
Het is zover, de gemeente heeft een mijlpaal bereikt. Er zijn 90.000 inwoners. Ongetwijfeld zullen meer of minder uitvoerige artikelen vertellen hoe deze enorme groei in de loop der jaren tot stand kwam, maar we willen ons echter in deze regels bepalen bij de beginjaren van de burgerlijke stand, waarbij voor een deel de gegevens afkomstig zijn uit het gemeentelijk archief. Deze dienst staat immers in nauw verband met de aanwas van de bevolking; daar
worden geboorten, huwelijk en overlijden alsmede vertrek en nieuwkomers bijgehouden.
Met de komst van de Bataafse Republiek van 1795 tot 1801 verdween het oude ambt Ede en tevens de macht van
de Ambtsjonkers om plaats te maken voor een meer democratisch bestuur.
De naam ambt veranderde. naar Franse betiteling in "canton'" en een speciaal benoemde raad, met aan het
hoofd een ,maire" oftewel burgemeester regelde voor1aan de gang van zaken waarbij natuurlijk de bezetters een stevige vinger in de pap hielden. In 1810 bestond de raad in Ede uit twintig leden met de heer C. B. de Vries als maire.
Een jaar later, begin maart 1811 werd de burgerlijke stand. ook op Franse leest geschoeid. ingevoerd. Ook voordien werden reeds geboorten en huwelijken bijgehouden in de zogenaamde trouw en doopboeken. die echter onder kerklelijke berusting bleven. In het museum ,"Oud Ede" bevinden zich een aantal van deze boeken met gegevens uit Ede en verschillende buitendorpen over de periode 1715-1810. samengesteld door de heer D. J. Hillen. We mogen in deze vroegere gemeenteambtenaar nog dankbaar zijn voor het vele werk op dit terrein door hem verricht.
Deze boeken die zich nog in uitstekende staat bevinden, worden regelmatig door naarstige familieonderzoekers geraadpleegd.
AI gauw na de inwerkingtreding van de burgerlijke stand werd het eerste kind aangegeven. waarvan de volgende akte werd gemaakt .Op heden den dertiende Maart 1811 compareerd voor mij, maire des Cantons Ede, Hendrik van de Poll, dagloner, in het huis nummero vijfenwintig te Bennekom, de- welke verklaarde dat zijn huisvrouw,
genaamd Derkje vande Peppel, op heden morgen zes uren, verlost is van een zoon ten voornoemde woonhuize,
waaraan hij de naam Jan Willem heeft gegeven. Een hele mondvol die stellig alleen al met dat keurige uitschrijven de nodige tijd zal hebben gekost, hetgeen echter minder bezwaarlijk was, want geboorteaangiften kwamen lang niet elke dag voor, Begrijpelijk daarin dat eerste jaar, 1811 dus, slechts dertien huwelijken werden geregistreerd die op dezelfde wijze werden behandeld en waarvan we er voor de aardigheid één laten volgen .
Op 30 Mei 1811 huwde Gerrit Jan Melling, oud achttien jaar, geboren en wonende te Ede, zoon van Lammert Melling en Johanna Wiemeling, beide wonende te Ede, met GerritjeKoster, oud vijfentwin1ig jaar, dochter van wijlen Willem Koster en Maatje Aalberts.
Overigens telde het toenmalige canton Ede in 1811 slechts 4604 inwoners, als volgt verdeeld. Ede 1763, Lunteren
1302, Bennekom 930 en Otterlo 609.
De godsdienstige opvattingen van deze mensen waren zeer eensgezind ,niet minder dan 4540 personen stonden als Ned, Herv. ingeschreven. De rest bestond uit zestien Lutheranen, zeven Israelieten, vijf doopsgezinden,vier katholieken terw!jl tweeéndertig inwoners zonder godsdienst staan vermeld .Per 1 januari 1812 vond een ingrijpende verandering plaats. de vier kerkdorpen van het canton Ede. werden zelfstandige gemeenten met elk een eigen maire en raad. De aanleiding daartoe is moeilijk te achterhalen: vermoedelijk ging men van het standpunt uit, dat van vier kleine gemeenten meer belasting te halen viel dan bij één grote Zo ontstonden Ede,
met de buurtschappen Ginkei, Manen, Veldhuizen, Doesburg en Ederveen; vervolgens Lunteren met Meu-
Lunteren, De Valk, Overwoud, Nederwoud en de Fliert; daarna Bennekom met boven en benedenbuurt en tenslotte Otterlo waaronder Eschoten,t' Laar, Westerhuis, Westereng, Mossel, Nieuw Reemst, Wekerom en Harskamp. Deze toestand duurde echter slechts zes jaar, per 1 januari 1818 werd het weer één gemeente Ede.
Achternaam
Bij de invoering van de burgerlijke stand in 1811 werd iedere Edenaar die toen in leven was, ingeschreven. Daarvoor kan men nu nog in het gemeentelijk archief, via een speciaal soort klappers, op eenvoudige wijze zijn voorouders tot ongeveer 1750 naspeuren, mits zij wel in de gemeente Ede zijn blijven wonen. Van hogerhand werd in 1811 tevens bepaald dat een ieder over een achternaam moest beschikken. De meest mensen waren wel zo ver, maar in kleine dorpsgemeenschappen kon je nog iemand aantreffen die bekend stond als Jansz. of Willemz.. hetgeen simpelweg wilde zeggen, zoon van Jan of Willem. Nog een bijzonderheid uit die tijd. iets wat thans met veel moeite en geld gepaard gaat. Men kon gratis een nieuwe achternaam aannemen. Blijkbaar waren er nog wel mensen die met hun naam minder tevreden waren, soms klonk deze minder welluidend of was er een bijnaam aan gekoppel wat vroeger veel voorkwam en die men op deze manier kwijt wilde raken.
In het reeds eerder genoemde gemeentelijk archief is althans een lijst aanwezig van verschillende inwoners
uit de gehele gemeente die deze gelegenheid hebben benut, Om één geval te noemen' tot hen behoorde ook de
grootvader van de eens zo bekende Edese smid. Dries Willemsen. Deze man stond oorspronkelijk ingeschreven
als Cobesse waarschijnlijk afgeleid van Cobes. maar deze naamwerd op zijn verzoek gewijzigd in Willemsen, De
daarvoor opgemaakte akte. in tweevoud. is. ondertekend door de aanvrager en burgemeester Prins, altijd bewaard gebleven Jaarlijks werden voortaan overzichtstaten samengesteld waarin alle mogelijke gegevens betreffende de bevolking werden vermeld.
Voor de aardigheid gaan we een stap vooruit en bekijken eens een dergelijke lijst, die van het jaar 1850. Daaruit blijkt dat het aantal inwoners van de gemeente is gestegen tot 8843. verdeeld in 4511 mannen en 4332 vrouwen,.
Op godsdienstig terrein is er maar weinig veranderd ,8711 van hen behoren, hetzij als lid of dooplid, tot de Ned Herv. Kerk.
Niet alleen de mensen. ook het grotere vee. zoals varkens, koeien en schapen werden nauwkeurig bijgehouden
Vrijwel iedere boer hield minstens één kudde schapen. vandaar het enorme aantal van deze wollige dieren in genoemd jaar, bijna zesduizend. We krijgen ook een aardig inzicht hoe men het dageijks brood verdiende. Van industrie was natuurlijk nog geen sprake,het merendeel van de bevolking was in de landbouw werkzaam: vandaar dat ook het aantal hectare bebouwd met rogge, tarwe of boekweit nauwkeurig werd bijgehouden.
Rentenieren
Door de jaren heen heeft onze gemeente veel bouwvakkers gekend en ook in 1850 waren zij met ruim negentig
man goed vertegenwoordigd, Opvallend is ook het vrij grote aantal kleermakers, een duidelijk bewijs dat confectie
althans op het platteland. nog onbekend bleek. Verder waren er vrij veel schaapherders. totaal vijfenzestig, hoewel dit werkspeciaal werd uitgevoerd door opgeschoten jongens of oude mannen die niet meer tot zwaarder
werk in staat waren. Leuk is ook dat aandacht werd geschonken voor wie werk niet zo belangrijk was onze gemeente telde destijds namelijk elf renteniers.
Vrouwen werden vrijwel niet in het arbeidsproces opgenomen, hoewel een huismoeder mede door de grote
gezinnen uit die lijd, wel wist wat haar te doen stond. Voor haar was het een dag van aanpakken tot de late avond, die vaak nog werd benul voor het stoppen van sokken. Zij brachten misschien noodgedwongen, het gezegde van
Huygens. De beste huisvrouw die er bestaat… die en vind men niet op straat wel in praktijk. De enkele vrouw voor
wie het huwelijk niet was weggelegd koos, om althans de kost te verdienen veel het beroep van naaister waarvan
erin 1850 vierentwintig als zodanig stonden ingeschreven. Voor op groeiende meisjes was alleen een
baantje als dienstbode weggelegd, hetgeen wel veel, vaak onaangenaam werk, maar weinig geld opleverde.
Geen wonder dat zij, eenmaal op bepaalde leeftijd gekomen. veelal verlangend naar de ware Jacob uitkeken, om
maar van dalonderdanige ,.ja mevrouw, nee mevrouw verlost te zijn.
Het schoolbezoek kende grote schommelingen, tijdens de zomerdag bedroeg het verzuim meer dan vijftig
procent. De kinderen werden dan ingeschakeld bij het bosbessen plukken, dennen poten en helpen met de oogst
binnen te halen. Op die manier droegen zij hun steentje bij om het huishouden te laten draaien; leren kon evengoed in het koude jaargetijde.
Tot besluit nog een opgewekt bericht in genoemd jaar kwam geen enkele inwoner van de gemeente Ede in de vangenis terecht. Dit waren zo maar wat losse notities uit de burgerlijke stand van vroeger jaren, een dienst die
thans enorm is gegroeid en waarin nu ook de 90.00ste inwoner is opgenomen.
H. J. Nijenhuis

