Theodorus Prins enige en eerste burgemeester van Bennekom
In het vroege voorjaar van 1924 viel het oude Prinsenhof in de Dorpsstraat te Bennekom onder slopershanden. Gedurende de 19de eeuw was het statitige gebouw met zijn prachtige tuin bewoond geweest door de familie Prins. De laatste telg uit dit geslacht, die de naam Prins droeg, overleed in 1916 en daarna ,werd het Prinsenhof door familieleden soms voor een tijdlang betrokken of het stond leeg. Met het verdwijnen van dit gebouw. werden de laatste herinneringen weggevaagd aan een geslacht, dat het dorpsleven gedurende anderhalve eeuw op de voorgrond was getreden . De nog in leven zijnde afstammelingen wonen in andere plaatsen. Ook in het gemeentelijke leven nam,de familie Prins een voorname plaats in. Reeds in de 18e eeuw bekleedden leden van deze familie bestuursfuncties.
Zo was in de tweede helft van de 18e eeuw Henricus Prins ontvanger In het ambt , (gemeente) Ede. Hij overleed in 1799 en werd opgevolgd door zijn zoon Theodorus Prins. Deze Theodorus Prins zou de enige burgemeester worden die Bennekom ooit gehad heeft.
Het was midden in de Franse tijd. Napoleon stond op het toppunt van zijn macht.
Het koninkrijk Holland was in 1810 bij Frankrijk ingelijfd. Het ambt Ede ontving nu de naam canton Ede. De schout heette op
zijn Frans maire.
Niet lang daarna werd het canton Ede In 4 delen gesplitst, die overeen kwamen met de oude kerspels. Aan het hoofd van elk deel werd een maire benoemd. Zo werd in Ede aangesteld de vroegere maire van het gehele canton mr. C. B. de Vries.
In Bennekom werd Theodorus Prins benoemd .In Lunteren Wouter Roelofsen en in Otterlo G. Pothoven. Voor Theodorus
Prins die ontvanger was van het ambt Ede betekende de benoeming tot maire of burgemeester van Bennekom een promotie.
Hij stond echter niet aan het hoofd van een grote plaats, want Bennekom telde in die dagen 800 zielen.
Ede had 1726, Lunteren 1302 en Otterlo 620 .bewoners. Lunteren was in die dagen, wat de bevolking betrof aanmerkelijk groter dan Bennekom.
Het valt te begrijpen, dat er heel wat te regelen viel voor die vier gemeenten zelfstandig waren, vooral op financiëel gebied.
De rekening van de ontvanger moest in de eerste plaats afgehandeld worden en dat gaf nogal wat haken en ogen.
Na maanden had men de zaak rond.
De rekening werd afgesloten met een tekort van f 1406. Denk nu niet te gering over deze som. Men moet de geldwaarde van die tijd en de grootte en draagkracht van de gemeente in aanmerking nemen.
Zorgen voor de maire
Inkwartieringen en vorderingen waren aan de orde van de dag. Die vorderingen hebben de maire ook heel wat
hoofdbrekens gekost. Op zekere dag kreeg hij bericht, dat hij 2000 takkenbossen voor de veldbakkerijen moest leveren. Bij het niet voldoen aan de gestelde eis zouden strenge maatregelen getroffen worden.
We kennen de taal die gebruikt werd nog maar al te goed uit de achter ons liggende oorlogsjaren. De maire zat
met de handen in het haar, want in de gehele gemeente Bennekom waren geen 2000 takkenbossen te vinden. Hij
zond wat hij had. Het was maar een klein gedeelte van het gevraagde aantal. Er ging een briefje bij dat goed
op poten stond: Alles is op, vraag alsjeblieft nou ook niet meer .
De Fransen waren toen al van de vloer.
Het grootste deel van ons land was tenminste bevrijd. De vijand had alles mee geroofd wat te krijgen was en nu
probeerden de Pruisische en Russische legers, die hier ,de Fransen hadden weggedreven nog te halen, wat er te halen was. Pluk echter maar eens veren van een kikker. Er waren nog meer zorgen. Toen de Fransen weg waren uit deze streken werd een aanvang gemaakt met de vorming van een legertje, want de vijand hield in Deventer nog stand. Alle personen, die
geschikt waren voor soldaat werden ingeschreven. Er moesten echter ook wapens komen en dat was geen gemakkelijke zaak. Waar moest de maire die vandaan halen ? In het land waren ze niet en het buitenland leverde ze niet. Toen besloot men pieken te maken. IJzer was er nog wel en met een piek kon je een Fransman wel te lijf. Dat was nu wel erg moedig, maar of de gevechtshandelingen successen, zouden hebben opgeleverd als het zover gekomen was, staat te bezien. De Fransen kwamen niet meer in deze contreien en de pieken hoefden geen dienst te doen. Wat voor de Bennekommers wel erg gelukkig was.
Er begon een nieuwe periode. Wij leefden in een vrij land. De laatste drie, vier jaar van zijn ambtsperiode zal
burgemeester Prins het wat rustiger hebben gehad.
Hij stond echter aan het hoofd van een uitgemergelde gemeente. De armoede was in ,die dagen groot. Ook dat zal zijn zorgen meegebracht hebben.
Het duurde niet zo lang of hij zo zijn plotseling verkregen baan weer moeten opgeven.
In 1817 waren reeds plannen gemaakt om de vier delen van het oude ambt weer aaneen te voegen en op januari 1818 kreeg dit zijn beslag.
Burgemeester Prins was toen al niet zo jong meer. Op 68-jarige leeftijd ging hij van zijn rust genieten en hij heeft nog 11jaar als ambtloos burger in Bennekom gewoond.
Ede was weer een. Het oude ambt was weer hersteld .Aan het hoofd van de gemeente stond weer een schout zoals in vroeger dagen. Het was mr.E.D Meurs,die van 1818-1822 zijn ambt waarnam. Schout Van Meurs stierf jong,hij was zijn taak nog maar nauwelijks begonnen.
Burgemeester Hermanus Theodorus Prins
Als zin opvolger werd benoemd , Hermanus Theodorus Prins,een zoon van de vroegere burgemeester van Bennekom.
Hij was geboren in 1787 en dus 35 jaar oud. Op zijn trouwakte staat vermeld dat hij marktkoopman was. Waar hij in gehandeld heeft is niet bekend. Hij bemoeide zich wel met de gemeentezaken,want hij was al jong wethouder.
In 1820 trouwde hij met Maria Gerharda Dibbetz,een dochter van ds.Simon Dibbetz te Raalte en Adriana Gesina Prins. De bruid was van moederskant uit de familie Prins. Adriana Gesina Prins was een zuster van de maire van Bennekom. De familie Dibbetz was een adelijk geslacht in Overijssel.
Burgemeester Prins had evenals zijn voorganger,geen gemakkelijke taak . Het land was na de Franse tijd doodarm en Ede was nooit een rijke gemeente geweest.
De bevolking kon in het algemeen weinig belasting opbrengen. Van de meer gegoeden werd daardoor veel gevergd.
Er was werk aan de winkel .Schout Van Meurs had in zijn ambtsperiode reeds een begin gemaakt met verschillende zeer urgente zaken zoals aanschaffing van brandspuiten en de bouw van scholen. Voor burgemeester Prins waren nog tal van andere zaken weg gelegd.
Hijmoest zorgen voor betere wegen,het aanleggen van begraafplaatsen,de gezondheidszorg moest ter hand worden genomen,om maar iets te noemen van al het gene waarmee hij zich had te bemoeien.
De kosten voor de brandspuiten,die in Ede en de buitendorpen nodig waren,had hij op f2400 berekend. Dat viel mee. Later bleek dat de Koninklijke brandspuitenfabriekJ.J.Fischer te Nijmegen ze wilden leveren voor f1.095,-
Bij de levering werd f500,- betaald en de rest moest voldaan worden in 1823,zodat tenslotte burgemeester Prins er toch nog mee te maken kreeg,want in 1823 was hij reeds burgemeester.
Schout van Meurs krabde zich achter de oren. De gemeente was arm en er moest nog f3500 schuld uit de Franse
tijd weggewerkt worden. Hij meende dat de brandspuiten f2400.- zouden kosten, dus dat was een kleine f 6000.- op de een of andere manier betaald moesten worden. Het was onmogelijk voor de gemeente om dit in één jaar te doen en daarom werd aan de koning verzocht ,gedurende 6 jaar een buitengewone omslag van,f1000,- per jaar
mogen hebben. De koning maakte geen bezwaar en de brandspuiten konden besteld worden. Er zouden 3 grote
en 2 kleine spuiten gekocht worden. De grote zouden op een soort kruiwagen gereden worden.
Gedeputeerde staten meenden, dat het beter was om een wagentje met vier wielen te nemen. Nee, zei de gemeenteraad, want dan kan de spuit niet over de bruggetjes in Gelders Veenendaal.
Bij de grote brand in Lunteren, toen een groot aantal huizen een prooi van het vuur werd, verklaarde de gemeenteraad later, dat het alleen aan het doortastend optreden van de Lunterse en Edese brandweer was te danken, dat 't gehele dorp niet was afgebrand.
Het onderwijs
Burgemeester Prins heeft veel aandacht aan het onderwijs besteed. De schoolgebouwen verkeerden in de gehele gemeente in een deplorabele staat. In het dorp Ede werd les gegeven in het onderste gedeelte van toren. Een ander gebouw was niet beschikbaar.
In de kleine ruimte moesten 120 tot 160 leerlingen een plaatsje vinden.
Als men dit hok onder de toren in ogenschouw neemt, komt men wel zeer sterk onder de indruk van de onvoorstelbare toestanden op onderwijsgebied in die jaren, die nog met eens zo lang achter ons liggen.
Het waren niet alleen de gebouwen, die om verbetering vroegen: er waren ook veel te weinig onderwijzers. Bovendien liet de ontwikkeling van deze nog te wensen over. Nog in 1820 werd een boerenarbeider Jan van der Hoef ,als onderwijzer in Otterlo aangesteld.
Hoe erg het met de schoolgebouwen in Lunteren en Bennekom was, bleek wel uit het feit, dat de schoolopziener
Donker Curtius weigerde onderwijzers in deze plaatsen te benoemen, als er geen verandering in die gebouwen werd
aangebracht.
Zijn voorganger Schout Van Meurs had zonder succes al een adres van de koning voor het verkrijgen van een
rijkstoelage gezonden.
Er werd echter raad geschaft. Gedurende 3 jaar zou een extra hoofdelijke omslag worden geheven van f 1200,-. De geschatte kosten beliepen voor de gemeente f 3500.-- het overige werd door rijk en provincie betaald. Er zou in het dorp Ede en in elk van de buitendorpen op deze wijze een school gebouwd kunnen worden.
In 1823 werd de nieuwe school in Lunteren reeds geopend.
Strop voor de aannemer
De aannemer nam het met de uitvoering echter schijnbaar niet te nauw, want toen hij de banken had geleverd
werden ze afgekeurd.
Hij trachtte met het gemeentebestuur ,tot een akkoord te komen, maar deze achtte banken precies volgens
voorschrift van meer betekenis dan enig geldelijk voordeel. Er moesten dus nieuwe banken gemaakt worden.
Ook met de stenen ging de aannemer knoeien. Er werd een partij stenen afgekeurd en deze moesten door andere worden vervangen. De ingezetenen waren verplicht bij de bouw van de school diensten te verrichten. Zo werd o.a. het hout en de stenen door hen aangevoerd.
Maar om nu ten pleziere van een zijn plichtverzakende aannemer de afgekeurde stenen weg te voeren en de
nieuwe weer op het werk te brengen, dat ging alle perken te buiten.
Ze weigerden dit dan ook pertinent en ook de gemeente wilde er niet voor zorgen, zodat de aannemer er zelf voor opdraaide wat zijn verdiende loon was.
De school in Bennekom moest f 2900 , kosten volgens de begroting. Meester G. Otten, ,die van 1818 tot 1836 koster-schoolmeester in Bennekom was, zal wel blij met zijn nieuwe school zijn geweest.
Zijn opvolger meester W. Eerdbeek stond tot 1870 in deze school, die gebouwd was op het terrein waar nu de zaak van de firma Alblas aan de Dorpsstraat is gevestigd.
Tal van oudere Bennekommers weten nog verhalen te vertellen over de tijd dat hun ouders bij meester Eerdbeek naar school gingen.
Veenendaal kreeg in 1830 zijn school. Otterlo in 1844. Burgemeester Prins zag zijn onvermoeide pogingen om verbetering in het onderwijs te brengen wel beloond.
Nieuwe wegen
Het was niet alleen het onderwijs dat de aandacht van de burgemeester en natuurlijk ook van de gemeenteraad had. Ook de wegen moesten verbeterd te worden . Onder koning Willem1 werden veel straatwegen aangelegd en Ede wilde hierin niet achter blijven. De verbetering van de Dorpstraat moest door de gemeente zelf bekostigd worden . Het ging zo zuinig mogelijk: men gebruikte keien. Maar de kosten waren toch nog f1000. In 1830 was de Dorpstraat al weer in slechte toestand. Het kwam door de snelle vaart waarmee zware wagens door het dorp reden ,meenden de mensen,die aan deze straat woonden.
De huizen stonden te trillen. Het was levensgevaarlijk op de weg. De raad maakten toen een verordening. Er moest stapvoets gereden worden . Bij overtreding kreeg men een boete van f6 en bij herhaling f12,hetgeen een heel bedrag was in die tijd.
Tot 1851 heeft burgemeester Hermanus Theodorus Prins met vaste hand het roer in handen gehouden en tal van maatregelen getroffen.
Op 11september 1847 was hij een kwart eeuw burgemeester . In de openbare zitting herdacht de raad dit jubileum. Het raadslid Albert van Daalen,de vader van de nog in Bennekom zo bekende mr.A.C.van Daalen,feliciteerde de burgemeester namen het gemeentebestuur en bood hem een geschenk aan.
In 1851 nam hij wegens gezondheidsredenen ontslag.
Burgemeester Theodorus Prins
Zijn opvolger was zijn oudste zoon Theodorus Prins. Deze zette het werk van zijn vader voort die van 1852 tot 1860 duurde,de achting en genegenheid van de gemeente weten te verwerven. In 1855 werd de gemeente door een ernstige ramp getroffen. In de maand maart van dat jaar brak door het kruien van het ijs de Grebbendijk te Rhenen door.
De hooggezwollen rivier stortte zich in de Geldersche Vallei en deze veranderde in een binnenzee.
De mensen vluchten naar Veenendaal,Ede,Bennekom en andere plaatsen.
Velen verloren hun huis en have en konden alleen het vege lijf redden.
Slachtoffer van plicht
Burgemeester Prins een jonge man in de kracht van zijn leven, was dag en nacht in de weer voor de vluchtelingen. Op een van zijn vele tochten vatte hij kou en kreeg een longontsteking.
Het herstel ging zeer langzaam, maar hij kwam er toch weer boven op. Zijn gezondheid was echter geknakt en
vier jaar later werd hij weer ziek. Aanvankelijk leek het of hij ook nu de ziekte weer te boven was ,maar het was anders beslist. Op 8april 1860 overleed de burgemeester op de leeftijd van nog geen 40 jaar oud. Met hem ging een ijverig en trouw dienaar van de gemeente heen.
Het was wel een snelle promotie geweest maar nu was plotseling een einde gekomen aan deze loopbaan.
Met grote achting ,genegenheid en waardering is over hem gesproken in de gehele gemeente ,maar vooral ook in Bennekom waar hij zijn hele leven woonde.

De familie
De weduwe van de eerste burgemeester Prins woonde nog lange jaren op de Prinsenhof. Ze had tien kinderen gehad ,maar een dochterjes was jong gestorven.
In 1863 werd het Prinsenhof weer in rouw gedompeld door het overlijden van Adriana Gesina. Simonette Arnolda Johanna huwde met de heer Frederik Cornelis Tromp, een zeeofficier ,die later wethouder van Amsterdam en minister van de marine werd . Tot het jaar 1880,waarin mevrouw Prins overleed op 85jarige leeftijd,woonde ze met een zoon en 5 dochters op de Prinsenhof. Haar zoon Nicolaas stierf in 1891 .Hij bereikte de leeftijd van 62 jaar . Hij was rentmeester en tevens lid van de gemeenteraad.
Het werd in de loop der jaren stil op het Prinsenhof. Omstreeks 1900 woonde in het staige herenhuis nog een dame:Catharina Prins.
Haar zuster Simonetta,dus mevrouw Tromp overleed in 1903. Catharina overleefde haar 13 jaar.In 1916 overleed de laatste bewoonster van het Prinsenhof. Ze werd 83 jaar.
Met haar stierf de naam Prins uit. Haar zuster Simonetta had een dochter Augusta, die met de heer Lodewijk
Johannes van der Mandelen huwde.
De heer Van der Mandele was zeeofficier ,en later wijnkoper in Den Haag. Van hun beide zonen leeft nog Theodoor Maria, geboren in 1895. Hij was bedrijfsleider bij een groot autobedrijf en is thans gepensioneerd. Zijn broer Lodewijk Johannes was hartspecialist in Den Haag. Hij overleed in 1933.
Theodor huwde met mej Handels, maar dit huwelijk bleef kinderloos. Zijn broer had drie dochters,zo dat het geslacht Prins niet ,uit,gestorven is in de vrouwelijke lijn.

Het Prinsenhof
Na de ,dood van de laatste bewoonster Catharina bleef het Prinsenhof gedurende een achttal jaren,leegstaan.
Soms woonde er een familielid een tijd lang.
De tuin was bijzonder fraai. De Schoolstraat vormde de grens in het oosten en als men daar bij het grote ijzeren hek stond keek men over de korenvelden tot Selterskamp. Thans is in deze omgeving alles volgebouwd.
Toen het Prinsenhof in zijn glorietijd was,beheerste het geheel het dorpsbeeld.
Vooral de zuidkust vertoonde een deftige aanblik,in aanmerking genomen dat Bennekom een eenvoudig dorp was.
In 1924 was het in verval geraakt en de familie besloot het af te breken.
Op het terrein werden het garagebedrijf Van der Weerd en het kruideniersbedrijf voorheen R Schotshorst gebouwd.
Bethanie
De familie Prins bezat nog drie huizen in de Dorpstraat,namelijk het tegenwoordige Bethanie het huis waar thans Novita iss gevstigd en waarin vroeger de dorpsdokter Jacobse Boudewijnse woonde en het huis waarin de groentewinkel van de firma Silfhout is. De laatste bewoonster van het Prinsenhof had van een van de huizen een kleine ziekenverpleging gemaakt,zij noemde het Bethanie.
De Prinsenstichting
Bij testamentaire beschikking werd een groot deel van de bezittingen van mej Prins ondergebracht in een stichting, de zogenaamde Prinsenstichting.
Deze stichting moest de ziekenverpleging in Bethanie voortzetten.
De Prinsenstichting is later gaan samenwerken met de Johanniter orde en dat is tot de huidige dag zo gebleven.
In Oud Vossenhol aan de Edeseweg werd eerst een ziekenhuis gevestigd en na de bouw van het streekziekenhuis een verpleeghuis voor gehandicapte meisjes.
De naam Prins leeft voort in de Prinsstichting. De gemeente Ede bewaarde herinnering aan de drie burgemeesters Prins door een laan in Ede naar hen te benoemen.
Het geslacht Prins woonde en werkte meer dan anderhalve eeuw in Bennekom.
Thans weten nog alleen de oudere Bennekommers iets van het bestaan van de familie,die vele jaren een leidende rol in het dorpsleven vervulde.
De laatste bewoonster van het Prinsenhof
mej, Catharina Prins hebben velen nog gekend . Op het oude kerkhof bevindt zich de grafkelder van de familie Prins.

Van het geslacht Prins is in Bennkom nog slechts een vage herinnering over.
In de geschiedenis van het dorp en van de gemeente zal de naam Prins echter met ere en achting genoemd worden.
|