Taalgebruik

Het mag bekend zijn dat soms heel eenvoudige mensen over een woordkeus beschikken waardoor zij vaak, zij het met
eigenaardige uitdrukkingen de kern van de zaak raakten. In de Edese Courant van 17 maart 1928 stond een aardig artikel
over dit gebruik van volkstaal.
De schrijver, ene Laurilland, waarschijnlijk een schuilnaam, vertelt daarin over zijn ontmoetingen met dergelijke mensen en
laat wat voorbeelden volgen, die we hier met eigen woorden willen weergeven.


Zo was hij eens in gesprek met een bejaarde vrouw, die de zorgen van het leven allerminst bespaard waren gebleven en die uitvoerig daarover vertelde. Zij besloot met de woorden: " Om kort te gaan wil ik maar zeggen dat mij wel is geleerd karnemelkse
pap met een vork te eten". Een man, die blijkbaar ook de nodige moeilijkheden had gekend, toonde zich echter geenszins verbitterd, integendeel. Berustend zei hij: "Och, het is wel eens goed voor een mens als Onze Lieve Heer hem wat onder de pekelhoudt. Dan bederft hij minder gauw".


Ook over het huwelijk had de schrijver ettelijke meningen verzameld. Een man hield er het volgende standpunt op na: "Je kunt
het huwelijk vergelijken met een fiets waarvan de vrouw het voorwiel, het deel dat de richting aangeeft en de man het achterwiel
vormt." Beter was evenwel een tandem. Dan zit de man gewoonlijk voorop en heeft zijn wederhelft hem maar te volgen, helaas
zie je weinig tandems op de weg.


Een ander gaf de volgende definitie over trouwen: "Het huwelijk is een sprong door een dichtgeplakte hoepel, je weet nooit hoe ,
of waar je terecht komt"
Een lid van een kaartclub trad in het huwelijk en toen hem een paar maanden later op een clubavond werd gevraagd hoe het beiden ging, drukte hij zich als volgt uit: "De eerste tijd was harten troef, maar nu speelt zij meestal schoppen uit". Als je de schrijver
van deze stukjes mag geloven komen mannen er meestal niet al te best af. Vaak neemt vrouwlief het heft in handen, wat een man eens tot uitdrukking bracht door in de gang van zijn woning een wandbord op te hangen met de volgende tekst: "De zaken hier in
huis zijn geheel verdraaid: het haantje zwijgt maar het hennetje kraait".


Cafébezoek blijft ook niet onvermeld. Dat kan gezellig zijn, een kaartje leggen of een partij biljarten kost altijd geld hetgeen
een vaste bezoeker inspireerde tot de volgende gedachte: "Eigenlijk ben ik gek. De kastelein trekt je telkens een veer uit en
wat zie je ervoor terug: een fraaie bos pluimen op de zondagse hoed van zijn vrouw". Er waren wel
klanten, die probeerden te poffen ,op de lat drinken", noemde men dat. Lang niet alle kasteleins waren daarvan gediend en soms
kon men dan ook een bordje aantreffen, dat nooit werd weggehaald met het opschrift: "Morgen zullen we borgen".


Een aardig gedichtje troffen we eens aan boven de tapkast van een café: Toen Mozes op een steenrots klopte, was het een
wonder dat er water uitdropte.
Nog groter wonder geschiedt hier, als men klopt dan komt er bier. Tot besluit een toch wel aandoenlijke uitdrukking, die treffend de gevoelens weergaf van een vrouw die eer zoon had verloren. "Als je mijn hart opensnijdt zie je mijn jongen ".
H.J. Nijenhuis