
De
veldwachter had de tip, wellicht ongemerkt door meester Wormgoor gegeven, in zijn
oor geknoopt, De volgende middag
stapte hij, ondanks een miezerige regen, op
zijn dienstfiets en trapte naar Jans in de Struiken. Op zijn klank opende de vrouw
de lage grote deur en vroeg verwonderd: "Hé, de veldwachter, er is
toch geen narigheid", Nee, nee, maar ik had even met de jongens willen praten,
zijn ze hier," "Ja, als altijd in de oude schuur, loop er maar heen",
antwoordde de vrouw en deed de deur dicht, Het viertal zat in de as van een
oude potkachel, die de schuur verwarmde, genoeglijk aardappels te poffen, Zij
keken amper op toen hij binnenkwam en meteen al een opschrijfboekje voor de dag
haalde, dat maakte altijd indruk: "Eerst maar even jullie volledige namen
en adressen", begon hij. De vier keken elkaar aan, maar reageerden niet,
waarop de veldwachter een paar passen dichterbij kwam, Daarbij viel zijn oog op
een bos koperdraad, dat duidde op stropen een bezigheid die gegarandeerd een
bekeuring opleverde. "Zo, dus jullie zitten ook al achter konijntjes aan",
informeerde hij, "Nee man, dat draad is van Maks, die was net nog hier, maar
ging wat strikken zetten op het
knollenland van Dirk V. Witselaar, Nu kreeg
de veldwachter haast, Maks was een bekend stroper op wie hij al geruime tijd had
voorzien, de kwestie met de jongens kon wel even wachten . Met een "jullie
krijg ik nog wel", verdween hij, door de aarsgrenzen de drassige weilanden
naar het land van de boer. Het bleek zwaar ploeteren, zijn uniform werd er niet mooier
op en, nog beroerder geen stroper te zien. Wel kwam v. Witselaar de achterdeur
uit, verwonderd dat de veldwachter over zijn terrein zwalkte. Deze gaf uitleg,
ik ben op zoek naar Mak, die moet hier aan 't stropen zijn.
"Man laat
je niet uitlachen, er is hier meer dan duizend meter zicht, al zou Maks op karwei
zijn, dan had hij je allang zien aankomen, ik had je wijzer geacht. De veldwachter
moest hem gelijk geven, hij sjokte terug naar Jans om zijn fiets op te halen.
De schemering viel en het regende nog steeds toen hij bij het huis kwam ,maar
zijn fiets niet zag staan.
Jans helderde dat op ,de jongens zijn weg ,maar
we hebben eerst je fiets naar de schuur gebracht, het regende nogal.
De veldwachter
pakte zijn rijwiel, liep de eerste vijftig door de modder om, nadat de weg wat
beter werd, op het zadel te springen. Hij kwam niet ver; beide banden bleken leeg,
natuurlijk weer een streek van die aardappelpoffers. Zichzelf verwensend en inwendig
vloekend dat hij op de stroper was afgegaan, in plaats van die jongens goed onder
handen te nemen sjouwde hij met zijn fiets aan de hand naar huis. Zijn vrouw keek
verbaasd: "Man waar heb jij uitgehangen, je ziet er uit als een zwerver;
ga gauw naar de pomp eerst wassen en dan omkleden. Wij krijgen vanavond meester
Wormgoor met zijn vrouw op visite, hij wou weten of je het werkelijk kalm aan
deed.

Wat
later, met een goede sigaar, een kopje koffie en door de rustige gesprekstoon
van meester,voelde de veldwachter zich weer op zijn gemak, hij dorst zelfs te
vertellen wat hem die middag weer was gepasseerd. Slechts met moeite kon meester
Wormgoor zijn lachen bedwingen: "Ik heb het je gisteren al gezegd, blijf
rustig een poosje thuis en bemoei je nergens mee, als de mensen je nodig hebben,
komen ze wel".
De veldwachter knikte instemmend maar de volgende morgen
een nieuwe ramp,zijn rijwiel bleek verdwenen.
Dat was toch hondsbrutaal ,om
bij een politieman te stelen. Briesend liep hij naar de buren om te informeren
of zij iets verdachts hadden gehoord. Juist bij het tuinhekje kwam Gerrit Hol,
die leerling fietsenmaker was, met het rijwiel aanzetten. "Ik
hoorde dat
je gisteren pech had",zo begon hij schijnheilig, jullie hadden visite gisteravond,
dus kon ik de fiets ongemerkt weghalen. De banden zijn weer in orde en ik heb
hem goed schoongemaakt, alles voor noppes. Inderdaad het rijwiel zag er weer keurig
uit, de veldwachter was verrast, hij begon de bengels met andere ogen te bezien.
Zij mochten dan wel streken uithalen op zijn tijd maakten zij het ook weer
goed.
Hij besloot dan ook ditmaal de raad van meester op te volgen en deed
het de donkere weken rond Kerstmis wat kalmer aan. Een paar dagen voor oudjaar
kwam evenwel een verordening van hogerhand uit Ede waarin hem werd opgedragen
nauwlettend toe te zien dat op 31 december de café's klokslag elf uur zouden
sluiten. Hij was politieman genoeg om deze opdracht serieus te nemen, maar stelde
toch zijn vertrouwensman, meester Wormgoor op de hoogte. Deze, die de dorpelingen
van haver tot gort kende meende... Lap het aan je laars en laat je op Oudejaarsavond
in het dorp niet zien. De mensen hier lusten best een borreltje, maar het loopt
nooit uit de hand. Als jij echter in je uniform opzichter gaat spelen, dan jaag
je de mensen op stang en sla je wellicht weer een flater . Er waren destijds in
Harskamp twee caféhouders, Beerdsen en Minnen, bij beiden stond op Oudejaarsavond
een grote schaal oliebollen op tafel waaraan de bezoekers zich te goed konden
doen.
Die avond werden de café's drukker bezocht dan normaal, onder
afgelopen jaar uitvoerig hesproken, maar men maakte het niet te laat, de overgang
van oud naar nieuw werd in huiselijke kring gevierd .Na lang dubben dorst de veldwachter,
ondanks het advies van meester, het ontvangen bevel niet te negeren, als men er
achter keek was hij nog niet jarig. Dus reed hij 's avonds half elf op zijn fiets
naar café Beerdsen, stapte de gelagkamer binnen en commandeerde: "
Vanavond moet de zaak uiterlijk elf uur gesloten zijn".
De bezoekers
waren er niet van onder de indruk. Een bezadigde man gaf hem te verstaan: "Maak
je niet dik veldwachter, wij hebben nooit moeilijkheden gemaakt, vat maar een
borrel van me". De politieman ging daar niet op in, maar spurtte naar Minnen.
Daar herhaalde hij zijn order; nu trachtte Minnen zelf hem gerust te stellen,
"Kijk nou niet op een minuut, ik geef je de verzekering dat om kwart over
elf alles rustig is". Ik kom om elf uur al controleren, was alles wat de
veldwachter antwoordde waarop hij naar buiten ging. Hij greep zijn fiets, wilde
opstappen en lag gelijk tegen de vlakte. Door het geluid van zijn val stormden
de cafébezoekers naar buiten en zagen, bij het licht dat uit de gelagkamer
straalde, de inmiddels overeind gekrabbelde veldwachter in stomme verwondering
zijn fiets bekijken. Inderdaad, het was een vreemd gezicht, waar het zadel behoorde
te zijn bevond zich het stuur en op die plaats het zadel. Tijdens zijn optreden
in het
café was klein Jantje vliegensvlug met de fiets aan het sleutelen
geweest. De dienaar der wet begreep er niets van; hij staarde slechts naar zijn
fiets. Klein Jantje nam het initiatief: "La'we effe kijken of hij niks gebroken
heeft, zo'n val kan
lelijk aan komen". De veldwachter liet zich geduldig
bekloppen en betasten maar het scheen mee te vallen. " Toch geloof ik",
aldus Minnen, met een knipoogje, "dat het beter is als een paar man hem naar
huis brengen". De veldwachter, nog steeds versuft, stribbelde niet tegen
toen een escorte van vier man hem weg bracht. Aan zijn vrouw vertelde zij dat
hij onwel was geworden en gaven haar de raad hem maar gauw in bed te stoppen.
Na deze hulpvaardige mannen te hebben gedankt, deed zij dat, waardoor de Harskampers
ongestoord Oudejaarsavond konden vieren.
Maar de volgende dag Nieuwjaarsdag,
lieten de dorpelingen zich , van een andere kant zien,het werd wel grote verzoendag.
Die middag kwamen, met klein Jantje voorop, plechtig een fles drank aanbiedend,van
alle mensen die in de gebeurtenissen van de afgelopen weken een rol hadden gespeeld,
het veldwachters echtpaar Nieuwjaar wensen. Niemand zinspeelde op het gebeurde,
slechts vriendelijke woorden, vergezeld van kleine attenties en het allerbeste
voor het komende jaar. De veldwachter werd er door ontroerd: wat bleken die
Harskampers, als je hen beter leerde kennen, toch fijne mensen te zijn.
Meester
Wormgoor, natuurlijk ook present, genoot glimlachend van de situatie, een beetje
gekheid maken was niet erg, als op zijn tijd het gezag ook maar werd gerespecteerd.
Om het geheel compleet te maken, kwamen ook de vier kameraden aanzetten. Zij stelden
zich nu netjes voor en bekenden dat zij eigenlijk, door het maken van de bewuste
pop, de oorzaak
waren van de strubbelingen.
Toen nam meester Wormgoor het
woord: "Om jullie wat meer te leren dan streken uit halen, zal ik volgende
winter een avondschool , beginnen voor hen die de school al verlaten hebben".
Dan kunnen we het vroeger geleerde nog eens ophalen en mogelijk uitbreiden: opj ullie vier reken ik vast. Hij heeft inderdaad woord gehouden, jarenlang heeft
meester Wormgoor belangeloos les gegeven op lange winteravonden en daardoor
bij veel jongelui hun ontwikkeling op hoger peil gebracht. Het was al laat
in de middag toen de laatste bezoekers vertrokken waren, het nieuwe jaar was
waardig en vol goede voornemens ingezet. De band tussen de dorpelingen was veel
sterker geworden, zo zelfs dat toen de veldwachter enkele jaren later werd overgeplaatst
men getracht heeft, middels een lijst met
handtekeningen, hem voor Harskamp
te behouden, hetgeen echter niet lukte.
H.J.Nijenhuis


