Midwintergrap in Harskamp (1)

Men zal begrijpen dat in het Harskamp van drie kwart eeuw geleden weinig te beleven viel. De mensen woonden vrij geïsoleerd, waren op elkaar aangewezen en vormden mede daardoor een hechte dorpsgemeenschap. Begrijpelijk dat,als zich eens een verzetje voor deed. veelal in de vorm van kwajongensstreken, het hele dorp er weet van had.

Een waar verhaal ,op dit terrein vertelde mij de bejaarde heer L. Bospoort, die nog aan die rumoerige decembermaand, een paar jaar voor de eerste wereldoorlog, met plezier kan terug denken. Vier gezworen kameraden, de gebrs. Gerrit en Jacob v. Dijk, Gerrit Hol en Lammert v. d. Bospoort besloten zo half november op St. Nicolaasavond meester
Wormgour er tussen te nemen. Zij hadden nog niet zo lang de lagere school verlaten en ,bedoelde de grap als wraakneming daar meester hen tijdens de schooljaren niet altijd even zachtzinnig had behandeld. Overigens niet geheel ten onrechte: Zij vormden met de belhamels van de klas, trokken de voor hen zittende meisjes stiekum aan de vlechten, lieten muizen in de klas los en brachten zelf eens kikkers mee, die behendig van bank tot bank sprongen. Nu was die meester Wormgoor een alleszins gezien en gerespecteerd man in Harskamp, die in het openbare leven een belangrijke plaats innam, altijd bereid naar beste weten te helpen. Maar op school regeerde hij de jeugd met strakke hand en was ervan overtuigd dat van lijfstraffen een opvoedkundige werking uitging. De goede eigenschappen van meester zou het viertal pas later gaan waarderen, nu dachten zij alleen nog aan het Spaanse rietje waarmede de man zo vaardig kon omgaan.


De gebroeders Van Dijk woonden in de Struiken waar zij van moeder Jans de beschikking hadden gekregen over een oude schuur. Dat deed avontuurlijk aan,een soort rovershol waar het kwartet ongestoord bij elkaar komen.
Daar werd dan ook het plan geboren en uitgewerkt een grote pop te maken die meester op pakjesavond een presentje te
brengen.
Avonden lang werden bij het licht van een stal lantaren serieus gewerkt en het resultaat mocht er zijn, De pop had de juiste
lengte, hoofd, armen benen in goede proporties. Een manchesterbroek met linnen kiel aan,een pet op het hoofd en de voeten gestoken in wit geschuurde klompen,in het duister niet van een normaal mens te onderscheiden. Vijf december was gekomen: tegen zeven uur in de avond werd de pop aan een laatst inspectie onderworpen en kreeg het pakje in de handen gebonden. Dat bestond uit een blikken trommeltje, keurig verpakt, maar wel onopvallend voorzien van een paar luchtgaatjes, onmisbaar , want de inhoud bestond uit vijf levende muizen.
Behoedzaam werd het mannetje verplaatst en met een stuk bonenstaak als steun in de rug,bij meester op de stoep gezet.
Een harde ruk aan de trekbel, waarna de vier onmiddellijk achter de heg doken, in afwachting van de komende gebeurtenissen. Even later verscheen meester Wormgoor die, beminnelijk als altijd, zei: "Goeden avond vriend,
moet u hier zijn". Geen antwoord, meester keek nog eens onderzoekend naar de figuur in het duister, haalde zijn schouders op en riep tot zijn vrouw: "D'r staat een vreemdeling op de stoep, die niets wil zeggen, ga jij eens even kijken". Mevrouw Wormgoor werd ook al niet veel wijzer van de bezoeker en meende: "Als jij je mond niet wil open doen,blijf dan maar in de kou staan en op je pakje ben ik ook niet gesteld, waarop zij de deur dicht deed". Teleurgesteld kwamen de vier tevoorschijn,zij hadden zich meer plezier van de, grap voorgesteld.

Wat nu, er was te veel werk en tijd aan de pop besteed om het hierbij te laten. Gerrit Hol kwam op een idee, Hendrik Minnen dreef, naast zijn café ook een stalhouderij, daar stonden altijd wel een paar rijtuigen op het erf. Gerrit zette zijn
plan uiteen: " Wij halen een koetsje naar de kant van de weg en zetten de pop netjes voor een raampje, zul je als
het morgenochtend licht wordt de mensen zien kijken". Dus werd de pop vervoerd naar het café en volgens plan in een rijtuig gezet waardoor het inderdaad leek of er een vergeten reiziger zat. Tevreden trok het viertal daarna huiswaarts.
De volgende ochtend waren Hendrik Beumer en de klompenmaker Reindert Boom de eerste voorbijgangers: zij bleven
staan en zagen de man achter het raampje zitten. Zeker een vent die vannacht stomdronken is geraakt en nu wacht tot Minnen hem thuis :brengt, was hun oordeel. Geleidelijk voegden zich meer mensen bij hen, iemand klopte tegen het
raampje ,maar de Passagier verroerde zich niet; de man moest wel ver heen zijn. Men besloot de veldwachter te waarschuwen, die kon de zuiplap opsluiten tot hij zijn roes had uitgeslapen.
Deze gezagsdienaar was nog niet zolang in Harskamp op zichzelf een beste man maar een tikkeltje eigenwijs. Hij had nog niet voldoende kijk op de bevolking en had het stadium van een bezadigd dorpsveldwachter nog niet bereikt.
Als oud-onderofficier had hij uit zijn diensttijd een zwak voor militair optreden overgehouden. Er werd zelfs beweerd, dat hij met de taptoe, 's avonds om negen uur in het kamp geblazen, naar bed ging om, bij de ochtendreveille van zes
uur, op te staan. Een kwartiertje later arriveerde de man van de wet, goed zichtbaar rinkelend met een stel handboeien.
Direct liep hij op het rijtuig af en wilde het portier openen. Maar klein Jantje Westereng, een pienter mannetje, altijd vol streken en met de neus vooraan als er wat te beleven viel, hield hem tegen. R. Kalm aan veldwachter, je weet 't' nooit wat zo'n vreemde snoeshaan in de kop krijgt als hij een uniform ziet,zou je niet liever de militaire politie uit het kamp er bij halen,die weten van aanpakken. Verachtelijk keek de veldwachter hem aan,dat was zijn eer te na,hij sommeerde de inzittende "In naam der wet, kom naar buiten of ik haal je er uit". Geen enkele reactie,waarop de veldwachter resoluut
het portier openrukte, de man bij de kraag vatte en uit het rijtuig smeet.
Tot verbijstering van de omstanders bleef het slachtoffer slap en onbeweeglijk liggen:"Ik heb je gewaarschuwd", kwam klein Jantje, "nou is 'tie hardstikke dood".
Verschrikt liep de veldwachter er op af en zag toen pas, evenals alle aanwezigen, dat het gevaarlijk sujet maar een lappen pop bleek te zijn. Een onbedaarlijk gelach steeg op, de veldwachter wist met zijn houding niet goed raad. Hij ontfutselde het pakje uit de lappenhanden, mompelde iets van: Dat neem ik in beslag voor nader onderzoek" en droop af. Thuis gekomen zette hij het "corpus delecti" op tafel en bracht zijn vrouw verslag uit.

Veldwachterswoning


Zij moest toegeven dat hij deze ochtend geen heldenrol had vervuld,maar ging bij wijze van troost, gauw koffie zetten.
Toen beiden wat later een bakje namen, kwam haar vrouwelijke nieuwsgierigheid boven: " Wat zou daar eigenlijk in zitten?", vroeg zij, wijzend op het pakje? Ik weet het ook niet, maak maar open, daar heb ik het voor mee genomen. Dat
was niet tegen dovemansoren gezegd, roets het touw doorgesneden. papier verwijderd en de deksel geopend. Tot haar ontzetting sprongen op hetzelfde moment vijf uitgehongerde muizen op tafel, direct op zoek naar iets eetbaars.
Van schrik sprong de vrouw ijlings op een stoel, klemde haar rok strak om de benen en gilde: "Pak de mattenklopper en sla ze dood".
Hij holde naar de bijkeuken greep het wapen van de muur en sloeg er links en rechts op los met als enig resultaat dat de suikerpot op de grond viel en een kopje sneuvelde.
De veldwachter was in alle staten, hij zwoer de daders van deze aardigheid te zullen opsporen. Zijn speurderszin, onmisbare eigenschap voor een goed politieman werd wakker. Nauwgezet onderzocht hij de trommel: op de bodem
lag een stuk papier, gescheurd uit een schoolschrift waarop met hanenpoten stond geschreven. "Prettige Sinterklaasavond". Dat betekende een aanwijzing: het lag voor de hand dat zijn onderzoek bij de meester moest beginnen en wel in de hoogste klas, want de lagere gebruikte leien. Hij stapte het schoollokaal binnen en vertelde meester Wormgoor ,dom genoeg in het bijzijn van de hele klas ,wat hem was overkomen en vroeg wijzend op het handschrift,van wie dat kon zijn.
De kinderen gnuifden en genoten, na twaalf uur zou heel Harskamp tot in bijzonderheden weten: wat zich de morgen had afgespeeld.
Meester, bij wie een licht opging omtrent zijn geheimzinnige bezoeker gisteravond, trachtte hem te sussen. Ongetwijfeld een kwajongensstreek, hij had zelfs een vermoeden dat het de rakkers waren die veel bij Jan in de struiken scharrelden.
Teneinde de veldwachter voor verdere blunders te behoeden, gaf hij hem de welgemeende raad: "Ga maar niet verder wroeten, doe een paar dagen kalm aan, dan is het hele geval vergeten". Aanvankelijk was de politieman van plan dit advies op te volgen, maar dit goede voornemen verdween toen hij die zelfde middag een pakje pruimtabak bij Jan Beumer wilde halen. De kleine winkel stond vol klanten, die bij zijn binnenkomst onderdrukt begonnen te grinniken. Een oud besje vroeg, zo in het algemeen: "Hebben jullie ook zoveel last van muizen?" Dat deed zijn woede weer "oplaaien, een dienaar der wet in het openbaar bespottelijk maken, dat nam hij nooit.
H.J.Nijenhuis

1915