In
deze gejaagde tijd hecht men geen waarde meer aan bovennatuurlijke verschijnselen:
geesten, spoken, al of niet vergezeld van dwaallichtjes, mensen met de helm op
geboren, zij behoren tot het verleden. Heel vroeger vormden
zij echter, vooral
op het platteland, tijdens de lange winteravonden, een geliefkoosd onderwerp.
Onlangs gaf de bejaarde heer L. v.d. Bospoort mij wat dergelijke geschiedenissen
door, reeds door zijn grootvader verteld en die dus een
respectabele leeftijd
bezitten. Men mag er over denken zo men wil, alleen al het feit dat op deze manier
oude verhalen bewaard blijven is de moeite van het opschrijven waard. Elk dorp
bezat zo zijn eigen geheimzinnige zaken, de volgende
verhalen spelen rond Harskamp
waar v .do Bospoort zijn jeugdjaren doorbracht en er tal van herinneringen aan
heeft overgehouden.
Het eerste verhaal bij oudere Harskampers nog wel bekend,
betreft het spook van ,,'t Meulenveld."
Meulenveld
Lang
geleden stonden op het Molenveld, ver van elkaar verspreid, slechts enkele, zeer
sobere huisjes, die meer aan hutten deden denken. Een paar honderd meter achter
de molen stond een dergelijk krot, afgedekt met heiplaggen, waar een kinderloos
echtpaar woonde. De man bezat een slechte reputatie, aan werken had hij een broertje
dood, liever bietste hij en bedelde hij de omgeving af om aan de kost te komen.
Daar
bleef het echter niet bij, als de gelegenheid zich voordeed, stal hij alles wat
los en vast zat. Geen wonder dat hij met zijn verwaarloosd uiterlijk en een stem
die meer afgrijselijke vloeken dan normale woorden voortbracht, bekend
stond
als de schrik van Harskamp.
Op een november avond, de provisiekast liet weer
eens de bodem zien, schoot de man zijn tot aan de draad versleten duffel aan en
verkondigde: "Ik ga op jacht naar een varken, zet maar vast de Keulse pot
met water op de kachel." "Daar denk ik niet aan, ik ken dat jagen van
jou," was het antwoord. Vloekend trekt de man de duisternis in, richting
Otterlo, waar hij bij een boer een schram uit het hok haalt en de hersens in slaat.
En
passant pikt hij ook nog een kruiwagen om het dier daarop naar huis te brengen.
"ls
het water warm, dan kan ik het varken ontharen en afslachten." "Nee,"
zegt de vrouw, "jij altijd met dat roven en stelen, ga liever werken als
iedere andere man, dit kan nooit goed gaan."
"Hoepel maar op naar
bed, ik kan het alleen wel af," klonk het, gekruid met de nodige vloeken.
De man laait de potkachel zo vol hout, dat even later, door de hitte de ringen
eraf vliegen en door de opvliegende vonken het kurkdroge heidak vlam vat. Opgeschrikt
door het geknetter, holt de vrouw, slechts half gekleed, naar buiten en ziet nog
juist de hut in elkaar storten, haar man met het varken onder een vuurgloed bedervend.
Geheel
overstuur rent de vrouw naar een volgende hut om hulp te halen maar als zij later
met twee buren op de plaats van de ramp komt, vinden zij slechts een hoop verkoolde
beenderen, niet meer te onderscheiden of die van de man of
het varken waren.
Zij graven een gat, harken het zaakje bijeen en gooien dat dicht. De vrouw heeft
nog een tijdlang over de heide gedoold, tot zij naar een inrichting werd gebracht,
waar zij al spoedig overleed.
De geest van de verbrande man, belast
met zoveel diefstallen en de dood van zijn vrouw, kon echter geen rust vinden.
Al gauw na de brand ging het gerucht, dat tegen het middernachtelijke uur, op
de plaats waar de hut had gestaan, een
gekerm was te horen. Het zou nog erger
worden; een paar stropers zagen het spook van ,,'t Meulenveld" voor het eerst.
Een gebogen man, kreunend onder de last van een bundel hout op zijn rug, die fel
brandde maar niet verteerde, liep
klokslag twaalf uur, elke nacht, de weg die
zijn vrouw in de rampzalige nacht was gegaan om hulp te zoeken.
Zelfs na zijn
metamorfose tot spook kon de man het stelen niet laten, een huisvrouw, die aan
zijn vaste route woonde, had 's avonds een brood gebakken en dit ter afkoeling
buiten gezet, maar er niet meer aan gedacht. Tegen twaalf uur schrok zij wakker,
herinnerde zich haar baksel en sprong uit de bedstee om het alsnog binnen te halen.
Helaas, te laat, buiten gekomen zag zij nog net de fel brandende takken van het
spook dat met haar brood onder de arm ijlings verdween.
Het spook heeft
ook eens een militaire nachtoefening volkomen in de war gestuurd. Om in het donker
commando's door te geven gebruikte men toen nog lichtsignalen. De soldaten waren
in twee partijen verdeeld, verdedigers en aanvallers: deze laatsten zouden door
het ontsteken van een fakkel er op los branden. Op de normale tijd zweefde het
spook over de
Zuiderhei, de bevelvoerende officier van de aanvallers zag in
de brandende takken het afgesproken sein en gaf bevel tot de stormloop.
Al
schreeuwend en schietend met losse flodders renden zijn soldaten voorwaarts; zonder
maar een verdediger gezien te hebben, bereikten zij al gauw de barakken ,blij
dat de oefening zo kort had geduurd.
Geleidelijk stierven de mensen die de
man nog gekend hadden, en een jongere generatie begon aan de waarheid van het
verhaal te twijfelen, tot na de Eerste Wereldoorlog, ook op het Molenveld nieuwe
woningen verrezen. De grond waar de hut gestaan had was in andere handen gekomen
en de nieuwe eigenaar liet er een huis met flinke schuur bouwen. Bij het
grondwerk
stuitte men op een gat waaruit, behalve wat scherven van een Keulse pot, ook een
aantal beenderen te voorschijn kwamen. Een paar buurtbewoners die een kijkje kwamen
nemen, vertelden de grondwerker wat zich hier
vroeger had afgespeeld en dat
deze botten het doorslaggevend bewijs waren. De restanten van man en varken werden
opnieuw begraven en sindsdien is het spook van 't Meulenveld niet meer gezien.
Spookbos
Dan
was er nog het spookbos aan de Stroe Allee, een verhaal dat Van de Bospoort als
jongen had gehoord van de wagenmaker Van Ooyen, die aan de Pijnenburgerweg woonde
en voor de waarheid in stond. In het begin van de vorige
eeuw bleef daar eens
een doortrekkende woonwagen hangen, ter hoogte van "het Kraaiennest. "
De bewoners van de wagen, man, vrouw, en twee zoons en een dochter, vonden het
een prima plekje om wat op verhaal te komen van al dat zwerven. Geen mensen in
de naaste omgeving, gras voor het paard, hout genoeg om te stoken en volop wild
in de bossen.
Dat laatste gaf de doorslag want stropen en drinken was vrijwel
het enige waarvoor de handen van het manvolk niet verkeerd stonden. De herten
en wilde zwijnen leverden niet alleen smakelijk vlees, maar de man bleek bovendien
een
meester in het opzetten van dieren en het prepareren van huiden.
Hoewel
de Harskampers aanvankelijk niet veel van dat vreemde volkje wilden weten, dacht
men er anders over toen bekend werd dat men bij hem, voor een fles jenever een
fraai hertenvel of opgezette vogel kon krijgen.
De vrouw trok, vergezeld door
haar zeer knappe dochter en gewapend met een glazen bol, regelmatig het dorp in
om de toekomst te voorspellen. Jammer voor hen, maar de mensen toonden daar voor
weinig interesse, zodat zij het zout in de pap niet verdienden. De dochter zag
het dan ook niet meer zitten, en stelde voor weer eens verder te trekken. Haar
vader wilde daar niets van weten, het leven daar aan de Stroe Allee beviel hem,
mede door de ruilhandel met de inwoners prima. Na een paar mislukte pogingen nam
het meisje haar moeder in het vertrouwen: "Ik ga er alleen vandoor, geld
verdienen is voor mij geen kunst, maar jou laat ik niet in de steek, want van
de mannen heb je niets te verwachten, die verzuipen toch alles. Voortaan kom ik
telkens als het volle maan is hier naar het bos, klokslag twaalf uur kom je ook
en krijg je van mij geld voor een eigen spaarpotje." Zij vertrok naar 't
Gooi, waar gefortuneerde mensen woonden die haar waarzeggerschap en verleidingskunsten
beter wisten te waarderen. Trouw hield zij woord, eenmaal in de maand, bij volle
maan, ontmoette zij haar moeder en drukte die wat geld in de hand. Zo verliep
de zomer en er volgde een strenge winter waarin de
moeder ernstig ziek werd.
Mede door slechte verzorging en het ontbreken van geneeskundige hulp overleed
zij al spoedig.
Op haar sterfbed had zij de beide jongens in het vertouwen
genomen en verteld hoe zij met hun zuster in contact konden komen waarop dezen,
als dank, haar het reeds gespaarde geld afnamen. Een maand later vond men in het
bos hun vader doodgevroren bij zijn strikken, te veel alcohol bij de felle kou
was hem noodlottig geworden. De beide broers bleven
over. Gehuld in hun onafscheidelijke
schapenvacht, woeste baard en dito haren waren het angstaanjagende mannen geworden.
Het verhaal van hun moeder indachtig trokken zij regelmatig tegen middernacht
het bos in, maar blijkbaar niet op de juiste avond, want zij zagen geen zuster
dus ook geen geld. Wel werden zij opgemerkt door andere stropers, die
door
de eigenaardige glanzende kleding van het tweetal al gauw tot de conclusie kwamen
dat het spookte in het bos. De mare ging al gauw door het dorp en voortaan werd
dit gebied bij avond gemeden. Een jaar later verdwenen de
broers in hun gammele
wagen met de noorderzon maar de naam "spookbos" was en bleef er. Met
het meisje is het goed afgelopen, zij maakte carrière in Bussum, schafte
zich zelfs een adellijke titel aan en overleed op hoge leeftijd als een
vrouw
van standing.
Magischekrachten
In Harskamp woonden in die jaren,
als overal elders, ook mensen met magische krachten. Daar had je "Ded van
de handwiezer" een vrouw die met haar geit even buiten het dorp woonde. Zij
kan "aflezen," hielp mensen, tegen een
kleine beloning, van kiespijn
en andere kwaaltjes, of zoals bij Steven van de Brink die aan chronische hoofdpijn
leed. Al jaren slikte de man pillen. sliep altijd met een dikke doek om zijn hoofd,
maar niets hielp. Hoewel tegen zijn
strenge godsdienstige opvattingen in, ging
hij, teneinde raad, naar Ded. Deze streek met beide handen een paar maal over
zijn hoofd, een hevige rilling trok door zijn gehele lichaam en weg was de hoofdpijn
om nooit weer terug te komen.
Zulke gevallen wilden er bij de mensen nog wel
in, het "kon geen kwaad" zo iemand achter de hand te hebben. Ded kon
echter veel meer; als zij het nodig vond, om achter bepaalde zaken te komen, stak
zij zich in de huid van haar geit, waardoor je nooit zeker wist of je haar of
het dier op straat zag lopen.
Vooral 's avonds ging,zij nog wel eens als geit
op stap om aan de ramen te luisteren zoals bij de meester. Die had per ongeluk
het tuinhekje open laten staan en 's morgens bleek dat voor het venster alle bloemen
waren opgevreten.
Niet alle dorpelingen hechten er geloof aan, maar klein Jantje,
haar naaste buurman, kon het met bewijzen staven. Nu dient gezegd te worden, Jantje
was niet van de snuggerste, hij kon wel tien minuten urmen voor hij de juiste
klomp aan de goede voet had, maar eerlijk als goud, hij zou er niet om liegen,
Klein Jantje dan zag Ded op een warme julidag, met een
mandje aan de arm naar
Dabbelo trekken om bosbessen te plukken, terwijl de geit op de bleek stond.
In
de middag barstte een hevige onweersbui, gepaard gaande met slagregen los. Jantje
kreeg medelijden met de geit in dit noodweer,hij maakte het dier los en bond het
aan een repel op zijn deel vast. Tegen vijf u uur klaarde het op, Jantje
besloot
de geit weer naar de bleek te brengen. Tot zijn verbijstering zat, op dezelfde
plaats vastgebonden niet het
dier maar Ded. Geheel verbouwereerd maakte hij
de vrouw los, die hem nog vriendelijk bedankte voor de goede zorgen aan haar geit
besteed en naar huis liep. Ook Ded had, ondanks haar bijzondere gaven, niet het
eeuwige leven en is
gestorven evenals de mensen die haar gekend hebben. Och,
het is allemaal geleden, wij zullen er geen woorden meer over vuil maken, maar
onze voorouders zijn er avonden mee bezig geweest.
H. J. Nijenhuis

