Een
goede halve eeuw geleden kenden men in het dorp Ede nog geen riolering en straatreiniging.
Wel
bestond er sinds 1856 een gemeenteverordening, die de mensen verplichtte de weg
voor hun woning regelmatig schoon te houden, waaronder ook viel bij gladheid in
de winterdag zand te strooien.
Later kwam daar het verbod bij om huis en afvalwater
op de openbare weg te lozen. Elke woning diende over een beer en zinkput te
beschikken. De inhoud van eerstgenoemde deed dienst als mest op het land, het
bekende "gieren", waarvan de gehele buurt kon meegenieten.
De
tweede diende om het overtollige water op te vangen. Een zinkput werd niet gemetseld,
maar gestapeld, zodat het water ook door de voegen weg kon.
Toch raakten
deze wanden op den duur verzadigd en moest de put regelmatig worden leeggehaald,
wat veelal geld kostte.
Geen wonder dat men de vele teilen waswater simpelweg
op straat liet lopen, mits zich geen politie in de nabijheid bevond.
Dan volgde
onherroepelijk procesverbaal.
Protest actie
Die toestand begon
te vervelen. In februari 1929 besloten de bewoners van het Maandereind tot een
gezamenlijke actie, om een woord van deze tijd te gebruiken. Op een vrijdag, de
wekelijkse schrobdag, begonnen alle huisvrouwen gelijktijdig hun stegen en stoepen
de bewerken en lieten het water de vrije loop.
De politie was spoedig ter plaatse
en had druk werk: niet minder dan negen en twintig bewoners kregen een bekeuring.
Op
2 maart ontvingen allen een brief met de aanhef "In naam der Koningin",
waarbij zij verzocht werden op 15 maart 1929 voor de kantonrechter in Wageningen
te verschijnen. Zijne Edelachtbare, die deze zaak in massa behandelde en de driedubbele
rij verdachten overzag, meende dat ook de gemeente Ede schuldig kon zijn, daar
een behoorlijk afwateringssysteem ontbrak. Hij stelde de zaak uit voor ander onderzoek,
hetgeen waarschijnlijk nooit is gekomen.
Maar de verordening bleef bestaan,
de Maandereind bewoners juichten te vroeg. In augustus 1929 moest één
van hen, mevrouw K., opnieuw bij de kantonrechter op het matje komen.
Zij
had op 6 mei, zij het middels haar dienstbode, waswater op de openbare weg laten
lopen. Verdachte beweerde bij haar woning geen ruimte te bezitten om putten te
graven en geen andere uitweg te hebben dan een smalle steeg.
De directeur van
gemeentewerken, de heer W.als getuige opgeroepen, beaamde dat. Hij verklaarde
bovendien dat meerdere bewoners aan het Maandereind in dezelfde situatie verkeerden.
Alleen de aanleg van een riolering kon een afdoende oplossing brengen, maar daarvoor
ontbrak bij de gemeente het nodige geld.
Zelfstandige
Formeel
bleef verdachte echter in overtreding, maar de oplossing kwam toen het dienstmeisje
werd verhoord. Zij gaf de overtreding grif toe, maar op de vraag of zij in
opdracht van mevrouw K. had gehandeld, klonk het resoluut: "Geen sprake van,
ik ben gewend zelfstandig te werken".
Dat maakte het voor de ambtenaar
van het Openbaar Ministerie gemakkelijk: hij concludeerde dat in dit geval verdachte moest
worden vrijgesproken.
Niet zij, maar het dienstmeisje was in overtreding geweest,
en conclusie waarmede de kantonrechter akkoord ging.
Aan deze perikelen kwam
een einde in de jaren dertig, toen als werkverschaffingsobject ook Ede van riolering
werd voorzien.
Tevens werden toen aan sportaccommodatie is Peppelensteeg, waar
zich nu uitgebreide sportaccommodatie is bevinden, de bekende vloeivelden aangelegd.
H.
J. Nijenhuis

