Buurtavond

Aan de Otterloseweg in Wekerom woont de heer J. Top, een man met gevoel voor het verleden en een goed verteller van oude verhalen. Starend naar de aloude petroleumlamp, die nog altijd zijn woonkamer siert, verzucht hij soms: "als die lamp eens kon spreken". Zij zou dan vertellen van ouderwetse buurtavonden zoals die vroeger bij zijn ouders en anderen werden gehouden. Zo'n avond werd al geruime tijd tevoren vastgesteld en veiligheidshalve, op de kalender genoteerd. Er kwamen heel wat mensen, behalve familieleden ook buren en bekenden uit de omgeving; geen wonder dat op de bewuste dag de nodige voorbereidingen werden getroffen. Er werden sigaren ingeslagen, brood en kaas gehaald, want de avond werd besloten met een broodmaaltijd en het was zorg voldoende turf in huis te hebben. Deze diende niet alleen om woon en voorkamer te verwarmen, maar was ook bestemd voor stoven.


Leden van het zwakke geslacht kregen een dergelijk nuttig meubelstuk, waarin een test met een gloeiende turf stond. De vrouw sloeg haar lange rokken om de stoof en behield de verdere avond warme voeten.
De buurtpraters kwamen bijtijds, uiterlijk zeven uur was het gezelschap compleet,maar men maakte het niet laat. Tegen tien uur vond men het welletjes. Peuters lagen in bed maar oudere kinderen mochten in de keuken blijven waar zij, ter ere van de avond, chocolademelk kregen en doodstil bleven om zoveel mogelijk van de gesprekken op te vangen.
Na het eerste kopje koffie, voorzien van een beschuit met suiker, de mannen een bolknak tussen de lippen, kwamen de tongen los. Eerst het buurtnieuws, waarna geleidelijk het gesprek op vroegere en vooral geheimzinniger onderwerpen over ging. Die waren er genoeg, ieder had zo zijn eigen belevenissen en verhalen, te beginnen met de vrij onschuldige dwaallichtjes tot de angstaanjagende geestverschijningen toe.


Als zestienjarig meisje diende moeder Top bij Jan Hendriksen in Eschoten. Daar kwam, tot haar schrik, elke avond, volgens een vaste route, een licht aanzweven. Vanaf het dorp bewoog het zich, als een flakkerende kaars, tussen woning en bakhuis door, naar de boomgaard om dan richting Peppelenburg te verdwijnen. Dan de vreemde vrouw die elke avond, tegen schemertijd in de grote beek, bij de watermolen op een vlondertje,luiers kwam wassen. Velen hebben haar gezien, maar dorsten geen gesprek aan te knopen, zodat zij onbekend is gebleven. Hoogst eigenaardig in een omgeving waar iedereen elkaar van haver tot gort kende en van de gezinsomstandigheden op de hoogte bleef.


Een volgend verhaal speelde zich in af in Otterlo, daar bevond zich aan het Boveneind een vrij grote heuvel, bezaaid met gruis en stenen.
Die werd daarom "de Keienberg" genoemd heel lang geleden stond hier het huis "ten Haghe" de geschiedenisboeken gaan zelfs terug tot 1379 toen het pand beleend werd aan Brand van Deelen. Het gebouw trotseerde de eeuwen, in 1732 wordt nogals eigenaresse vermeld Cristina van Wije, daarna raakte de buitenplaats in verval en werd afgebroken. Een berg puin bleef over, waar een enkeling nog is wel eens kalk voorzijn kippen halen,maar de meeste mensen hadden het niet op "de Keienberg" begrepen, het zou er spoken. Op gezette tijden zwierf een geest over de heuvel op zoek naar vroegere huisgenoten.
Deze geruchten werden bevestigd door de bejaarde scheper Franken, die er elke dag met zijn schapen op uit trok en bij terugkomst de heuvel passeerde. Gewoonlijk stond voor zonsondergang de kudde weer op stal, maar op zekere dag had hij zich verlaat en was het al schemer toen "de Keienberg" werd bereikt. Normaal trokken de dieren altijd over of langs de heuvel, nu evenwel bleef de hele kudde plotseling stokstijf staan, de koppen naar de berg gekeerd. Zij krabden metde voorpoten in het zand en begonnen klagelijk te blaten.
Ook de hond, altijd zijn trouwe helper, liet hem in de steek en bleef plat op de grond liggen. De scheper begreep er niets van, tot hij ook naar de berg keek. Tot zij ontsteltenis zag hij een statige dame, geheel in het wit ge,kleed, het hoofd getooid met een hoed, voorzien van een brede rand, langzaam de heuvel beklimmen. Bovengekomen liep zij, in het zelfde tempo, een paar rondjes om vervolgens aan de andere kant weer te verdwijnen.
Franken stond aan de grond genageld, dat kon geen werkelijkheid zijn, de schapen kwamen het eerst weer bij hun positieven en kwamen weer in beweging. Ook de hond werd actief en de scheper, nog geenszins van zijn verbazing bekomen, bracht de kudde op stal. Natuurlijk vertelde de man deze wonderlijke gebeurtenis in het dorp met de opwekking aan zijn toehoorders zelf, zo tegen schemering ook eens een kijkje te nemen.
Maar door gebrek aan durf heeft verder nooit iemand de vreemde dame gezien. Wel is er vaak gegraven op "de Keienberg"; iemand had daar eens een klein stukje goud gevonden, wie weet wat er allemaal in de grond zat. Als jongen had zelfs vader Top, met een kameraad, op de berg een gat van ruim twee meter diep gemaakt, maar behalve blaren in de handen, hebben zij er niets aan overgehouden. Geleidelijk raakte "de Keienberg" in het vergeetboek en komt slechts op buurtavonden weer in de belangstelling.


Dat geheimzinnige zaken soms een minder fraaie achtergrond bezitten , bewijst de volgende geschiedenis. Op een voorjaarsavond
moest Top naar de dokter in Barneveld om medicijnen te halen. Het was al donker toen hij op de terugweg, bij het schijnsel van zijn carbidlantaren wat zag opdoemen.
Naderbij gekomen bleken het twee mannen te zijn die een koe voort dreven, die zelfs geen "goeden avond" lieten horen, Er hing een
lage grondmist waardoor het leek of mannen en dier niet liepen maar vooruit schoven, wat een sinistere indruk maakte. Vreemd die stoet op de late avond en het werd nog raadselachtiger toen een buurman de volgende ochtend vertelde hetzelfde geval ook te hebben gezien, maar dan in tegenovergestelde richting.
Een nader onderzoek bracht de zaak aan het licht, mede doordat buurman een van de mannen had herkend als een boerenknecht uit Essen.

Aan de Damakkerweg woonde een weduwe met een ziekelijke dochter. Een gegoede boer uit Essen was voogd over dit kind en
eiste voor het meisje haar vaderlijk erfdeel. Voor de weduwe betekende dat huisraad en vee publiek te verkopen. Dat bracht de boer op een helder idee; de avond voor de boedeldag haalde hij zijn slechtste koe uit de stal en ging in het donker met dier en knecht op pad naar de Damakkerweg.
Daar zocht hij de beste melkkoe uit, zette zijn scharminkel op haar plaats en aanvaardde met het dier de terugtocht. Dank zij het feit dat de knecht herkend was, stak de buurt er een stokje voor .


Ja, ook in die tijd liepen er rare kostgangers rond, daar had je Melis, een heel onverschillig mens die voor geen cent deugde. Hij had een broertje dood aan werken, zat vaak in de kroeg, kon afgrijselijk vloeken, keek graag naar andere vrouwen terwijl zijn echtgenote allesbehalve liefdevol door hem werd behandeld. Daarbij eigenwijs, duldde Melis geen tegenspraak of aanmerkingen: zijn slagzin luidde als iets hem niet aanstond: "Als dat waar is, kan de duivel mij halen." En dat is gebeurd, althans volgens de mensen die hem gekend hebben. Op een avond zat hij, half aangeschoten, te zwetsen in een kroeg,tot een van de overige bezoekers er genoeg van kreeg en meende: "Nou is het welletjes Melis komt"Genoeg," bulderde de , aangesprokene, "ik zal zeggen wat ik wil en anders kan de duivel mij halen. Op hetzelfde moment gaat de deur open en verschijnt een sjieke dame, lichtgroen gekleed. Was in die dagen de komst van een vrouw in een café al opmerkelijk, deze entree sloeg de aanwezigen met stomheid. De dame liep regelrecht naar Melis, ging naast hem zitten en pakte zijn hand. Deze keek de gelagkamer rond met het gezicht van een groot charmeur .
De onbekende richtte zich om hem te omhelzen, waarbij haar rokken wat omhoog schoven. Toen zagen de andere bezoekers, die belangstellend toekeken, tot hun ontzetting dat de schone dame geen voeten maar paardenhoeven bezat. In paniek stoven ze het café uit, dat moest satan in eigen persoon zijn. Melis had niets bemerkt; belust op meer troonde hij haar mee naar buiten waar zij hem opnieuw hartstochtelijk omhelsde en kuste om daarna even plotseling te verdwijnen als zij was gekomen.
Teleurgesteld slofte Melis naar huis: de volgende morgen meende zijn vrouw: " Wat heb jij toch voor zwarte vlekken in je gezicht" .Melis keek in het keukenspiegeltje, inderdaad, overal waar de vrouw hem zo vurig had gekust, op zijn mond, wangen, hals en nek, waren donkere littekens achtergebleven.
Deze plekken werden in de loop van de dag gaten en vier en twintig uur later was Melis dood. De duivel had hem gehaald, daarvan was een , ieder overtuigd, ter waarschuwing aan alle onverschillige en losbandige mensen.


In het Meulebosje te Wekerom was het ook niet pluis; twee boerenknechten hadden, zo in het midden van de vorige eeuw, liefde opgevat voor hetzelfde meisje. Deze schone kon maar geen keus maken, waardoor de minnestrijd zo hoog steeg, dat de ene aanbidder, in het Meulebosje, de ander dood sloeg. Sindsdien spookte het daar; het meisje,door wroeging gekweld, maar nu zonder minnaar, de een dood, de ander in de gevangenis, bezocht elke avond, tegen schemering, de plaats des onheils. Zo ging althans het gerucht.
Twee opgeschoten jongens, de gebroeders Van Beek, wilden zekerheid. Op een avond kropen zij achter een dikke boom en bleven wachten. Hun geduld werd beloond; in het half duister verscheen een gestalte, die in een kring door het bos liep. Hoewel doodsbenauwd vermande de oudste zich en liep op de gedaante af. Hij stak zijn handen uit, maar plotseling was de verschijning verdwenen. Later vertelde een oude man hen dat je een spook altijd een witte zakdoek moest toesteken. Werd de doek
aangepakt dan had je contact met de geest en kon je zelfs met haar praten. Helaas, zover is het nooit gekomen. na verloop van tijd
kwam het spook niet meer opdagen.


Oudere mensen beweren dat met de intrede van de elektriciteit toen men ging spreken over de verlichte eeuw, er geen plaats meer
bleef voor spoken en bovennatuurlijke verschijnselen. Men mag er van denken wat men wil, het feit blijft dat dergelijke verhalen de
hoofdschotel vormden van buurtavonden als bij de familie Top. Of, om met moeder Top te spreken""Mensen, onthou dit, wat ik gezien heb, heb ik gezien, da's zeker."
H. J. Nijenhuis