Jansen de gemeente opzichter

Onlangs werd een druk bezochte open dag door de dienst gemeentewerken georganiseerd. Bij het bekijken van al dat moderne materiaal moesten we onwillekeurig even denken aan de man, die in vooroorlogse jaren" onder geheel
andere omstandigheden, zo'n voorname rol op dit terrein heeft gespeeld. Bedoeld wordt Gerrit Jan Jansen, geboren
januari 1878, hij kwam 1 september 1900 als wegenopzichter in dienst bij de gemeente Ede. Het toenmalig college van B.en W. bestaande uit burgemeester Op ten Noort alsmede de wethouders baron Wassenaar en dokter Thomas, had hem in deze functie benoemd en men had geen betere keus kunnen maken.

Jansen kreeg Bennekom tot standplaats met als zijn directe chef de gemeentearchitect, de heer Noorman.
Zijn personeel bedroeg zeven man: drie tolgaarders en vier wegwerkers waarvan er één tevens als doodgraver en
lantaarnopsteker fungeerde. Hun weekloon bedroeg vijf gulden, als baas ontving Jansen een gulden meer. Destijds bestond er voor mensen in gemeentedienst nog een gratificatie regeling, zowel voor hoger als lager personeel. Had bijvoorbeeld een wegwerker het gehele jaar tot volle tevredenheid van zijn superieuren gewerkt, dan ontving hij eind december een extra beloning van tien gulden.


Niet gunstig
Bennekom bleek. daar zijn werkzaamheden zich over de hele gemeente uitstrekten, voor de jonge opzichter
allerminst een gunstige woonplaats.
Daarbij kwam dat bij de indiensttreding van Jansen, de fiets nog een vrijwel onbekend vervoermiddel was, elke afstand moest te voet worden afgelegd.
Dat konden soms tientallen kilometers op een dag worden, zoals bij het opmeten van grind. in die dagen het aangewezen materiaal voor verharding van wegen. De gemeente bezat twee grintgaten,één bij Oud-Reemst, de ander op het Gello in de Doesburgerbuurt. Het graven en zeven gebeurde bij winterdag door keuterboertjes uit de omgeving. Zij hadden dan toch niet veelom handen en beschouwden dit werk als een welkome bijverdienste. De controle daarop berustte bij Jansen: tweemaal per winter maakte hij, een stevige stok in de hand, recht toe recht aan, over heide en door bossen, deze dagwandeling om de gravers vast een voorschot uit te betalen. In het voorjaar werd het totaal van de gegraven grint opgemeten en volgde de eindafrekening.
De gemeente kon dan gedurende de zomermaanden het benodigde grint uit voorraad laten halen.

Basalt
In 1904 werd voor verharding voor het eerst van basalt gebruik gemaakt tijdens de aanleg van een weg tussen
De Klomp en Ederveen. Deze nieuwe methode van werken nam zo zeer de aandacht van Jansen in beslag dat hij
de gehele dag bij het werk aanwezig bleef. Daar de afstand naar Bennekom wel erg groot was, ging hij wekenlang bij een boer te Ederveen in de kost. Hij bracht alleen de zondagen thuis door.
Dat basalt moest stevig in elkaar worden gedrukt hetgeen met mankracht onmogelijk bleek. Derhalve kocht de
gemeente voor vierhonderd gulden een wals met een gewicht van zevenendertig honderd kilogram, die door een paard werd getrokken. Tijdens zijn Bennekomse periode werd Jansen tevens aangesteld tot onbezoldigd politieman
en moest, zo nodig, de bekende gezagsdrager Wien bijstaan. Als teken van zijn waardigheid droeg hij, bij uitoefening van deze functie een fraaie koperen penning van ongeveer zeven centimeter doorsnede met hel opschrift: "Ede, wegwerker en veldwachter". De familie heeft later dit ambtsketen aan hel museum Oud-Ede geschonken waar het een plaats kreeg in één van de vitrines.

Revolver
Tevens ontving Jansen een revolver met zes kogels, waar hij zelf doodsbenauwd voor was. Hij heeft er nooit mee
geschoten.
Na enige jaren drong het ook tot hogerhand door dal Bennekom nu niet direct de gunstigste woonplaats was voor een gemeenteopzichter. Dus verhuisde Jansen in 1906 naar Ede, waar hij aan de Bettekamp, destijds nog een voetpad te midden van de bouwlanden, een huis had laten bouwen. Totale kosten, grond inbegrepen, elfhonderd gulden, toen hij er in de dertiger jaren een serre bij liet zette, kostte alleen die aanbouw tweeduizend gulden.


Onderhoud, verharding en de aanleg van nieuwe wegen bleven de voornaamste taak van Jansen. Het aantal werknemers in vaste dienst steeg wel geleidelijk, maar voor grotere werken bleef men aangewezen op z.g. "losse arbeiders".


Mobilisatie
Hoezeer men daarvan afhankelijk was bleek op 1 augustus 1914, de dag dat de mobilisatie uitbrak. Jansen was
juist bezig met de aanleg van een weg in Bennekom, toen, midden op de dag, door zwaar klokgelui
deze noodtoestand werd afgekondigd.
Onmiddellijk legden alle mannen het werk neer en trokken naar huis; slechts een enkeling kwam de volgende dag
weer opdagen. Het overgrote deel moest de wapenrok aantrekken en verdween naar de verschillende garnizoensplaatsen. Het werk kwam stil te liggen en kon pas het volgend jaar voltooid worden. Personeel en materiaal werden schaars tijdens die mobilisatiejaren.


In 1917 was Jansen bezig met de verharding van een weggedeelte tussen Otterlo en Oud-Reemst. Men was
er nog in geslaagd twee en dertig goederenwagons basalt op de kop te tikken, die aangevoerd werden op station
Wolfheze en vandaar naar het werk vervoerd moesten worden. Het lossen en overladen was, ook al gezien het
staangeld, een haastkarwei, waarvoor echter de nodige mensen ontbraken.

Belgen
Ten einde raad werden een dertigtal. Belgen uit het vluchtoord op de Ginkelse heide ingeschakeld. Zij zouden een
gulden per dag verdienen maar toen de ploeg arriveerde en de aard van het werk hen duidelijk werd, vonden zij dat
te weinig en eisten het dubbele bedrag. Jansen, als altijd resoluut, maakte korte metten." Aan het werk of terug naar het kamp". De Belgen hielden echter voet , bij stuk en vertrokken, Jansen met de moeilijkheden achterlatend. Deze zal echter niet voor één gat gevangen: hij nam contact op met de militaire autoriteiten. Nog diezelfde ochtend verscheen een ploeg vrijwilligers zodat het werk weinig stagnatie ondervond. Daar de heer Noorman, naast zijn functie van gemeentearchitect ook belast met het beheer van de gemeentelijke gasfabriek werd Jansen daar ook nog al eens ingeschakeld. Hij moest de aanvoer van kolen regelen en zorgen voor het lossen van turfschepen die op gezette tijden in de haven van Wageningen aankwamen.

Na een drukke werkdag was de gemeenteopzichter ook in de avonduren nog geen vrij man. Telefoon tussen de verschillende diensten was nog onbekend, derhalve moest Jansen zich, elke avond klokslag acht uur, bij zijn chef melden om instructies voor de volgende dag ne halen. Dan kon het gebeuren dat die dat voerlieden nodig
waren en moesten alsnog Veldhuizen, Brand v. Raay of Waayenberg, om een paar slepers uit die tijd te noemen,
gewaarschuwd worden.


Meer personeel
Na 1918, het einde van de Eerste Wereldoorlog, ging ook de dienst van gemeentewerken met de tijd mee. Er
werd meer personeel aangenomen, er kwamen een stoomwals, sproeiauto en meer modern materiaal. Als iets geheel nieuws werden de eerste bituumwegen aangelegd .Overigens was ook voor hem het toezicht gemakkelijker
geworden; zijn gefiets, waarover hij na zijn verhuizing naarEde kon beschikken werd verwisseld voor een Douglas
motor en nog wat later kreeg hij zelfs een Ford auto toegewezen. Hoewel Jansen nu niet direct een gemakkelijke
baas was, zou hij zijn mensen nooit opjagen of afblaffen. Juist dat correcte en eerlijke optreden maakte hem bij zijn
ondergeschikten populair. Ook vrijwel elke dorpeling kende hem, wellicht mede door zijn handicap. Jansen was
namelijk doof; alvorens een gesprek te voeren, haalde hij een koperen hoorn uit zijn binnenzak, zette die aan zijn oor
en verstond zo wat er tegen hem werd gezegd.


Nieuwe chef
De eerste augustus 1920 kreeg Jansen een nieuwe chef; zoals reeds gezegd was de heer Noorman, naast
gemeentearchitect, ook verbonden aan de gasfabriek en had bovendien in de mobilisatiejaren de leiding van het distributiekantoor. Men vond op de duur deze culminatie van banen wel wat te veel van het goede. Met ingang van zo
juist genoemde datum werd de heer A. Weener als directeur van gemeentewerken aangesteld terwijl de heer Noorman hoofd van de gasfabriek werd.



Afscheid
Zaterdag middag, 31 december 1938 nam de heer Jansen in de geheel gevulde raadzaal van het oude gemeentehuis aan de Not. Fischerstraat,afscheid van de dienst. Als eerste spreker bracht de heer Weener dank aan de man die achtendertig jaar lang onze gemeente zo plichtsgetrouw had gediend. Hij had niet minder dan vier burgemeesters meegemaakt en zijn personeel van zeven tot veertig man zien uitbreiden. In zijn periode is het wegennet van de gemeente enorm uitgebreid en verbeterd. spreker prees Jansen voor zijn tact in het omgaan met werknemers en het zuinige beheer van materiaal. De stoomwals, vijf en twintig jaar daarvoor aangekocht, verkeert nog in prima staat en met zijn Ford heeft hij nog nooit enige schade opgelopen.
Tenslotte sprak de directeur een woord tot de opvolger van Jansen, de heer W. Stroo en hoopte dat deze het werk op dezelfde voet voor zou zetten.
Meerdere sprekers volgden en die lieten hun woorden veelal vergezegd gaan met bloemen of cadeaus. Tot aller
verrassing kwam "De Harmonie" altijd present bij een bijzondere plaatselijke gebeurtenis, de scheidende functionaris een serenade brengen. Aan het eind van de plechtigheid dankte de heer Jansen voor de lovende woorden en aangeboden geschenken. Hij verzocht alle aanwezigen op zijn gezondheid te drinken in het tegenover gelegen logement "De Posthoorn", waar nog geruime tijd werd nagekaart. Een harde werker was met pensioen gegaan, waarvan hij jaren zou genieten. Gerrit Jan Jansen overleed op 23 mei 1964.

H.J.Nijenhuis