De eerste vuilnisophaaldienst

Men neemt tegenwoordig vrijwel vanzelfsprekend aan dat twee maal per week een vuilniswagen met bemanning voor de
deur verschijnt om ons overtollig afval op te halen. Toch bestaat deze tak van de gemeentediensten nog geen twintig jaar en is het ruim een halve eeuw geleden dat een particulier een dergelijk bedrijf in nhet leven riep. Voordien moesten de burgers zelf maar voor hun afval zorgen, evenals zij, in nog vroeger tijden, ook belast waren met het schoonhouden van de straten.
Aan de laatste taak werd van hogerhand terdege aandacht geschonken, zo werd in 1856 per ngemeenteverordening vastgesteld mdat de aanwonenden, twee maal per week, op dinsdag en vrijdag hun straten en goten grondig
moesten reinigen door alle modder en vuil te verwijderen.


Bovendien werd verordend de straten drie maal per jaar te wijden, deze 's zomers, om de stofwolken te bestrijden, met water te sproeien en in het koude jaargetijde ijzel en gladheid door zand te strooien tegen te gaan. Geen halve
maatregelen dus op dit terrein, maar over huisafval wordt niet gesproken, daar hadden de mensen zelf wel een oplossing voor.
Trouwens veel was dat niet, een verstandig man had in zijn tuin een soort composthoop, waar al het
verrotbare afval werd gedeponeerd omdat. later in het voorjaar, gelijk met de mest te worden ondergespit. Veel bleef er dan al niet meer over; plastic verpakkingen waren nog onbekend, op lege flessen werd vanwege het statiegeld angstvallig op gelet en met oud papier werd de kachel aangemaakt.
.
Hetgeen werkelijk van geen enkel nut was, werd op braakliggend grond of in een van de talrijke zandkuilen gegooid en dan liefst nog zo dicht mogelijk bij hijs. Wel werden in later jaren door het gemeentebestuur twee stortplaatsen
aangewezen n.l. op het Oortveld en de Asakkers maar slechts mensen die in de naaste omgeving woonden maakten daar gebruik van evenals de meer gegoede bewoners van villa's. Die hadden veelal een gemetselde afvalput in hun tuin die op bepaalde tijden werd leeggehaald.


Een bekende voerman voor dit soort werk was uit,die een slepersbedrijf had en dicht bij Oortveld woonde, latere huizenbouwers op dat Oortveld hebben de nadelen van al dat gestorte vuil nog ondervonden.
Na de eerste wereldoorlog, toen ook in ons dorp nieuwe woonwijken werden gebouwd en het aantal inwoners sterk toenamen, werkte het op alle mogelijke plaatsen gegooid afval niet mee tot verfraaiing van de nieuw aangelegde wegen,
althans volgens het oordeel van B en W. Dit college diende, tijdens de gemeenteraadsvergadering van 15 Mei 1928, een voorstel in om te komen tot een gemeentelijke huisvuilnisophaaldienst. Ook de Raad was wel degelijk van het nut daarvan overtuigd, maar zuinig als men in die jaren nog was, vreesde men aanzienlijke tekorten.


De vroege vaderen hapten niet meteen toe, maar benoemden een commissie, bestaande uit de heren J. Fijlstra, J. W. Kroon en wethouder W. S. van Voorthuizen, om de kwestie te bestuderen. Na lang wikken en wegen kwamen de heren tot de conclusie dat een dergelijke dienst een jaarlijks tekort van minstens! 4000,- op zou leveren.

Inmiddels was, door deze beraadslagingen, middels de pers publiek geworden, ook de belangstelling van particulieren gewekt en werden zelfs enkele aanbiedingen gedaan. Daar zag de Raad wel wat in. Men kwam op het heldere
idee het ophalen van huisvuil te gaan aanbesteden, voorlopig voor een periode van vijf jaar. Op 7 November 1928 werd deze openbare aanbesteding gehouden, er waren liefhebbers genoeg; niet minderm dan elf inschrijvers met zeer uiteenlopende bedragen dienden hun biljet in. De hoogste inschrijver vroeg negen en zestig cent per maand per abonnee, de laatste de heer Koetsier, slechts veertien cent waarbij dan de abonnee een kwartje per maand zou betalen.


Dit laatste bod past te goed in het straatje van de gemeente, men sloeg aan het rekenen; het aantal klanten was moeilijk te schatten maar het zaakje zou onmogelijk meer dan 1000,-per jaar kunnen kosten. Met slechts twee stemmen
tegen werd de heer Koetsier de ophaaldienst toegewezen. Deze liet een wagen ombouwen voor dergelijk werk met voorop een grote bel, die de mensen te kennen gaf: "daar komt de vuilnisauto aan".
Hij startte 1 januari1929 om één maal per week de straten af te rijden, al was het aantal klanten nog zeer bescheiden. Veel mensen zagen het er niet van in, beschouwden dat kwartje per maand als weggegooid geld en gingen op de oude voet verder. Geen wonder dat er het eerste jaar een verlies van 2000,- werd geleden, in die dagen een dergelijk groot bedrag dat een ander de moed zou hebben opgegeven, maar niet Koetsier .
Deze zette door, het aantal abonnee's steeg geleidelijk, zo zelfs dat in 1933 voor het eerst winst kon worden geboekt.

Overigens, die Koetsier wist van aanpakken, hij woonde op de hoek Bunschoterweg-Kreelseweg en dreef een expeditie en verhuizersbedrijf. Door dit laatste werk was hij vaak in de gelegenheid voor een krats oude meubels op de kop te tikken die mensen bij een verhuizing afdankten. Dat bracht hem op het idee een zaak in 2e hands meubelen op te zetten.
Hij kocht een pand in de toenmalige Bospoortstraat; richtte dat in en ging er ook wonen. Op aandringen van zijn vrouw reserveerde hij het voorste deel van de winkel in voor nieuwe meubels want alleen dat afgedankte spul vond zij
maar armoedig staan. Uiteindelijk is dit de grondslag geworden voor de huidige bekende meubel en stoffeerinrichting L. Koetsier.


Juist toen er schot in de vuilnisdienst begon te komen was op Januari 1934 zijn contract met de gemeente afgelopen en kwamen de moeilijkheden. De heer Koetsier verzocht de gemeente dit verband, onder dezelfde voorwaarden, opnieuw met vijf jaar te verlengen, maar de Raad die meende dat nu de zaak na de aanloopperiode, goed draaide, dacht er meer voordeel uit te kunnen slaan en weigerde. Er werd besloten opnieuw een aanbesteding te houden, waarbij ditmaal
als laagste inschrijver de firma Lagerweij uit de bus kwam en de vergunning in handen kreeg, Maar Koetsier die door vijf jaar hard werken zijn klantenkring op ruim dertien honderd had weten te brengen, nam dit niet. Eerst de verliezen te incasseren en dan een ander de vruchten te laten plukken. was hem te gortig, Per advertentie in de plaatselijke bladen liet hij bekend maken dat de vuilnisdienst, zij het onder steun van de overheid, maar wel tegen het zelfde maandelijks tarief door hem op dezelfde voet zou worden voortgezet.

Voor Lagerweij was nu de aardigheid er af. Terecht begreep hij dat het gros van de abonnee's Koetsier trouw zou blijven en er voor hem geen brood meer in stak.
Hij trok zich dan ook terug, hetgeen de gemeenteraad uitstekend vond, immers er functioneerde nu een vuilnisdienst die geen cent kostte.
Zo ging Koetsier, bijgestaan door zijn twee knechts van het eerste uur, Mosterd en V. Mourik voor eigen risico verder.

Men keek niet zo precies wat er werd meegegeven vuilnisemmers waren er nog niet, de bewoners zetten een gevulde doos, kist of teil aan de weg, die dan in de wagen werd leeg gekieperd. Werken bij de vuilnisdienst betekent, ook vandaag aan
de dag nog, een hele dag in hoog tempo aanpakken. Begrijpelijk dat als het gedeponeerde te zwaar bleek zoals van een winkelier die na een verbouwing en metershoge kist met puin had gevuld, deze bleef staan.
Ook waren er uitgeslapen mensen die in het voorjaar, tijdens de schoonmaak, voor een maand lid werden om van hun rommel af te komen en dan ras weer bedankten.
De eerste vijf jaar, toen de gemeente nog een vinger in de pap had, moest Koetsier het afval naar Wekerom brengen, maar eenmaal vrij man, vond hij dat veel te ver .
Hij kocht van de kerk voor een billijke prijs een lap grond achter aan de Kreelseweg, naast de tuin van villa "Ingenetta".
Daar storrte hij, op eigen terrein dus, zijn volle wagens, maar bedekte het steeds met zwarte grond teneinde de omwonenden geen overlast te bezorgen. Nu nog kan men daar, even voor het Edese bos,een uitgebreide rij heuveltjes zien,
zij het thans met gras begroeid.
In 1949 werd de dienst uitgebreid met Bennekom en Lunteren, waar zich resp. 600 en 230 abonnee's opgaven. Het abonnement.sgeld moest door de veranderde omstandigheden wel wat opgeschroefd worden, maar bleef toch
betrekkelijk laag, zes gulden per jaar.


In 1960 vond de heer Koetsier het welletjes, door de enorme uitbreiding van Ede en nevendorpen werden de trajecten zo groot, dat een kapitaal. zou moeten worden geïnvesteerd aan nieuw materiaal en het nodige personeel. Hij bood
de gemeente aan het bedrijf voort te zetten, waarmede de Raad accoord ging. Materiaal en wagenpark als mede het gehele personeel werd door de gemeente overgenomen. Het tarief werd verhoogd tot negen gulden per jaar, maar daarvoor werd voortaan twee maal per week huisvuil opgehaald.
Nu weet men allang niet beter de moderne vuilniswagens zijn een vertrouwd beeld in onze straten geworden, maar daarom is het toch wel aardig om even aan de man,die vijftig jaar geleden het initiatief voor deze thans onmisbare dienst
nam, terug te denken.