Distributie-brieven

Distributie-brieven
In de Edese Courant van 4 januari 1947 werd een bloemlezing gegeven over taal en inhoud van diverse brieven, gericht aan het plaatselijk distributiekantoor. Wel aardig om nog eens op terug te grijpen.
Tijdens de oorlogsjaren en ook enige tijd daarna, moesten tal van formulieren worden ingevuld om aan bepaalde zaken te komen. De inleidende vragen, zoals adres, leeftijd en nationaliteit, leverden soms al moeilijkheden op. Dat laatste punt werd door een aanvrager gezien als een politieke vraag, dus vulde in "neutraal".

Formulieren
Ook de adressen van de verschillende schrijvers, stelden de ambtenaren voor problemen.
Eén gaf te kennen: "Ik woon bij opoe en opa in Geld. Veenendaal" en een ander "dat zwarte wegje op, niet het eerste huis, maar bij de tweede draai de dam in, dan loop je er recht tegen aan". Ook de vraag of de aanvrager van het mannelijk of vrouwelijk geslacht was, bleek niet altijd eenvoudig. Een buitenman dacht direct aan zijn varkens en gaf een uitvoerige toelichting: "Ik kan dit jaar niet slachten; ik had twee varkens liggen, één voor contract en één voor de slacht, maar die is nou dood".

Zeer groot was het aantal aanvragen voor extra textielpunten. Een arbeider vroeg om een overal met als reden: "Ik werk op Deelen en moet spuit en kammeflasie doen", met op de vraag, waar hij woonde.
"Nergens, want ik ben gaan trouwen".

Een dame, als reden voor toewijzing van een nieuwe mantel: "Omdat ik zenuwen spierremetiek heb op voorschrift van de dokter". Bij aanvraag voor beddentijk, geeft ene mej. P.blijkbaar van het platteland
meteen de hoeveelheid op: "Ongeveer anderhalve roei". Een ander verzocht twaalf vierkante meter overgordijnstof omreden: "ik ben pas getrouwd en heb ze nooit gehad vanwege zonnescherm".

Een moeder vroeg een manteltje voor haar meisje van twaalf jaar: "Zij is uit haar jasje gegroeid en geheel versleten".


Een aanvrager van een broek dacht meteen zijn slag te slaan:
"Mijne heren, ik ben zeer verlegen om een fantasiebroek, plusfour en werkjas".


Een bakker schrijft: "Ik heb één costuum en ben aan slijtage onderhevig".
Soms heel beleefde brieven:
"Meneer, met deze wil ik u vriendelijk vragen om extra punten voor mijn drie jongens want, meneer, zij zijn zo sleets, één heeft niets meer om aan te trekken". Ook werd op het gevoel van de ambtenaren gewerkt: Meneer de distributeur, help ons hiermede, anders moeten wij een deurtje verder kijken want de nood dringt ons.

H. J. Nijenhuis