijke erebogen verrezen
en veel buurten en tuinen fraai geïllumineerd. De plaatselijke verenigingen
werkten allen belangloos mee bij uitvoeringen en demonstraties.
Massale bloemcorso's
met prachtige versierde wagens, waarvan soms weken door de deelnemers was gewerkt
trokken door de straten. Geleidelijk daalde het enthousiasmen bij de mensen om
na de oorlog, afgezien van de bevrijdingfeesten toen, voor korte tijd overigens,talrijke
buurtverenigingen van de grond kwamen, niet weer terug te keren. Ede is te groot
geworden, men loopt niet meer warm voor eenvoudige dorpsfeesten waarvan weinig
kosten verbonden waren.
Geen fakkeloptochten, volksspelen of doodgewoon hossen
achter een muziekkorps meer. Trouwens, het valt in deze moderne tijd niet mee
om iets te organiseren dat de massa aanspreekt, afgezien nog van de financiële
moeilijkheden. Met een tikkeltje heimwee denken wij terug aan vergane tijden,
toen de dorpelingen ,als de gelegenheid zich voordeed, zo uitbundig feest konden
vieren.
H. J. Nijenhuis
 
|